Samenvatting door Niels Krijger

advertisement
SAMENVATTING CHILD DEVELOPMENT
LAURA E. BERK 8 TH EDITION
DOOR NIELS KRIJGER, [email protected]
Eerste vijf hoofdstukken ontbreken; deze waren in 2009 geen onderdeel van de stof.
1
HDST 6 (P 222)
PIAGET’S COGNITIEVE-ONTWIKKELINGS THEORIE (P 224)
Constructieve benadering: kinderen worden gezien als ontdekkend en construerend, ze leren de
wereld kennen door hun eigen handelen.
4 stages: Sensorimotor, preoperational, concrete operational en formal operational.
Schema’s zijn methoden om begrip van de wereld te krijgen en deze schema’s veranderen
gedurende de ontwikkeling.
De verandering van een sensorimotor tot cognitieve benadering is gebaseerd op mentale
representaties (interne voorstellingen van informatie).
Aanpassen:


Assimilatie: we gebruiken onze huidige schema’s om de wereld te begrijpen. Kind bevindt
zich in een equilibrium, een aangename stabiele staat.
Accommodatie: nieuwe schema’s ontwikkelen of oude aanpassen om de wereld beter te
begrijpen. Kind bevindt zich in disequilibrium, een cognitieve onaangename staat.
Equilibration: Het heen en weer gaan tussen assimilatie en accommodatie.
Organiseren: een intern proces waarbij de schema’s veranderen –dus los van de omgeving.
SENSORIMOTOR STAGE (GEBOORTE TOT 2 JAAR)
Peuters ‘denken’ met hun ogen, oren, handen en andere motorische elementen.
Circulaire reactie: eerste methode om schema’s aan te passen. Peuter komt toevallig in een situatie
terecht door zijn motorische activiteiten. Gedreven door kans.
De sensorimotor stage bestaat uit:
1. Reflex schema’s (geboorte-1 maand) -> gedreven door baby reflexen
2. Primaire circulaire reacties (1-4 maand) -> gedreven door simpele motorische gewoontes
rond de baby (dichtbij), weinig voorspellingsvermogen
3. Secundaire circulaire reacties (4-8 maand) -> Acties gericht op het herhalen van interessante
effecten in de omgeving
4. Coördinatie van secundaire circulaire reacties (8-12 maand) -> intentioneel, doelgericht
gedrag. Probeert verborgen objecten te vinden op één plaats, verbeterde anticipatie op
gebeurtenissen, imitatie gedrag veranderd iets ten opzichte van eerder gedrag.
5. Tertiaire circulaire reacties (12-18 maand) -> Verkennen eigenschappen objecten door
nieuwe manieren van interactie. Imitatie van nieuw gedrag, Probeert verborgen objecten te
vinden op meerdere plaatsen (succesvolle A-B zoektocht).
2
6. Mentale representatie (18-24 maand) -> Interne voorstellingen van objecten. Zoektocht ook
wanneer object zonder dat baby het zag is verplaatst.
A-B zoektocht: het begrijpen van object permanentie (object blijft bestaan buiten zichtveld). Een
object wordt verborgen bij A, vervolgens ziet de baby dat het verplaatst wordt naar B maar zal nog
bij A gaan zoeken.
Uitgestelde imitatie: het kunnen herinneren en copieren van modellen die niet aanwezig zijn. Leidt
tot imaginatie spelen.
Overtreding van verwachtingsmethode: onderzoekers gebruiken deze methode om te achterhalen
in hoeverre baby’s van de omgeving op de hoogte zijn. Ze gebruiken fysieke elementen en laten deze
volgens een verwachtingspatroon lopen. Vervolgens laten ze iets onverwachts gebeuren. Dit leidt tot
verassing en geeft daarmee aan in hoeverre de baby de omgeving begrijpt.
Categoriseren: ook jonge baby’s kunnen elementen groeperen. Dit zorgt ervoor dat ze grote
hoeveelheden informatie kunnen verwerken.
Analogisch probleem oplossen: vanaf 10-12 maanden kunnen baby’s een oplossingsstrategie op
andere relevante problemen toepassen.
Piaget’s stages houden weinig rekening met het categoriseren, object permanentie, analogisch
probleem oplossen en uitgestelde imitatie.
PREOPERATIONELE STAGE (2-7 JAAR)
Vooral mentale representaties boeken in deze stage vooruitgang. Piaget gaf hier taal een belangrijke
rol. Door te denken m.b.v. taal kunnen we meer informatie verwerken.
Voordelen imaginatie spelen: uitvoeren van representationele schema’s en heeft een emotionele
integratie functie. Piaget zag dit alleen als een uiting maar tegenwoordig wordt het gezien als een
belangrijke bijdrage aan cognitieve en sociale vaardigheden van kinderen.
Tekenen:



Gekras
Eerste representationele vormen (rond 3 jaar)
Meer realistische tekeningen (5-6 jaar), worden complexer
Hoe goed kinderen kunnen tekenen is voor een belangrijk deel cultureel bepaald.
Duale representatie: kinderen tot 3 jaar hebben moeite met beschouwen van een symbolisch figuur
als zowel een object als een symbool.
Operaties: volgens Piaget zijn kinderen niet in staat tot mentale representaties van acties die
logische regels volgens.
Problemen preoperationeel denken:
3





Egocentrisme: het niet kunnen onderscheiden van de eigen symbolische uitgangspunten en
die van anderen.
Animistisch denken: geloven dat niet-levende objecten gedachten/gevoelens hebben.
Conserveren: Piaget’s beroemde experimenten geven aan wanneer een kind kan
onderscheiden dat wanneer bijv. een hoeveelheid vloeistof wordt weggegoten de totale
hoeveelheid vloeistof gelijk blijft. Onderdeel hiervan is centreren. Het concentreren op één
aspect en andere negeren (bijv. de hoogte van de vloeistof als maatstaf gebruiken voor de
hoeveelheid water).
Onomkeerbaarheid: het niet kunnen voorstellen van het terugdraaien van een serie acties.
Hiërarchisch denken: het subklasseren van objecten op basis van grote en kleine
eigenschappen is een probleem bij preoperationele baby’s.
Deze problemen van Piaget zijn in nieuw onderzoek regelmatig verzwakt of onwaar gebleken.
CONCRETE OPERATIONELE STAGE (7-11 JAAR)
Een belangrijk omslagpunt in cognitieve ontwikkeling. Het kind ontwikkeld conserverend te denken,
classificerend, seriation (dingen ordenen naar kwantitatieve eigenschappen), ruimtelijk denken.
Cognitieve map: mentale representaties van bekende grootschalige ruimtes.
De grootste tekortkoming in concreet operationeel denken is een gemis aan abstract denken.
FORMELE OPERATIONELE STAGE (11 JAAR EN OUDER)
Ontwikkeling van abstract, wetenschappelijk, systematisch denken.
Hypothetisch-deductief denken: het vormen van een hypothesis, voorspellingen doen en het daaruit
deductisch bepalen van logische, testbare interferenties.
Prepositioneel denken: het kunnen evalueren van verbale stellingen zonder het gebruiken van echte
omstandigheden. Jonge kinderen falen hier mede door vanwege een gebrek aan logische
noodzakelijkheid van de stelling, de juistheid van de conclusies zijn afhankelijk van validiteit van
voorafgaande stellingen en hangt dus samen met logica, niet met wereldlijke verificatie.
Er ontstaan twee vertekende beelden op de werkelijkheid door de grote veranderingen die optreden
gedurende de puberjaren:


Imaginair publiek: het geloven dat de adolescent de focus heeft van ieders aandacht.
Persoonlijk fabel: omdat tieners denken dat ze ieders aandacht hebben krijgen ze het gevoel
dat ze uniek en speciaal zijn.
Deze twee worden belangrijk geacht omdat ze gevolgen hebben voor het zelfvertrouwen en
daarmee geluk van de tiener.
Tieners idealiseren de wereld en hierdoor wordt het gat groter tussen ouders (worden bekritiseerd)
en kind (stelt zich een ideale wereld voor).
4
Tieners gebruiken bij het vormen van besluiten niet de meest logische routes, leren moeilijker van
fouten. Wegen de voordelen niet tegen de nadelen af.
Abstract, hypothetisch, denken moet getraind worden. Afgezonderde groepen komen niet tot de
formele operationele fase.
EVALUATIE VAN PIAGET ’S THEORIE
Zeer belangrijke invloed op onderwijs (individuele verschillen, gevoeliger voor de bereidheid van
kinderen om te leren, ontdekkingsleren).
Kritiek op Piaget:
-
Piaget gaf niet aan hoe de verschillende resultaten van de stages tot een enkele,
onderliggende vorm van gedachten leiden.
De meeste cognitieve vaardigheden zijn niet plotseling opeens beschikbaar maar gedurende
eerdere fases ook aanwezig.
CORE KNOWLEDGE PERSPECTIVE (P258)
Gaat ervan uit dat pasgeborenen aangeboren, speciale kennissystemen hebben (ookwel ‘core
domains of thought’) die begrip kunnen creëren voor nieuwe informatie. Deze aangeboren
vaardigheden kennen een lange evolutionaire geschiedenis.
Met name numerieke en fysieke kennis (hoe objecten andere objecten beïnvloeden) zijn aanwezig bij
pasgeborenen. Kinderen zijn naïeve theoristen, ookwel theory theory, kinderen gebruik aangeboren
concepten om te theoretiseren over oorzaken en gebruiken hierbij ervaring.
VYGOTSKY’S SOCIOCULTURELE THEORIE
Pasgeborenen beginnen met redelijk dezelfde capaciteiten als andere dieren. Het leren van een taal
initieert een grote verandering in denken.
Zelfspraak: het kind stuurt zichzelf door tegen zichzelf te praten. Later doet hij of zij dit stilletjes.
Zone of proximal development: leren vindt plaats op een moeilijkheidsgraad die te hoog ligt voor
hem maar gestimuleerd word door verder ontwikkelden.
Dit gebeurd door sociale interactie:
-
Intersubjectiveit: twee deelnemers beginnen met verschillende taken en komen tot een
gedeelde mening.
Scaffolding: hulp aanpassen tijdens een leerproces op basis van de capaciteiten van het kind.
Een bredere term is begeleidde participatie: gedeelde ondernemingen tussen expert en
minder vaardige deelnemers zonder dat regels voor communicatie vastliggen.
Bij opleidingen leidt deze theorie tot samenwerking tussen gelijkgestemden en geassisteerde
ontdekking.
5
-
Reciprocal leren: kleine groep van 2 tot 4 studenten en een leraar werken samen m.b.v.
vragen, samenvatten, verklaren en voorspellen.
Samenwerkend leren: kleine groepen klasgenoten werken samen naar een
gemeenschappelijk doel.
Kritiek op Vygotsky’s theorie is dat hij erg veel nadruk legt op spraak. In culturen met minder scholing
wordt leren voor een groot deel overgelaten aan observatie.
6
HDST 7 (P 274)
THE INFORMATION-PROCESSING APPROACH
Veel theoristen vergelijken de mens met een computer. Het coderen, decoderen, ophalen en opslaan
van informatie.
HET STORE MODEL
Store model kent drie mentale systemen:
-
Sensorisch register, input vanuit de zintuigen, slaat korte tijd op
Korte termijn of werkgeheugen. Wordt gevoedt vanuit sensorisch register m.b.v. aandacht.
Een gelimiteerde hoeveelheid informatie.
Lange termijn geheugen. Permanente opslag.
Om dit te reguleren is er een centraal uitvoerend orgaan: een bewustzijn dat de coördinatie regelt
over de informatie.
Het probleem met lange termijn geheugen is dat we er zoveel in opslaan dat het ophalen ervan
problemen veroorzaken kan.
Geheugen ontwikkeld zich door:
1. Capaciteit van opslag, vooral korte termijn geheugen
2. Gebruik van strategieën veranderen
Geheugen capaciteit: langste reeks getallen die iemand kan onthouden. Deze groeit tot ongeveer het
12de jaar tot 6/7 getallen waarna deze redelijk constant blijft.
CONNECTIONISME
Om erachter te komen hoe alles werkt bouwen wetenschappers neurale netten die de connecties in
de hersenen nabootsen. M.b.v. gewichten tussen de verbindingen van neuronen blijken nieuwe
cognitieve vaardigheden ontwikkeld te worden.
Opbouw: input laag, 1 of meerdere verborgen lagen die de taak uitvoeren en een output laag.
Wanneer een output goed is worden de verbindingen tussen de verborgen lagen versterkt, en anders
verzwakt.
CASE’S NEO-PIAGETIAN THEORY
Robbie Case accepteert Piaget’s stages maar wijst de verbeteringen van geheugen toe aan een
efficiënter gebruik van het werkgeheugen.
-
Pasgeborenen: sensorische input en fysieke acties
Vroege jeugd: interne representaties van gebeurtenissen en acties
7
-
Midden jeugd: simpele transformaties van representaties
Adolescentie: complexe transformaties van representaties
Factoren in deze veranderingen zijn: ontwikkeling hersenen, ervaring met schema’s en het
formaliseren van centrale conceptuele structuren (wanneer iets ver geformaliseerd is kan het
concept op een breed scala aan situaties worden toegepast).
SIEGLER’S MODEL VAN STRATEGIE KEUZE
Robert Siegler gaf een evolutionaire verklaring voor de cognitie van een kind. Door ervaring worden
strategieën geselecteerd en andere sterven af. Variatie en selectie.
Strategieën ontwikkelen zich volgens een overlappend golvenpatroon: een incorrecte strategie leidt
tot een verregaande variabele staat waarin verschillende strategieën worden toegepast. Strategieën
worden gekozen op basis van juistheid en snelheid.
AANDACHT
Aandacht is een fundament van het denken, het bepaald welke informatie wordt opgeslagen en
welke niet.
AANHOUDENDE, SELECTIEVE EN AANPASBARE AANDACHT
Peuters kunnen steeds beter aanhoudende aandacht uitoefenen, met name tussen 2-3.5 jaar.
Wanneer aanhoudende aandacht verbeterd wordt kan er beter selectieve aandacht worden
gevestigd op relevante zaken. Dit verbeterd met name tussen het 6de en 11de levensjaar.
Factoren bij groei selectieve en aanpasbare aandacht:
-
Inhibitie: het kunnen controleren van externe en interne stimulus. Leren impulsen te
onderdrukken, negatieve emoties controleren, verleiding kunnen weerstaan.
Aandachtsstrategieën: worden ontwikkeld aan de hand van:
o Productie verschil: niet schoolgaande kinderen gebruiken nauwelijks
aandachtsstrategieën.
o Controle verschil: iets oudere kinderen kunnen hun strategie niet goed toepassen,
niet controleren.
o Gebruiksverschil: jonge schoolgaande kinderen gebruiken strategieën consistent
maar hun prestatievermogen verbeterd niet.
o Effectief gebruik: wat oudere schoolgaande kinderen gebruiken strategieën en
verbeteren daarmee hun prestatievermogen.
PLANNING
Planning is het voortijdig bedenken van een reeks van taken en aandacht alloceren om een doel te
bereiken.
8
Door oefening leren kinderen te kunnen plannen. Kinderen die door de ouders worden betrokken bij
planningsstrategieën leren later ook beter te plannen.
GEHEUGEN
Pas na het 8ste levensjaar verbeterd het geheugen flink.
STRATEGIEËN VOOR ONTHOUDEN
Herhalen en groeperen (organiseren).
Taxonomisch categoriseren –plaatsen van items op basis van gemeenschappelijke kenmerkenvoorziet in een efficiënte organisatie.
Veel kinderen tussen 8ste en 10de levensjaar laten een controle achterstand (inconsistent gebruik) of
gebruiksachterstand (prestatievermogen) zien. Zodra de voordelen van strategieën worden
gevonden vindt een snelle vooruitgang plaats.
Aan het eind van midden jeugd wordt er gebruik gemaakt van een derde geheugenstrategie:
uitbreiding. Hier wordt een extra (niet bestaande) verbinding aangebracht tussen twee items. Bijv.
684326 wordt onthouden als 68 43 26.
OPHALEN VAN INFORMATIE
Herkenning: gebeurtenis koppelen aan (een) ervaring.
Terugroepen: het generen van een mentale representatie van een afwezige/verwijderde stimulus.
In de jaren voor school wordt verbetering van terugroepen verbonden aan de verbetering van taal.
Reconstrueren: complexe materie wordt bevangen in de eigen kennis en wordt later
gereconstrueerd via deze eigen kennis.
Volgens C.J. Brainerd en Valerie Reyna gebeurt reconstructie via de fuzzy-trace theory: er wordt een
wazige, vage versie gemaakt van de informatie en details worden vergeten, ookwel gist genoemd.
Deze is vooral nuttig voor redeneringen.
KENNISBASIS EN GEHEUGENPRESTATITIES
Kennis is niet de enige basis voor presteren, motivatie telt ook mee. Motivatie leidt tot de drang om
efficiënter te werken.
SCRIPTS
Semantisch geheugen: groot taxonomisch georganiseerd geheugen groeit voort uit het episodisch
geheugen: geheugen van vele persoonlijke ervaringen.
Script: algemene herinnering van gebeurtenis en wanneer deze plaatsvindt.
9
Scripts ondersteunen het semantisch geheugen en sommigen geloven dat het de brug is tussen het
episodisch geheugen en semantisch.
AUTOBIOGRAFISCH GEHEUGEN
Een type episodisch geheugen waarbij representaties van eenmalige gebeurtenissen een lange
termijn effect hebben omdat hier een grote persoonlijke betekenis aan vastzit.
Praten over het verleden versterk relaties.
OOGGETUIGEN
Oudere kinderen blijken beter bestand tegen geheugenfouten. Ze weten beter waar hun informatie
vandaan komt, zijn bestand tegen inhibitie, en nog een reeks suggestieve factoren spelen mee (p
299).
Suggestiviteit: het onder druk verkrijgen van onjuiste antwoorden. Jonge kinderen zijn hier erg
gevoelig voor. Op lange termijn kunnen kinderen alleen persoonlijke, unieke gebeurtenissen
ophalen.
Interventies: er moet gebruik worden gemaakt van open vragen en een warme sfeer.
METACOGNITIE
Metacognitie: het op de hoogte zijn en begrijpen van verschillende aspecten van denken.
Schoolgaande kinderen beseffen dat concentreren en oefening bijdragen aan het uitvoeren van een
taak. Jongere kinderen beseffen dat veel minder en denken dat mentale processen stilstaan wanneer
geen duidelijke signalen zijn dat dit bezig is (zoals erover praten of concentreren).
Tegen zichzelf praten helpt bij het ontdekken van mentale capaciteiten.
COGNITIEVE ZELF-REGULATIE
Cognitieve zelfregulatie: continu proces van monitoren vooruitgang richting doel, uitkomsten en
fouten herstellen.
Cognitieve zelfregulatie is een sterke voorspeller van academisch succes. Uitleggen waarom ze iets
moeten doen bevordert prestaties.
APPLICATIES VAN INFORMATIEVERWERKING VOOR ACADEMISCH LEREN
LEZEN
Lezen is een veeleisende taak die verschillende informatieverwerkingsmethoden aanspreekt. Het
combineren van letters naar woorden en zinnen tot aan een algemene boodschap.
Opkomende geletterdheid: gedurende de vroege jeugd ontdekt het kind al vele aspecten van
geschreven symbolen.
10
Fonologische bewust: het kunnen reflecteren op en manipuleren van geluid van gesproken taal.
Gedurende het midden van de jeugd worden twee methodieken aangehouden voor het leren
schrijven/lezen:
-
Volledige taal aanpak: kind in aanraking laten komen met volledige teksten
Fonologische aanpak: eerst richten op vertalen geschreven symbolen naar geluid
De beste aanpak blijkt een combinatie van deze twee te zijn. Kinderen met weinig fonologisch inzicht
krijgen het niet goed onder de knie, en alleen maar fonologisch inzicht zorgt ervoor dat kinderen het
doel uit het oog raken: begrijpen van teksten.
WISKUNDE
Tussen 14 en 16 maanden krijger peuters inzicht in de rangen van grootte verschillen (2 < 3, 4 > 1).
Belangrijk is het zowel repeteren als begrijpen van wiskunde.
Chinese kinderen zijn vaak beter in wiskunde door korte en consistente woorden voor getallen. Zij
leren meer patronen en wiskunde ideeën en minder repetitie van opgaven.
WETENSCHAPPELIJK REDENEREN
Mettertijd accepteren kinderen meer bewijs tegen hun stellingen en wijzigen gemakkelijker hun
standpunt/theorie.
Belangrijk voor wetenschappelijk redeneren is een groot werkgeheugen waardoor een theorie met
meerdere variabelen kan worden vergeleken. Veel wetenschappers denken dat een uitgebreid
metacognitief begrip erg belangrijk is.
Om goed wetenschappelijk bezig te zijn dient men eerlijk te zijn tegenover zowel eigen voorkeuren
van theorieën en degene die de persoon niet gelooft.
EVALUATIE INFORMATIEVERWERKINGS AANPAK
Sterkste punt is het opbreken in de elementen van cognitieve processen. Tegelijk is dit ook een
zwaktepunt. Zie bijv. Neo-Piagets theorie waarbij oude stages worden gebruikt en ondersteund door
informatieverwerkingselementen.
11
HDST 8 INTELLIGENTIE
INTELLIGENTIE DEFINITIES
Al tijden wordt intelligentie gezien als een combinatie van meerdere factoren waarbij 3 veel worden
genoemd: verbale capaciteiten, praktisch problemen oplossen en communicatievaardigheden.
ALFRED BINET: HOLISTISCHE STANDPUNT
Alfred Binet maakte met Theodore Simon in 1905 de eerste intelligentietest. Het holistisch standpunt
beschouwt intelligentie als een geheel en niet als een som der delen.
FACTOR ANALYSE: EEN MULTI-FACET AANPAK
Factor analyse: zoeken naar bij elkaar horende items die goede voorspellers vormen voor andere
items.
General intelligence (algemene intelligentie), ofwel “g”: Charles Spearman ontdekte dat alle
testitems met elkaar correspondeerden met een onderliggende algemene intelligentie. De correlatie
was niet perfect en daardoor concludeerde Spearman dat zij ook specifieke intelligentie meten.
Spearman gaf meer waarde aan “g” en verlaagde specifieke intelligenties in zijn test. Hij testte de
abstracte redeneringcapaciteit. Na kritiek werden de specifieke intelligenties (subsets van “g”) wel
weer belangrijk gevonden.
Uitgekristalliseerde intelligentie: vaardigheden die afhangen van de opgebouwde kennis en
ervaring, beoordelingsvermogen en vaardigheid in sociale gebruiken. Uitgekristalliseerde intelligentie
hangen af van iemands cultuur.
Vloeibare intelligentie: hangen af van basale informatieverwerkingsprocessen. Relaties kunnen
ontdekken tussen stimuli. Vloeibare intelligentie hangt meer af van de capaciteiten van de hersenen.
Drielagen theorie van intelligentie: bovenste laag “g”, 2de laag brede vaardigheden (biologische
basisvaardigheden) en 3de laag smalle vaardigheden, gedrag die de 2de laag tot uiting laten komen.
RECENTE VOORUITING IN INTELLIGENTIE DEFINITIES
Component analyses: delen van intelligentie testen en het verbinden ervan met
informatieverwerkingstheorieën voor een algehele intelligentietest. Probleem hierbij is dat volledig
wordt uitgegaan van de mogelijkheden van het kind en culturele en omgevingsfactoren buiten
beschouwing worden gelaten.
Sternberg’s Triarchic Theory: Drie brede inter-acterende intelligenties:
-
Analytische intelligentie: informatieverwerkingscapaciteiten
Creatieve intelligentie: capaciteit om nieuwe problemen op te lossen
12
-
Praktische intelligentie: capaciteit om intellectuele kennis toe te passen in de praktijk.
Afhankelijk van culturele factoren moet een balans tussen deze drie intelligenties worden gevonden.
Gardner’s Theorie van meerdere intelligenties: intelligentie is een verzameling van unieke
informatieverwerkingsvaardigheden. Gardner stapt af van algemene intelligentie en geeft minstens 8
onafhankelijke intelligenties (taal, logisch-mathematisch, muziekaal, visueel, lichamelijke handigheid,
naturalist (kunnen indelen van planten e.d.), interpersoonlijk, intrapersoonlijk).
Gardner’s theorie komt overeen met de core knowledge theorie, er zijn aangeboren gebieden die
bepaalde vaardigheden/intelligentie bevatten.
INTELLIGENTIE METEN
Stanford-Binet intelligentieschaal, 5de editie: meet algemene intelligentie en 5 subdivisies: vloeibare
intelligentie, kwantitatief begrip, kennis, visuele/ruimtelijke verwerking en werkgeheugen. Wordt
gebruikt vanaf 2 jaar tot volwassenen.
Wechsler intelligentieschaal voor kinderen: gebruikt voor 6 tot 16 jarigen. Meet vier brede
intellectuele factoren: verbale redenering, perceptuele redenering, werkgeheugen en
verwerkingssnelheid.
Andere soorten intelligentietesten:
-
Aanleg testen (Aptitude tests): meten het talent voor een gespecialiseerde activiteit.
Prestatietesten: test daadwerkelijke kennis en vaardigheidsverwerving.
Intelligentietesten bij baby’s zijn veelal niet succesvol omdat de aandacht snel weg is. De meetschaal
voor baby’s heet de ontwikkelingsquotiënt (DQ) i.p.v. IQ.
Fagan test: probeert m.b.v. het meten van aandacht voor nieuwe situaties uitspraken te doen over
toekomstige ontwikkeling van een kind. Test kent een lage betrouwbaarheid.
DISTRIBUTIE IQ SCORES
IQ: geeft de afwijking aan ten opzichte van het gemiddelde in dezelfde leeftijdscategorie.
Standaardisatie: grote representatieve steekproef nemen voor het standaardiseren van een groep.
Normale verdeling: cluster rond het gemiddelde met een gelijke afvlakking zowel links als rechts van
het gemiddelde.
WAT VOORSPELLEN INTELLIGENTIETESTEN, EN HOE GOED?
STABILITEIT IQ SCORES
Uit lange termijn studies:
13
-
-
IQ scores van niet-schoolgaande kinderen zijn slechte voorspellers van later IQ. Dit heeft
vooral te maken met het soort vragen die niet-schoolgaande kinderen gevraagd worden
waaraan oudere kinderen meer gewend zijn.
Hoe dichter de IQ metingen van dezelfde proefpersoon na elkaar worden gehouden, hoe
beter ze zich met elkaar verhouden.
Op termijn kunnen IQ scores flink veranderen bij dezelfde persoon, van 10 tot 20 en zelfs meer IQ
punten. Het beeld hierin is consistent: het blijft dalen of blijft stijgen.
Omgevingsoplopende deficiëntie hypothese: vroegtijdige tekortkomingen leiden tot meer
tekortkomingen later (neerwaartse spiraal). Het IQ zal dus mettertijd dalen ten opzichte van het
gemiddelde.
IQ ALS VOORSPELLER ACADEMISCH SUCCES
IQ blijkt een goede voorspeller te zijn van academisch succes. Wetenschappers schrijven dit toe aan
“g” of aan culturele achtergronden.
IQ ALS VOORSPELLER VAN SUCCES IN WERK/ACADEMISCHE VAARDIGHEDEN
Uit onderzoek blijkt IQ een goede voorspeller te zijn van succes in werk. Deze is echter ver van
perfect: culturele, familieachtergronden, aanmoediging ouders e.d. spelen een belangrijke rol.
Praktische intelligentie: mentale capaciteiten die in de praktijk naar voren komen maar niet in test
situaties zijn een goede on-the-job voorspeller van intelligentie.
IQ ALS VOORSPELLER PSYCHOLOGISCH AANPASSINGSVERMOGEN
Kinderen met een hoger IQ blijken socialer gevonden te worden.
Veel psychologische factoren (depressies, angsten, sociale teruggetrokkenheid) blijken geen relatie
tot IQ te hebben.
ETNISCHE EN SOCIAAL-ECONOMISCHE VARIATIES IN IQ
Sociaaleconomische status (SES): combineert drie gerelateerde variabelen:
-
Jaren van scholing
Status van iemands werk en de benodigde vaardigheden
Inkomen
Tussen etnische groepen bestaan grote verschillen in IQ. Afro-amerikaanse kinderen scoren 12 tot 13
punten lager als blanke kinderen. Oorzaken hiervoor zijn grotendeels cultureel maar zijn
waarschijnlijk niet volledig verantwoordelijk (erfelijkheid).
Arthur Jensen deelt intelligentie op in (1) associatieve intelligentie (werkgeheugen,
verwerkingssnelheid) en (2) conceptuele vaardigheden (abstract denken, correleert sterk met “g”).
Jensen beweert dat de etnische verschillen veroorzaakt worden door conceptuele vaardigheden.
14
UITLEG INDIVIDUELE EN GROEPSVERSCHILLEN IN IQ
GENETISCHE INVLOEDEN
Verhouding tussen tweelingen die apart opgroeien is 0.76. Er bestaat een sterke correlatie tussen
genetische achtergrond en intelligentie.
In westerse geïndustrialiseerde landen ligt de verhouding genetisch/cultureel als invloeden op IQ
meestal op 50% maar getallen van 40 tot 80% worden ook genoemd.
Probleem bij genetische studies is dat de begrippen voor ‘zwarte amerikaan’, ‘afro-amerikaan’ en
‘blanke amerikaan’ discutabel zijn.
ADOPTIE STUDIES
Meten twee factoren:
-
Correlatie IQ biologische ouders met geadopteerde
Verandering in absolute IQ score als gevolg van opgroeien in een bevoorrechte familie
Conclusies: IQ stijgt sterk als geadopteerde in bevoorrechte familie opgroeit.
Bij Afro-amerikaanse kinderen blijkt IQ 20-30 punten hoger te liggen als zij geadopteerd zijn door een
relatief rijke, bevoorrechte, blanke familie.
CULTURELE BIAS IN IQ TESTEN
Afro-amerikaanse ouders met een lage SES blijken meer open vragen te stellen die geen echt goed
antwoord hebben dan blanke Amerikanen met een gemiddeld SES. Deze vragen lijken dus niet op
vragen zoals in een IQ test. Dergelijke testen zijn onwennig en verklaren mogelijk een deel van de IQ
verschillen.
Taal kan een probleem vormen voor culturele groepen doordat ze andere interpretaties hebben.
Stereotype dreiging: de angst beoordeeld te worden op een negatief stereotype beïnvloedt ook
testscores.
Om culturele bias te verminderen:
Dynamische beoordeling:gebaseerd op Vygotsky’s gebied van nabije ontwikkeling, de volwassene
introduceert zinnige stof in de testomgeving en kijkt wat het kind kan begrijpen m.b.v. sociale hulp.
Het gaat hier om:
-
De processen die in leren en ontwikkeling plaatsvinden (dus niet de producten)
Feedback
De volwassene - kind relatie
15
Momenteel blijkt dynamische beoordeling nog geen betere voorspeller te zijn dan traditionele
testen.
THUISOMGEVING EN MENTALE ONTWIKKELING
Gedeelde omgevings invloeden: de algemene atmosfeer in huis en daardoor de gelijke effecten op
kinderen in de omgeving. Gemeten door:
-
-
Observatie van de thuisomgeving (d.m.v. HOME: Home Observation for Measurement of the
Environment). Hieruit blijk dat stimulatie van ouderen een redelijke correlatie hebben met
IQ.
Familie geloof in intellectueel succes en studie prestaties. Deze blijken een belangrijke rol te
spelen in het IQ van een kind.
Niet-gedeelde omgevings invloeden: zorgen ervoor dat kinderen juist van elkaar gaan verschillen.
(verwachting van ouders zijn hoger bij een specifiek kind, omgevingsfactoren).
VROEGE INTERVENTIE E N INTELLECTUELE ONTWIKKELING
Project Head Start: grootste project in Amerika die niet-schoolgaande kinderen 1 of 2 jaar van
tevoren extra vaardigheden proberen te geven.
Uit onderzoek blijken dergelijke projecten effectief tot op latere leeftijd bij kinderen die uit lage SES
families komen.
Vroege interventie blijkt zeer kosten effectief vergeleken met de extra kosten bij speciaal onderwijs.
CREATIVITEIT EN TALENT
Creativiteit: het bedenken waar anderen niet aan gedacht hadden maar dat wel passend is.
PSYCHOMETRISCH PERSPECTIEF
Divergent denken: het bedenken van meerdere en ongebruikelijke mogelijkheden voor een taak of
probleem.
Convergent denken: het komen tot één juist antwoord (zoals in IQ testen).
MULTI-FACET PERSPECTIEF
Tegenwoordig populairder, o.a. door Robert Sternberg en Todd Lubart’s:
Investeren in creativiteits theorie: het aanpakken van een nieuw probleem leidt tot creatieve, hoog
gewaardeerde producten.
Tegen de populaire gedachte in is creativiteit niet aangeboren maar kan geleerd worden. De
componenten zijn:
16
-
-
Cognitieve vaardigheden: het vinden van een probleem, het definiëren ervan. Hier is
divergent denken voor nodig, evaluatie vermogen en kennis. Wetenschap kent hier de 10jaren regel: pas na 10 jaar in een vakgebied komt iemand tot echte creatieve oplossingen.
Persoonlijkheidskenmerken: innovatief denken, doorzettingsvermogen en tolerantie voor
dubbelzinnigheid, risico durven nemen en moed.
Motiverende middelen: motivatie voor creativiteit moet taakgeoriënteerde zijn i.p.v. doel
georiënteerd. Het gericht zijn op een doel gaat ten koste van creativiteit.
Omgevingsmiddelen: talentvolle kinderen zijn vaak geïsoleerd omdat ze niet aan de norm
voldoen en de eenzaamheid opzoeken om hun talent uit te oefenen. Wanneer talentvolle
kinderen niet genoeg uitgedaagd worden verliezen ze soms hun vaardigheden.
17
HDST 9 (P 356)
TAAL COMPONENTEN
Fonologie: regels over structuur en volgorde van taalklanken
Semantiek: vocabulaire, de regels omtrent onderliggende concepten uitgedrukt in woorden en
woordcombinaties.
Grammatica: (1) syntaxis, de volgorde van woorden en (2) morfologie, grammaticale toevoegsels die
geslacht, getal, actieve of passieve vorm, etc. aangeven.
Pragmatisch: regels voor het uitvoeren van effectieve en geschikte communicatie.
TAALONTWIKKELINGS THEORIEËN
BEHAVIOURIST PERSPECTIEF
Operand conditioneren: bij babbelspeech een positieve motivatie geven aan de baby.
Hoewel in vroege taalontwikkeling wel van belang is deze theorie weinig populair. Er zou teveel
versterking (beloning) van gedrag plaats moeten vinden wil deze theorie werken voor volwassenen.
NATIVISTISCH PERSPECTIEF
Taal zit voorgeprogrammeerd in het brein. Kinderen hebben een Taal acquisitie apparaat (LAD):
hiermee kunnen kinderen woorden samenstellen wanneer zij over genoeg vocabulaire beschikken.
Universele grammatica: in de LAD bevindt zich de universele grammatica die toepasbaar is op alle
menselijke talen.
Steun voor de nativisten komt uit uit het feit dat dieren taal kunnen leren (chimpansees hebben
honderden Engelse woorden onder de knie gekregen en kunnen niet eerder gehoorde zinnen
begrijpen) en er bestaat een taalgevoelige periode waarin een kind snel een (nieuwe) taal kan leren.
Deze periode komt voort uit groei van het gebied van Broca (zorgt voor grammatica en taal
productie) en het gebied van Wernicke (taal begrijpen).
Problemen bij de nativistische theorie is dat de algemene grammatica van Chomsky nog altijd niet
vastligt, het voldoet niet aan alle observaties in taalontwikkeling (grammatica wordt met de jaren
verfijnd en ligt dus niet vast) en is niet volledig (het legt niet uit hoe kinderen stellingen
samenvoegen tot spraak).
INTERACTIONISTISCH PERSPECTIEF
Nadruk op interacties tussen capaciteiten en omgevings invloeden.
Twee stromingen:
18
-
-
Informatieverwerkingstheorieën: d.m.v. neurale netwerken kan het leren van een taal
nagebootst worden. Er wordt een zeer algemene capaciteit gebruikt en geen
gespecialiseerde zoals bij nativisten.
Sociale interactie theorieën: de drive om anderen te begrijpen en begrepen te worden zorgt
ervoor dat kinderen leren.
VOORTIJDIGE ONTWIKKELING: KLAARSTOMEN OM EEN TAAL TE LEREN
TAAL ONTVANKELIJKHEID
Fonemen: de kleinste verschillen in klankgeluiden. Kunnen per taal verschillen.
Categorische spraak perceptie: het groeperen van op elkaar lijkende fonemen.
Tussen 6 en 8 maanden gaan kinderen fonemen categoriseren.
KIND GERICHTE SPRAAK
Child-directed speech (CDS): korte zinnen met hoge tonen, overdreven expressies, duidelijke
uitspraak en pauzes.
CDS wordt gebruikt door ouders om de aandacht van kinderen te houden.
EERSTE GELUIDEN
Cooing: vanaf 2 maanden maken baby’s klinkerachtige uitspraken.
Babbling: vanaf 6 maanden produceren baby’s medeklinker-klinker combinaties in lange woorden
(nananana).
Als dove kinderen niet voor hun 4de d.m.v. implantaten geluid kunnen horen zullen zij grote en
onherstelbare achterstand oplopen in hun spraak.
GAAN COMMUNICEREN
Gezamenlijke aandacht: de baby en ouder volgen elkaars blik, de ouder becommentarieerd op het
voorwerp.
Baby gaat na 1ste verjaardag aandacht trekken d.m.v.:
-
Protodeclaratief: de baby wijst, pakt vast of houdt omhoog datgene waar de aandacht op
moet worden gevestigd.
Protoimperatief: de baby probeert iets vast te pakken, wijst en maakt geluiden tegelijkertijd
om de ander iets te laten doen.
Vanaf het 2de levensjaar is ouderlijke bijdrage aan taalontwikkeling erg belangrijk.
19
FONOLOGISCHE ONTWIKKELING
VROEGE FASE
Meest gebruikte eerste woorden zijn herhalingen van zinsdelen of woorden: mama, papa, dada,
nigh-nigh, choo-choo (train).
Peuters blijken gevoelig te zijn voor het verkeerd uitspreken van een onbekend woord.
OPKOMEN VAN FONOLOGISCHE STRATEGIEËN
Vanaf 1.5 jaar beginnen peuters lettergrepen en woorden uit te spreken. Eerst zal de peuter zich
concentreren op de beklemtoonde lettergrepen.
LATERE FONOLOGISCHE ONTWIKKELING
Fonologische ontwikkeling is klaar in het 5de levensjaar. Subtiele verschillen echter kunnen tot het
midden van de jeugd of zelfs adolescentie uitblijven.
SEMANTISCHE ONTWIKKELING
Jonge kinderen leren zo’n 5 nieuwe woorden per dag. Hun begrip van taal loopt voor op hun
taalproductie.
Fast-mapping: kinderen verbinden woorden met een onderliggend concept na slechts een korte
ervaring met het nieuwe woord.
Referentie stijl: peuters gebruiken vooral woorden die naar een object refereren.
Expressieve stijl: sommige peuters gebruiken vooral sociale formules en voornaamwoorden
(“bedankt”, “klaar”, “ik wil dit”).
Welke stijl gebruikt wordt hangt erg af van de cultuur. Referentie stijl wordt meer gebruikt door
Engelstalige kinderen dan bijv. Aziatische, Japanse en Koreaanse kinderen.
Typen woorden:
-
Object en actie woorden: actie woorden (bewegen, doen, e.d.) komen pas na
objectwoorden.
Bijvoeglijke naamwoorden: tussen 2 en 2.5 jaar komen deze. Bijv. iets over de kleur, grootte,
e.d.
Onderextensie: het gebruik van een woord voor één object waar het eigenlijk een categoriewoord
betreft (bijv ‘beer’ alleen gebruiken voor een knuffel maar niet voor echte beren).
Overextensie: het gebruiken van een woord voor teveel objecten (auto gebruiken voor bussen,
vrachtwagens e.d.).
20
LATERE SEMANTISCHE ONTWIKKELING
Vanaf begin tot het einde van de basischool groeit vocabulaire tot 40.000 woorden. Vooral lezen
draagt bij aan het snel oppikken van nieuwe woorden. Kinderen leren gedurende deze periode zo’n
20 woorden per dag.
HOE SEMANTISCHE ONTWIKKELING PLAATSVINDT
Het fast-mapping wordt ondersteund door een fonologisch ingericht deel van het werkgeheugen.
Woordstrategieën: kinderen geven aan een nieuw woord een betekenis dat een ‘gat’ vormt in hun
reeks bekende woorden.
Wederzijdse uitzonderings bias: aanname dat woorden refereren naar volledige nieuwe (nietoverlappende) categorieën.
Vorm bias: na het leren van ong. 75 woorden krijgt de peuter een voorkeur voor het leren van
woorden op basis van vorm, waarna het aantal geleerde woorden per dag stijgt.
Syntactic bootstrapping: kinderen leren woorden door de manier waarop ze gebruikt worden in
syntax of de structuur in zinnen.
GRAMATICALE ONTWIKKELING
EERSTE WOORD COMBINATIES
Telegraafstijl spraak: het samen gebruiken van de belangrijkste woorden. Treed op bij ongeveer een
vocabulaire van 200 woorden (rond 1.5-2.5 jaar). Door gebrek aan werkgeheugen zijn langere
combinaties niet mogelijk.
Waarschijnlijk begrijpen peuters onderwerp-werkwoord en werkwoord-object relaties niet.
VAN SIMPELE ZINNEN TOT COMPLEXE GRAMATICA
Vanaf 2.5 tot 3 jaar beginnen kinderen bijvoeglijke voornaamwoorden, werkwoorden, zelfstandige
naamwoorden e.d. te gebruiken.
Vanaf 3.5 tot 4 jaar kunnen kinderen onderwerp-werkwoord-voorwerp combinaties op een juiste
manier toepassen.
Grammatische morfemen: zodra kinderen 3-woords zinnen kunnen produceren gaan zij ook de
kleinst mogelijke eenheden van spraak (= een morfeem) begrijpen. Bijvoorbeeld “John’s dog”.
Overregulering: zodra kinderen een morfeemlogische regel gaan toepassen willen zij deze overal op
toepassen.
21
ONTWIKKELING VAN COMPLEXE GRAMATICALE VORMEN
Ontkenningen worden geleerd in de volgende volgorde:
-
Bestaat niet
Afwijzing
Ontkenning
Vragen worden vlak voordat kinderen naar schoolgaan voor het eerst gesteld. In het stellen van
vragen zijn fouten frequent.
LATERE GRAMMATICALE ONTWIKKELING
Gedurende midden jeugd en begin puberjaren beginnen kinderen meer de passieve vorm te
gebruiken en afgekorte passieve zinnen. Ten dele is dit alles cultureel bepaald, bijv. Inuit kinderen
leren veel eerder volledige zinnen in passieve vorm te gebruiken omdat dit bij hen meer voorkomt in
het dagelijks taalgebruik.
HOE GRAMMATICALE ONTWIKKELING PLAATSVINDT
Semantic bootstrapping: kinderen gebruiken woord betekenissen om een zinsstructuur te
ontcijferen.
Sommige theorie wetenschappers denken dat door het analyseren van taal (bepalen van locatie van
woorden) zij de grammatica oppikken.
Ouders onderwijzen, het bleek dat zij tweederde van de fouten van kinderen herstellen d.m.v.:
-
Herstructurering: het herstructureren van spraak in correcte vorm.
Uitbreidingen: uitweiden op de spraak van het kind, de complexiteit uitbreiden.
PRAGMATISCHE ONTWIKKELING
Het leren van taal in sociale context.
LEREN VAN CONVERSATIE VAARDIGHEDEN
Jonge kinderen maken al oogcontact. Hier komen bij:
-
Turnabout: spreker becommentarieerd niet alleen maar zorgt er ook voor dat de ander weer
reageert.
Shading: veranderen van onderwerp door de focus van het gesprek te veranderen.
Illoctionary intent: wat een spreker bedoelt te zeggen, zelfs als zijn uitspraak hier niet goed
mee overeenkomt.
Vanaf het 3de jaar begrijpen kinderen enkele vormen van illoctionary intent, bijv “Ik heb een pen
nodig” waarmee bedoelt wordt dat iemand een pen aan je vraagt.
22
DUIDELIJK COMMUNICEREN
Refererende communicatieve vaardigheden: weten wanneer we een boodschap niet begrijpen en
om aanvullende informatie vragen.
VERHALENDE CONVERSATIE
Vanaf 4.5 – 5 jaar beginnen kinderen chronologische verhalend te vertellen. Ze bouwen op naar een
‘hoogtepunt’. Verhalende conversatie is sterk cultureel bepaald.
Spraak registers: aanpassingen op taal naar sociale verwachtingen. Bijv. bij spel gebruiken ze meer
commanderende harde taal voor mannelijke rollen en zachtere vriendelijkere taal voor vrouwelijke
rollen.
ONTWIKKELING METALINGUÏSTISCHE BEWUSTZIJN
Metalinguïstisch bewustzijn: de vaardigheid te denken over een taal als systeem.
Op 5 jarige leeftijd begrijpt een kind wat een woord is. Pas in het midden van de jeugd ontwikkeld
het begrip van taal sterk.
TWEETALIGHEID
Twee manieren om een 2de taal te leren:
-
Allebei tegelijk
Eerst de moedertaal, dan de ander
Tweetaligheid levert geen problemen op bij taalontwikkeling van kinderen. Vanaf het begin kunnen
ze de talen van elkaar onderscheiden.
Code switching: het gebruiken van woorden uit de ene taal in de andere.
Het blijkt dat kinderen die tweetalig opgevoed zijn in cognitieve ontwikkeling vooruit lopen.
23
HDST 10 (P 398)
FUNCTIES VAN EMOTIES
Emotie: snelle persoonlijke afweging van de significantie van een gebeurtenis in voorbereiding van
een reactie.
Functionalistisch standpunt: benadrukken de brede functie van emotie voor het activeren van
gedrag gericht op het behalen van persoonlijke doelen.
Hoge en lage angst kunnen leren vertragen maar gematigde angst faciliteert.
Emoties beïnvloeden sociaal gedrag, kinderen kennen een grote hoeveelheid emoties en analyseren
andermans emoties en spelen hierop in.
Stress blijkt een grote impact te hebben op de fysieke gezondheid van jong en oud.
Kinderen die vroeger veel van het groeihormoon cortisol aanmaakten (als gevolg van stress) bleken
soms extreem weinig cortisol aan te maken –lichaam reageert op oude niveaus- en hierdoor zijn zij
relatief kleiner.
Zelfwerkzaamheid: het zelf kunnen beïnvloeden van gebeurtenissen in de omgeving (deel van
functionalistische blik).
Emotionele zelfregulatie: het controleren van motorisch, cognitief en sociaal gedrag.
ONTWIKKELING EMOTIONELE EXPRESSIE
Basis emoties: zijn universeel in mensen en andere primaten. Baby’s kennen alleen aantrekkelijk en
niet-aantrekkelijk.
Sociale lach: vanaf 6-10 weken geeft communicatie met ouders een brede glimlach.
Boosheid en verdriet ontwikkelen zich na 4-6 maanden, de baby leert zelf in controle te zijn en als
doelstellingen niet behaald worden uit zich dit in boosheid en verdriet. Verdriet komt minder voor
dan boosheid.
Vreemdelingenangst: angst voor nieuwe personen.
Angsten gaan opspelen na ongeveer 4-6 maand.
Veiligheidsbasis: vanuit de ouder wordt de wereld verkend.
Zelfbewustzijnemoties: een hogere orde van emoties die mensen in staat stellen een beter of
slechter besef van zichzelf te bewerkstelligen (vb. schaamte, schuldgevoel, jaloezie en trots).
Ontstaan aan het eind van 2de levensjaar zodra de peuter zelfbewust wordt. Dergelijke emoties
worden voor een belangrijk deel gestuurd door instructies van ouderen (wanneer schuldig voelen).
24
EMOTIONELE ZELF-REGULATIE
Emotionele zelfregulatie: gebruik van strategieën voor het aanpassen van de intensiteit en duur van
emotionele reacties om een doel te bereiken.
Emotionele zelfregulatie passen baby’s in de eerste maanden nog nauwelijks toe, ze zijn voor een
groot deel afhankelijk van het troosten door anderen.
Het best is om stressvolle gebeurtenissen snel op te pikken en de baby te troosten, dit vereenvoudigt
later ook het troosten.
Zodra kinderen naar school gaan neemt emotionele zelfregulatie snel toe. Rond het 10de levensjaar
twee methoden:
-
Probleem georiënteerde aanpak: ze schatten de situatie in als veranderlijk, identificeerbaar
en moeilijk.
Emotioneel georiënteerde aanpak: interne, privé controle waar weinig gedaan wordt aan de
uitkomst.
EMOTIE UITINGS REGELS
Elke samenleving kent regels voor het uiten van iemands emoties. Het uiten van boosheid, verdriet
en afwijzing wordt vaak onderdrukt en positieve emoties benadrukt vanuit de samenleving.
BEGRIJPEN EN REAGEREN OP EMOTIES VAN ANDEREN
Sociaal refereren: het inschatten van een situatie laten afhangen van een ander. Vanaf 8 tot 10
maanden.
Vanaf 4-5 jaar kunnen kinderen een situatie naar een juist oordeel inschatten (“hij huilt omdat hij
niet bij zijn fietsje kan”).
Hoe meer ouders emoties uitleggen hoe beter kinderen deze begrijpen en mee kunnen omgaan.
EMPATHIE EN SYMPATHIE
Empathie: complexe interactie van cognitie en gevolg, het kunnen detecteren van verschillende
emoties en iemand anders zijn gedachten aanvoelen.
Empathie is een belangrijke veroorzaker van prosociaal altruïstisch (tegenovergestelde van egoïsme)
gedrag.
Sympathie: zorgen of verdriet voor de situatie van iemand anders.
Vanaf 2 jaar begint empathie op te treden doordat peuters beseffen dat ze een zelfbewustzijn
hebben.
25
Karakter maakt veel uit in bepalen van sympathisch en empathisch begrip, agressiviteit verminderd
de kans dat iemand een ander perspectief kan overnemen.
TEMPERAMENT EN ONTWIKKELING
Temperament: stabiele individuele verschillen in reactie en zelfregulatie.
TEMPERAMENT PATRONEN
-
Makkelijk kind (40%): over het algemeen vrolijk, past zich makkelijk aan aan nieuwe
omstandigheden.
Moeilijk kind (10%): onregelmatige dagelijkse routines, langzaam met accepteren nieuwe
ervaringen.
Langzaam-tot-warm-worden kind (15%): inactief, weinig reactie op stimuli, negatief.
De overige 35% vertoonde mengelingen van deze drie groepen.
Controle temperament: het zelfreguleren van temperament, het vrijwillig onderdrukken van
dominant gedrag om een meer lange termijn plan tot uitvoering te brengen.
METEN TEMPERAMENT
Geremde, verlegen kinderen: reageren negatief op nieuwe stimuli.
Ongeremde, sociale kinderen: positieve emoties voor nieuwe stimuli.
STABILITEIT TEMPERAM ENT
Uit studies blijkt dat temperament bij de meesten mettertijd veranderd.
Na het 3de levensjaar is het pas zinnig temperament te meten omdat emoties, aandacht en acties dan
beter ontwikkeld zijn.
GENETISCHE EN OMGEVINGSFACTOREN
Genetische factoren lijken meer verantwoordelijk voor negatieve emoties dan positieve.
Culturele verschillen zijn duidelijk te zien tussen blanke en Aziatische baby’s. Blanke huilen meer, zijn
actiever en moeilijk te troosten. Aziatische baby’s blijven dichter bij de ouders, banger voor vreemde
ervaringen, rustiger en huilen minder.
Ouders zien identieke tweelingen als veel verschillender dan onderzoekers en acteren hier ook naar.
Het temperament van een kind blijkt een goede voorspeller van cognitief en sociaal functioneren.
Goodness-of-fit model: legt uit hoe temperament en omgeving samenwerking en positieve
uitkomsten voortbrengen. Agressieve kinderen wekken juist de reacties op die zij het minst nodig
hebben, vooral in lage SES families.
26
Ook veranderd wenselijk gedrag binnen culturen, zo word nu in opkomend China verlegenheid
minder gewaardeerd als vroeger. Verlegenheid brengt in de moderne maatschappij geen succes en
wordt dus niet langer gepromoot.
ONTWIKKELING VAN HECHTING
Hechting: sterke affectionele band met speciale personen in iemands leven.
Vanaf 6 maanden raken baby’s gebonden aan ouders doordat zij voorzien in hun behoeften.
Voedsel blijkt niet een noodzakelijkheid voor het vormen van een band.
BOWLBY’S ETHOLOGISCHE THEORIE
Ethologische theorie van hechting: het vormen van banden is een evolutionair gevolg om te kunnen
overleven.
1. Voorhechtingsfase: van geboorte tot 6 weken. Herkenning is aanwezig maar vinden het niet
erg als ze bij een ander alleen gelaten worden.
2. Vormen van banden: 6 weken tot 6-8 maand: baby reageert anders op ouder dan op
vreemdelingen.
3. Duidelijke hechtingsfase: 6-8 tot 18-24 maanden, baby’s vertonen scheidingsangsten, raken
van streek wanneer een ouder waar ze sterke band mee hebben hun verlaat.
4. Vormen van wederkerige band: na 2 jaar begint, door het gebruik van taal, begrip te ontstaan
voor het verlaten van de ouder. Scheidingsangsten verminderen.
Volgens Bowlby ontwikkelen kinderen in deze 2 jaren een model waarop ze weten wanneer een
ouder beschikbaar is en wanneer niet.
METEN RELATIONELE BANDEN
Strange situation: het kind hoort zich anders te gedragen in een vreemde kamer met de ouder dan
wanneer een vreemde binnenkomt en de ouder de kamer verlaat. Resultaten:
-
Veilige band: kind gebruikt ouder als veiligheidshaven. Kunnen huilen als de ouder de kamer
verlaat.
Geen band: kind lijkt niet te reageren op het verlaten van de ouder. Reageren op de
vreemdeling ongeveer gelijk als op de ouder.
Stevige band: kind blijft bij ouder, gaat niet verkennen. Als ouder terugkomt zijn ze boos.
Ongeorganiseerde/verwarde band: grootste onveiligheidsgevoel, kind wijst ouder af bij
terugkomst.
Q-sort band test: een getrainde observeerder sorteert 90 gedragingen van een kind in de
thuissituatie.
RELATIE STABILITEIT
Onderzoek verschilt sterk in hoeverre banden stabiel blijven over de jaren.
27
Kwaliteit van hechting is relatief stabiel voor midden SES baby’s.
28
CULTURELE VARIATIES
Omdat Duitse kinderen onafhankelijkheid wordt aangeleerd vertonen deze meer vermijdend gedrag
dan Amerikaanse kinderen. Japanse kinderen laten zelden vermijdend gedrag zien.
FACTOREN IN VORMEN HECHTHEID
Vier factoren:
-
-
Mogelijkheid tot het vormen van een band. Kinderen zonder mogelijkheden worden lichter,
huilen meer en raken depressief.
Kwaliteit van zorg. Ouders die kinderen onhandig vastpakken, zelf onzeker zijn en zich
routinematig gedragen zorgen voor negatieve, afwijzende houding van baby’s. Onjuiste zorg
is een goede voorspeller van de sterkte van de band tussen ouder en kind.
Karakter kind. Een ongeorganiseerd, negatief reagerend kind wekt verkeerde houding op van
ouder wat uiteindelijk tot een slechtere band tussen ouder en kind leidt.
Familie omstandigheden. Familie omstandigheden beïnvloeden de sfeer in huis en daarmee
de band die gevormd wordt tussen ouder en kind.
Ouderlijke beoordeling van relaties: ouders die oude banden belangrijk vinden hebben beter
banden met hun baby’s dan ouders die deze banden minder belangrijk vinden.
MEERDERE OUDERLIJKE BANDEN: VADER ALS SPECIALE ROL
Vanaf het 2de jaar neemt de wens opgevrolijkt te worden door de moeder af bij het kind.
Vaders kennen een meer actieve, avontuurlijke speelstijl dan moeders die meer praten en de baby
voorzien van speeltjes.
De ouderlijke rolmodellen van moeder als verzorger en vader als speelmaatje verdwijnen vrij snel.
HECHTING EN LATERE O NTWIKKELING
Baby’s met een sterke band worden in lange termijn studies door leraren beschouwt als kinderen
met hoger zelfvertrouwen, sociale competentie en empathie dan andere baby’s.
Hierbij lijkt consistentie in de manier van opvoeden/reageren door de ouder erg van belang.
HECHTING, OUDERLIJKE BANEN EN ZORG
Doordat moeders massaal zijn gaan werken is de hechting van baby en ouder een zorg geworden.
Vooral in landen zonder door de staat gesubsidieerde kinderopvang. De grootte van groepen per
verzorgen zijn van belang in de ontwikkeling van het kind.
Ouders weten vaak goede kinderopvang niet te herkennen.
29
HDST 11 (P 442)
OPKOMST VAN HET ZELF-CONCEPT
Vanaf geboorte merken baby’s dat ze fysiek anders zijn (een ouderlijke hand geeft een andere reactie
dan de eigen hand). Over de eerste maanden leren ze dat hun eigen blikveld anders is dan iemand
anders zijn blikveld.
Rond het 2de jaar is zelfherkenning ontwikkeld. Ze wijzen naar zichzelf in foto’s.
Gevoelige zorg bevordert de ontwikkeling van zelfherkenning.
Zelfbewustzijn leidt ook tot de drang om anderen te begrijpen.
CATEGORISCH ZELFBEWUSTZIJN
Categorisch zelfbewustzijn: vanaf 18-30 maanden gaan baby’s zich indelen op basis van leeftijd, sex
en fysieke karakteristieken en zelfs enkele morele waarden (goed/slecht).
Geheugen van zichzelf: door het autobiografisch geheugen hebben kinderen een samenhangend
beeld van henzelf.
Blijvende zelf: een beeld dat zijzelf blijven bestaan over tijd is pas aanwezig vanaf het 4de levensjaar
(een filmpje van henzelf van vroeger wordt nu ook herkend als ‘zijzelf’).
INNERLIJKHEID
Vanaf 2 jaar beseffen kinderen dat hun gedachten privé zijn.
Geest gedreven door wensen theorie: kinderen geloven rond 2.5 jaar dat mensen reageren
consistent met hun wensen en begrijpen niet dat andere mentale toestanden, zoals overtuigingen,
ook gedrag beïnvloeden.
Geest gedreven door wensen en overtuigingen theorie: vanaf 4 jaar incorporeren kinderen ook
overtuigingen in iemands gedrag.
False beliefs: overtuigingen die niet de werkelijkheid representeren. Bijv: kind heeft 2 pakjes, waarop
één met M&M’s. Kind moet M&M’s pakken en grijpt naar het M&M’s zakje. Ze blijken in het andere
zakje te zitten. Onderzoeker introduceert een pop en vraagt kind waar de pop naar M&M’s zal gaan
zoeken. 4 jarigen zijn pas in staat aan te geven dat de pop waarschijnlijk in het M&M’s zakje zal
zoeken. Daarvoor wijzen zij naar het zakje waar zijzelf de M&M’s in vonden.
Kinderen die false beliefs doorhebben (ook van de 2de orde, pas in 7de levensjaar) zijn betere
ooggetuigen.
Kinderen ontwikkelen een theory of mind door:
-
Taal, het gebruik van woorden over mentale toestanden draagt bij aan beter begrip.
30
-
Cognitieve vaardigheden, het tegen kunnen houden van ongepaste reacties, flexibel denken
en kunnen plannen.
Hechtingsband en materiële Mind-mindedness: ouders geven ook als de kinderen naar
school gaan advies over iemand anders zijn gedachten.
Imaginatie spelen: doordat kinderen rollen aannemen verplaatsen ze zich in anderen.
Sociale interactie, kinderen met broertjes of zusjes blijken beter ideeën te hebben over false
beliefs.
ZELF-CONCEPT
Zelfconcept: de attributen, vaardigheden, houdingen en waarden die iemand definiëren.
Rond 3-5 jaar beschrijven kinderen zich in observeerbare kenmerken (wat ze aan hebben, hoe oud ze
zijn, naam, fysiek uiterlijk).
Rond 8-11 jaar grote verandering en gaan ze ook gedachten incorporeren, hun vaardigheden en
houding. Deze veranderingen komen waarschijnlijk voort uit de vele sociale vergelijkingen die
kinderen maken op school.
Aan het begin van adolescentie beginnen ze een breder palet aan kenmerken te noemen. Ze geven
aan dat hun kenmerken veranderen afhankelijk bij wie ze zijn.
COGNITIEVE, SOCIALE EN CULTURELE INVLOED EN OP ZELF-CONCEPT
Gegeneraliseerde andere: De inhoud van iemand is een product van wat andere invloedrijke mensen
over ons denken.
Hoe we over ons denken verschilt sterk per cultuur. Westerse culturen zijn individualistische en
egoïstisch, collectivistische culturen zijn meer bezorgd om anderen.
Fysiek uiterlijk lijkt sterk gecorreleerd met iemands zelfvertrouwen. Grofweg wordt zelfvertrouwen
opgebouwd uit: (1) academische vaardigheden, (2) sociale competentie, (3) fysieke/atletische
competentie en (4) fysiek uiterlijk, waarbij (4) het meest bepalend is.
Gedurende de eerste schooljaren passen kinderen hun zelfvertrouwen aan aan een meer realistisch
niveau door sociale vergelijkingen.
Zelfvertrouwen wordt mede cultureel bepaald. Aziatische kinderen kennen een grotere
competitiedrang op school en hebben hierdoor gemiddeld een lager zelfvertrouwen.
Uit onderzoeken blijkt zelfvertrouwen tussen meisjes en jongens ongeveer gelijk, ondanks het brede
geloof dat dit bij meisjes lager is gedurende adolescentie. De verdelingen van zelfvertrouwen (welk
kenmerken/subgebieden) zijn wel verschillend.
Een te laag of te hoge invloed van ouders beïnvloeden zelfvertrouwen. Teveel zelfvertrouwen kan
ook een probleem vormen, hierdoor worden kinderen agressiever en onderschatten problemen.
31
PRESTATIE-GERELATEERDE ATTRIBUTEN
Attributen: onze dagelijkse verklaringen voor de oorzaken van ons gedrag.
Prestatiemotivatie: de belangrijkste motivatie voor het al dan niet aanpakken van een serieus
probleem. Zorgt voor initiatief.
Rond 3de levensjaar gaan kinderen hun successen en falen verklaren maar wel op een globaal niveau.
Positieve motivatie van ouders stimuleren doorzettingsvermogen en initiatief.
Meester-georiënteerde attributie: succes toeschrijven aan vaardigheid (wordt verbeterd d.m.v.
oefening).
Oplopend vaardigheidsperspectief: vaardigheid kan verbeteren door er moeite in te steken, falen
wordt toegeschreven door veranderlijke of controleerbare zaken.
Aangeleerde hulpeloosheid: falen en niet hun succes toeschrijven aan vaardigheid. Ze zien externe
oorzaken, zoals geluk, als oorzaak. Een entiteitsdenken van vaardigheid: het kan niet veranderd
worden.
Leerlingen die leraren zien als positieve, helpende personen werkten harder in de klas. Niet-helpende
leraren zorgen ervoor dat leerlingen alleen gestuurd worden door externe factoren.
Attributie training: kinderen met aangeleerde hulpeloosheid worden geleerd dat zij hun falen
kunnen overwinnen door meer oefening.
CONSTRUEREN VAN IDENTITEIT: WIE GA IK WORDEN?
Identiteit: definiëren wie je bent, wat je waarde is en welke richting je op wilt gaan is een zeer
belangrijke stap in iemands jeugd.
Identiteitscrisis: gedurende adolescentie raakt de jeugd in paniek vanwege de grote hoeveelheid
mogelijkheden. Tegenwoordig is de term ‘crisis’ hier minder populair voor geworden. Het is meer
een verkenning gevolgd door toewijding.
PADEN NAAR IDENTITEIT
Identiteit prestatie: hebben alternatieven verkend en zijn toegewijd aan zelfgekozen doelen.
Identiteit vertraging: nog geen definitieve keuze.
Identiteit uitsluiting: toewijding zonder verkenning.
Identiteit onduidelijkheid: apathische status zonder verkenning en toewijding.
De eerste twee vormen gezonde routes naar identiteit en zijn voor de persoon het meest
bevredigend. Mensen die vastzitten in de onderste twee nemen op een bepaald moment een
32
onkritisch houding aan en nemen waarden van anderen over (gaan in cults of extreme
groeperingen).
33
INVLOEDEN IDENTITEIT SONTWIKKELING
-
Persoonlijkheid, iemand die gelooft in absolute waarheden bevindt zich meestal in
“identiteits uitsluiting”.
Familie, kinderen die familie als veilige thuishaven zien en hun eigen mening kunnen geven
bevinden zich in betere identiteits stages.
Leeftijdsgenoten, functioneren vaak zoals een familie door emotionele hulp te bieden.
School, gemeenschap en cultuur, door te discussiëren en verder te denken.
DENKEN OVER ANDEREN
PERSOONLIJKE PERCEPTIE
Persoonlijke perceptie: het opmeten van iemand anders waarmee de ondervraagde bekend is.
Vanaf 8ste levensjaar gaan mensen iemands karakteristieken benoemen (ze merken consistentie in de
gedragingen van anderen).
Raciale verschillen worden mogelijk vooral door media en eigen ervaringen ontwikkeld in plaats van
overgenomen van ouders of leeftijdsgenoten.
Groepsbeoordeling (ras) ontwikkeld zich vanaf 5/6de levensjaar, het eigen ras wordt positiever
ervaren. Dit gaat niet op voor etnische minderheden, voor hen is het tegenovergestelde waar.
Uit onderzoek blijkt dat mensen vaak ongewild handelen naar stereotypen.
Mensen met vooroordelen kenmerken zich door:
-
Geloof dat karakteristieken vaststaan i.p.v. individueel uniek zijn
Zeer groot zelfvertrouwen, andere groepen worden minder goede capaciteiten toebedeeld
Sociale wereld waarin personen in groepen worden verdeeld, hoe meer volwassenen
verschillen tussen groepen aanwijzen hoe groter de vooroordelen
Het verminderen van vooroordelen is mogelijk door het bij elkaar plaatsen van de verschillende
groepen.
Geïntegreerde scholen leiden tot hogere prestaties van studenten.
PERSPECTIEF OVERNEMEN
Perspectief overnemen: de capaciteit om in te beelden wat andere mensen denken en voelen.
Selman’s stages van perspectief:
-
Ongedifferentieerd perspectief overnemen: 3-6 jaar, kinderen beseffen verschillen maar
verwarren ze vaak.
Sociaalinformatief perspectief: 4-9 jaar, kinderen begrijpen verschillen perspectieven omdat
anderen andere informatie tot zich nemen.
34
-
-
Zelfreflectief perspectief: 7-12 jaar, kinderen kunnen in iemand anders zijn schoenen gaan
staan. Begrijpen andermans perspectieven.
Derde partij perspectief:10-15 jaar, kinderen kunnen buiten een tweepersoons situatie
stappen en inbeelden hoe zij beschouwd kunnen worden door een derde, onafhankelijke,
partij.
Sociaal perspectief: 14-volwasenen, begrijpen dat mensen beïnvloed worden door grotere
culturele invloeden.
Recursieve gedachtegang: het kunnen uitleggen van iemand die aan iemand anders denkt, die weer
aan iemand anders denkt, etc.
Het begrijpen van anderen leidt nog niet direct tot prosociaal gedrag, hierbij spelen emotie en
zelfbeheersing een belangrijke rol.
DENKEN OVER RELATIES TUSSEN MENSEN: BEGRIJPEN VAN CONFLICTEN
Sociale problemen oplossen: het genereren en toepassen van strategieën die onenigheid voorkomen
of oplossen waardoor uitkomsten ontstaan die bevredigend zijn voor alle betrokkenen.
Kinderen van 5-7 jaar gebruiken strategieën om conflicten op te lossen zonder dat hiervoor ouderen
nodig zijn.
Hulp van leraren en ouders bij het oplossen van conflicten lijkt te helpen.
35
HDST 12 (P 480)
MORALITEIT BIJ MENSE N
Moraliteiten komen bij dieren veelvuldig voor (apen, bijen, tot zelfs mieren). Hier wordt moeite
uitgeoefend voor een ander, vaak in de hoop dat anderen jou ook zo behandelen in te de toekomst.
Uit onderzoek lijken baby’s een ingebouwd empathie systeem te hebben (huilen als een andere baby
huilt). Spiegelneuronen lijken hierbij betrokken.
MORALITEIT ALS ADOPTIE VAN SOCIALE NORMEN
Internationalisatie: overnemen sociale standaarden als de voor jou juiste acties
PSYCHOANALYTISCHE THEORIE
In Freud’s standpunt is morele ontwikkeling klaar rond de 5/6delevensjaar. Tegenwoordig worden
zijn theorieën nog maar weinig aangehangen.
Inductie: een ouder helpt een kind iemand anders zijn gevoelens te begrijpen door de gevolgen van
iemands gedrag duidelijk te maken.
Inductie kan helpen door:
-
Informatie geven over hoe te gedragen in de toekomst
Benadrukken hoe de acties van het kind gevolgen hebben voor anderen
Geeft kind redenen voor het veranderen van gedrag waardoor het kind de standaarden
logisch vindt
Kind gaat opzien tegen het de les worden gelezen door ouderen als zij zich misdragen – en
hierdoor beter gedrag vertonen
Bange kinderen kunnen best de les worden gelezen door alleen het geven van suggesties, dit werkt
goed genoeg.
Brutale kinderen moet eerst een band geschapen worden waarna de ouder pas invloed kan
uitoefenen.
Empathiegebaseerde schuldgevoelens zijn voor een belangrijk deel verantwoordelijk voor de
vorming van moraliteiten.
SOCIAAL LEREN THEORIE
Het imiteren van ouders is volgens wetenschappers een belangrijke bron van morele ontwikkeling.
Het imiteren van goed gedrag wordt gestimuleerd door:
-
Warmte en response
36
-
Competentie en kracht
Consistentie tussen verklaring en actie (moeten overeenstemmen)
Harde straffen zijn ineffectieve methoden tot verbetering van gedrag.
-
Fysiek straffen vanwege ruziemaken is precies datgene doen wat je ze wilt afleren
Hard aangepakte kinderen reageren met boosheid, afkeuring en een chronisch gevoel van in
gevaar zijn
Kinderen die snel veel gestraft worden zullen de straffende oudere gaan vermijden
Het hard straffen van een kind geeft weliswaar snel resultaat maar zal hetzelfde later ook
oproepen bij de ouder
Kinderen die fysieke straffen ondergaan zullen dat later zelf ook sneller doen
In Amerika en Canada komen lijfstraffen nog op grote schaal voor.
Timeout: het sturen van een kind naar bijv. zijn kamer als straf
Straffen helpt met name als dit: (1) consistent gebeurt, (2) een goede relatie tussen kind en ouder
bestaat en (3) uitleggen waarom het kind gestraft wordt.
LIMITATIES VAN “ADOPTIE VAN SOCIALE NORMEN” THEORIEËN
Sommigen zijn groot geworden door het juist niet naleven van sociale normen (tegen slaven, gelijke
rechten e.d.).
Ouders willen nog weleens verkeerd gedrag goedkeuren als het kind hiervoor een legitieme reden
geeft.
Constructie: het actief bijwonen en relateren van meerdere perspectieven waarin sociale conflicten
ontstaan en hiermee nieuwe moreel begrip kweken.
MORELEN ALS SOCIAAL BEGRIP
PIAGET’S THEORIE VAN MORELE ONTWIKKELING
Opdeling in twee morele begrippen:
-
-
Heteronome moraliteit: in de eerste fase zien kinderen moraliteiten opgelegd vanuit een
autoriteit (ouder, god, leraar). Zij maken gebruik van hun realistische perspectief: mentale
toestanden worden als externe kenmerken van de realiteit gezien.
Autonome moraliteit: regels worden flexibel gezien. Sociaal overeengekomen regels die bij
de wil van de meerderheid passen. Ideale wederkerigheid: doe niet wat je bij een ander ook
niet zou doen. Bij een kind begint dit als wraak halen maar groeit langzaam tot meer
sympathiek gedrag.
Uit later onderzoek lijkt Piaget de ontwikkeling van moraliteit goed beschreven te hebben. Wel aan
te merken is:
37
Al vroeg (4 jaar) vinden kinderen liegen verkeerd –ook als de leugen verborgen blijft. Echter een
meer geavanceerd begrip van morele ontwikkeling vindt later plaats: pas vanaf 9-10 jaar begrijpt een
kind dat het breken van een woord in het ene geval erger is dan in het andere.
Ook zonder autoriteiten wijzen kinderen bepaald gedrag af (bijv. slaan).
De twee morele begrippen zijn –zo zei Piaget zelf ook- niet duidelijke stappen in ontwikkelingen maar
lopen sterk in elkaar over.
KOHLBERG’S UITBREIDING VAN PIAGET’S THEORIE
Morele beoordelingsinterview: individuen lossen dilemma’s tussen twee morele waarden op en
beoordelen hun acties.
Kohlberg stelt dat de manier waarop iemand redeneert en tot een besluit komt de morele
ontwikkeling bepaald, niet de uitkomst zelf.
Sociomorele Reflectie meting (SRM-SF): 11 vragen die zoals Kohlberg vragen stellen over moreel
redeneren. Werkt sneller dan Kohlberg’s verhalende vragen die veel langer duren.
Kohlberg breidde Piaget’s theorieën uit en deelde deze op in 3 globale stages:
-
-
-
Preconventionele niveau: extern bepaalde moraliteiten
1. Straffen en gehoorzaamheid eisen
2. Instrumentele bedoeling oriëntatie, kinderen realiseren dat anderen verschillende
gedachten over moraliteiten kunnen hebben
Conventioneel niveau: conformeren naar sociale regels zijn belangrijk maar niet voor
egoïstische redenen
3. Goede jongen-goede meid oriëntatie (moraliteit van samenwerking): promoten
sociale harmonie
4. Behoudt van sociale orde oriëntatie: maatschappelijke regels worden belangrijk
geacht
Postconventionele niveau: maatschappelijke regels worden niet klakkeloos overgenomen,
moraliteiten zijn abstracte waarden.
5. Sociale contract oriëntatie: mensen kunnen alternatieven voorstellen van de huidige
maatschappelijke regels
6. Universele ethische principes
ONDERZOEK NAAR KOHLBERG’S STAGES
Stage 6 is twijfelachtig of deze bestaat, erg zeldzaam in onderzoek.
Mensen doorlopen de eerste 4 stages vrij langzaam, de meesten blijven steken op stage 4.
Morele volwassenheid is positief gecorreleerd met IQ.
SEXE VERSCHILLEN IN MORELE REDENERING
38
Vrouwen blijken sneller bij niveau 3 te komen dan mannen. Vrouwen komen meer met sympathieke
regels en mannen met rechtvaardigheid.
Invloeden morele redenering:
-
Persoonlijkheid: flexibele onbevooroordeelde stand ten opzichte van nieuwe ervaringen
bevorderd morele ontwikkeling.
Socialiteit: kinderen met elkaar laten praten is goed voor het uitwisselen van ideeën en
elkaars opvattingen.
Scholing: aantal jaren scholing is de beste voorspeller van morele ontwikkeling.
Peer interaction: gelijkgestemden die elkaars mening bespreken.
Cultuur: mensen in een geïndustrialiseerde cultuur gaan sneller door de verschillende stages
heen dan anderen (Indiërs leggen meer nadruk op sociale verplichtingen dan westerse
culturen).
MORELE REDENERING EN GEDRAG
Morele zelfrelevantie: de mate waarin een moraliteit centraal is binnen het zelfconcept
Adolescenten die deel uit maken van een religieuze groep hebben een hoger besef van moraliteit.
Kohlberg gaf aan dat morele volwassenheid pas bij het postconventionele niveau wordt behaald: de
meeste mensen halen dit niet.
Voorstellen tot pragmatische moraliteit: individuen benaderen moraliteit op basis van hun huidige
context en motivaties.
DOMEIN AANPAK VOOR MOREEL BEGRIP
Domein aanpak richt zich op:
Gebiedende moraliteiten: beschermen mensenrechten en welvaart
Sociale conventies: afgesproken sociale gebruiken
Zelfgemaakte keuzes: vriendenkeuze, haarstijl, vrije tijds bezigheden
Langzaamaan ontwikkelen kinderen een begrip voor morele keuzes welke steeds omvangrijker wordt
en meer variabelen bevat.
Kinderen leren al snel dat volwassen makkelijk meegaan in eigen keuzes, soms in sociale conventies
en nooit in verandering van moraliteiten.
Verschillen tussen moraliteiten, conventies en eigen keuzes worden hetzelfde bevonden in alle
culturen, er wordt gelijk over gedacht.
GEDISTRIBUEERDE GERECHTIGHEID
Gedistribueerde gerechtheid: geloven hoe materiële goederen gelijk te verdelen.
39
Drie stappen in ontwikkeling:
-
Strikte gelijkheid: 5-6 jaar, iedereen gelijke verdeling
Verdienste: 6-7 jaar, er worden ontastbare waarden gebruikt bij de verdeling, zoals wie
ergens hard voor gewerkt heeft en wie niet
Vermogen en welwillendheid: 8-9 jaar, kinderen nemen iemand anders zijn omstandigheden
mee in hun oordeel
ONTWIKKELING VAN MORELE RELEVANTIE EN ZELFBEHEERSING
In hoeverre kinderen (en volwassenen) hun morele overtuigingen uitvoeren heeft te maken met
zelfbeheersing.
Peuters:
-
Toestemming: gaan mee in de verzorger zijn wensen en verwachtingen, voeren simpele
opdrachten uit.
Vertraging voldoening: wachten tot een geschikt moment en plaats om een verleidelijke
daad te verrichten.
Jeugd en adolescentie:
-
-
Strategieën voor weerstaan verleidelijke acties: kinderen blijken van alles en nog wat te
proberen om hun aandacht van een verleidelijke beloning af te leiden.
Morele zelfregulatie: de mogelijkheid iemand zijn eigen verrichtingen te monitoren en aan
te passen aan de omstandigheden die eigen standaarden overtreden.
Kennis strategieën: zelfkennis gebruiken bij het onderdrukken van verleidelijke acties.
INDIVIDUELE VERSCHILLEN
Hoe beter een kind presteert bij uitstel-van-beloning testen hoe beter deze in de adolescentie met
stress om kan gaan, metacognitieve vaardigheden toepassen op zichzelf en impulsief gedrag
onderdrukken.
DE ANDERE KANT VAN ZELFBEHEERSING: ONTWIKKELING VAN AGRESSIE
Alle kinderen vertonen van tijd tot tijd agressie, vooral in schooljaren waar conflicten regelmatig
voorkomen.
Vanaf 2de jaar ontstaat proactieve agressie: kinderen acteren om een wens of verlangen te vervullen
en vallen aan zonder gebruik van emoties. Ook komt reactieve agressie voor: een agressieve
defensieve reactie op een provocatie of blokkade met de bedoeling iemand pijn te doen.
Proactief en reactieve agressie komen voor in 3 vormen: (1) fysieke agressie, (2) verbale agressie en
(3) relationele agressie.
Tussen 3 en 6 jaar verminderd fysieke agressie waar verbale agressie toeneemt. Vanaf 17 maanden
zijn jongens veel fysieker agressief dan meisjes. Meisjes gebruiken later meer relationele agressie.
40
Gedurende de tienerjaren neemt delinquent gedrag toe. Dit heeft te maken met de afnemende
invloed van ouderen en respect krijgen van leeftijdsgenoten.
Een agressief persoon blijft over de jaren ook redelijk agressief.
Familieomstandigheden spelen ook hier weer een belangrijke rol, agressieve, inconsistente,
negatieve ingestelde ouders lokken hetzelfde gedrag uit bij het kind.
Hoge proactieve agressie wordt gelinkt met sociaal-cognitieve deficiënties. Personen zien geweld als
voordelig en kosten effectief. Ook kennen zij een te hoog zelfvertrouwen. Ze beschuldigen snel hun
slachtoffers en niet henzelf.
Duostrategische controleurs: beheersen sociale vaardigheden en zijn proactief agressief. Zijn vaak
populair.
In een gespannen, competitieve groep komt eerder agressie voor. Dit komt meer voor bij lage
inkomens.
KINDEREN EN OUDEREN HELPEN AGRESSIE TE CONTROLEREN
Als antisociale patronen vasthouden tot adolescentie is het erg moeilijk deze patronen te
doorbreken, daarvoor dient hulp geboden te worden.
-
Coachen: modeleren en versterken van alternatief gedrag. Commando’s worden met regels
gebonden. Consistent gedrag wordt bevordert en ook op lange termijn beloningen.
Sociaalcognitieve interventies: het direct aanleren van relevante, niet-agressieve sociale
tekenen, om extra informatie te zoeken voordat ernaar gehandeld wordt.
Omvangrijke aanpak: een Amerikaans programma EQUIP gebruikt groepen van
gelijkgestemden en traint die in sociale vaardigheden, agressie management, correcties van
cognitieve stoornissen en moreel redeneren. Dit kan zelfs met ouders gebeuren als zij de
oorzaak van het probleem zijn.
41
HDST 13 (P 524)
Geslachtsstereotypen: breed gedragen geloven in verschillende karakteristieken tussen jongens en
meisjes.
Geslachtsrollen: reflectie van stereotypen in alledaags gedrag.
Geslachtsidentiteit: eigen blik van geslacht, perceptie van zichzelf als relatief mannelijk of vrouwelijk.
Geslachtstypering: een associatie van objecten, activiteiten, rollen, en kenmerken met een geslacht.
GESLACHTS STEREOTYPEN EN ROLLEN
Instrumentale kenmerken: reflecteren competentie, rationaliteit, oplettendheid werden/worden
mannelijk geacht.
Expressieve kenmerken: warmte, zorg, gevoeligheid werden/worden vrouwelijk geacht.
Het blijkt dat ouderen vooral kinderen inschalen op geslachtsstereotypen dan volwassenen zichzelf.
GESLACHTS TYPERING IN VROEGE JEUGD
De meeste kinderen willen niet spelen met kinderen die geslachtsstereotypen overtreden (een
jongen die nagellak draagt).
Kinderen blijken in een zeer sterk door stereotypen bepaalde wereld te leven.
GESLACHTS TYPERING IN MIDDEN JEUGD EN ADOLESCENTIE
Persoonlijkheidskenmerken: kinderen maken sterke onderscheidingen in mannelijke
persoonlijkheidskenmerken (sterk, rationeel, gemeen) en vrouwelijke (zacht, dierbaar, afhankelijk).
Vanaf 11de jaar op ‘volwassen’ niveau.
Prestatiegebieden: ze leren op de middelbare school al snel welke vakken ‘mannelijk’ en welke
‘vrouwelijk’ zijn. Gemiddeld genomen presteren meisjes beter op school waar echter het stereotype
van jongens die slimmer zijn breed gedragen wordt.
Grotere flexibiliteit: de flexibiliteit van karakteristieken tussen jongens en meisjes blijkt vanaf 7 jaar
flink toe te nemen. Stereotypen zijn meer maatschappelijk veroorzaakt dan biologisch. Dit betekend
echter niet dat het overtreden van stereotypen ook geaccepteerd wordt.
INDIVIDUELE EN GROEP SVERSCHILLEN IN GESLACHTS STEREOTYPEN
Niet elk kind weet evenveel op elk gebied van geslachtsstereotypen als een ander kind (bijv.
activiteiten, gedragingen, beroepen, persoonlijkheidskenmerken).
42
Het is niet zeker of stereotypen ook de mogelijkheden van kinderen beperken. Bepaalde stereotypen
blijken al zeer vroeg aanwezig, bijv. een jongetje van 18 maand kijkt langer naar een auto dan naar
een pop (en vice versa).
INVLOEDEN OP AANNEMEN GESLACHTS STEREOTYPEN EN GESLACHTS-ROLLEN
In 97% van de diersoorten bestaan verschillen tussen vrouwelijke en mannelijke dieren, waaronder
chimpansees (de originele rollen van man als jager, vrouw als verzorger). Twee bewijzen:
-
-
Over alle culturen heen bestaan verschillen tussen mannen en vrouwen. Mannen zijn meer
bezig met instrumenten, vrouwen meer met expressieve uitingen. De verschillen zijn in veel
culturen niet zo heel groot.
Hormonen veranderen gedrag, mannen worden agressiever. Jongetjes spelen agressiever
dan meisjes en kiezen hun speelmaatjes op basis van gelijke speelstijlen, dus spelen ze meer
met hetzelfde geslacht. Ook blijkt dat meisjes met een hormoonafwijking (mannelijke
hormonen) ook meer aan het mannelijke stereotype voldoen (actiever, spelen met jongetjes,
willen mannelijke beroepen navolgen).
De omgeving speelt een significante rol bij stereotypering. Volwassenen delen kinderen hierop in en
willen dat hun kind met speeltjes spelen die voldoen aan het stereotype. Qua socialiseren
behandelen ze beiden gelijk.
Taal wordt gebruikt als effectief indirect middel bij stereotypering (emotionele taal bij meisjes,
aanmoedigende taal bij jongens).
Ouders blijken eerder een meisje te helpen dan een jongen waarvan meer zelfstandigheid wordt
verwacht.
Moeders gaven kinderen een stereotype beoordeling naar hun vakken. In vervolgstudies later bleken
deze beoordelingen niet te kloppen.
Ouders gebruiken meer directe taal bij meisjes dan bij jongens. Jongens worden gevraagd om een
beslissing te nemen, meisjes worden meer gecommandeerd.
Jongens mogen ook verder van huis dan meisjes.
Vaders blijken meer te discrimineren dan vrouwen. Jongens moeten van vaders meer presteren dan
dochters.
Op school wordt meer vrouwelijk gedrag goedgekeurd (gehoorzaamheid) wat mogelijk ergere
gevolgen heeft voor meisjes dan voor jongens: zij raken hun lange termijn kansen op
onafhankelijkheid en zelfvertrouwen kwijt.
Observatie leren speelt ook mee, nog altijd zijn bepaalde beroepen vooral toebedeeld aan mannen
en vrouwen.
Kinderen oefenen druk op elkaar uit om mee te doen aan stereotypen, jongens horen met auto’s e.d.
te spelen en als zij diet niet doen worden ze niet opgenomen in de groep.
43
Kinderen vinden het veel juister om te differentiëren op basis van geslacht dan op etniciteit. Dit
neemt met de jaren zelfs toe.
Kinderen met een broer of zus van hetzelfde geslacht vertonen meer geslachtsstereotypen dan
kinderen zonder broer of zus. Een kind met een broer of zus van het andere geslacht vertonen
minder stereotypen.
GESLACHTS IDENTITEIT
Adrogyny: zowel veel mannelijke als vrouwelijke kenmerken vertonen.
Mensen met meer mannelijke kenmerken vertonen meer zelfvertrouwen.
OPKOMEN GESLACHTS IDENTITEIT
Geslachtsstandvastigheid: een volledig begrip van de fysieke verschillen tussen man en vrouw.
Ontwikkelt door de volgende fasen:
1. Geslacht labelen: het benoemen van het eigen en andere geslacht
2. Geslachtsstabiliteit: ze begrijpen dat geslacht hetzelfde blijft over tijd
3. Geslachtsconsistentie: ze begrijpen dat het biologisch gebaseerd is, zelfs als een jongen in bijv.
vrouwenkleren loopt
GESLACHTS IDENTITEIT IN MIDDEN JEUGD
Meisjes schrijven zich eerder mannelijke kenmerken toe dan mannen zich vrouwelijke kenmerken
toeschrijven. Dit kan mogelijk worden verklaard doordat mannelijke banen hoger aangeschreven
staan in de samenleving dan vrouwelijke.
In hoeverre een kind zich thuis voelt bij zijn of haar geslacht hangt af van (1) geslachtstevredenheid:
tevreden over zichzelf, en (2) druk om aan geslachtsrollen te voldoen: de mate waarin een kind
gewaardeerd wordt om haar geslachtskenmerken. Hoge druk leidt tot ontevredenheid.
Geslachtsversterking: een toenemende geslachtstypering van gedrag, beweging naar traditionele
geslachtstypen. Treedt op tijdens puberteit.
GESLACHTS SCHEMA THEORIE
Geslachtsschema theorie: informatieverwerkingstheorie die uitlegt hoe omgevingsdruk en cognitie
samen geslachtstypering bewerkstelligen. Door het vroege categoriseren naar geslacht passen
bijvoorbeeld banen alleen nog maar bij jongens of meisjes.
Als een kind een keuze moet maken om te spelen met een voorwerp en hij labelt dit direct als iets
vrouwelijks of mannelijks zal hij er niet mee gaan spelen. Als een ouder iets mannelijks of vrouwelijks
noemt zal het kind dit gebruiken –ongeacht wat het speeltje is.
44
IN HOEVERRE VERSCHIL LEN JONGENS EN MEISJES ECHT IN GESLACHTS STEREOTYPE
ATTRIBUTEN?
Meta-analyse: het samennemen van meerdere onderzoeken en hieruit een conclusie trekken
Over de jaren nemen geslachtsstereotypen af.
MENTALE VAARDIGHEDEN
Verbale vaardigheden: meisjes lopen al snel voor vergeleken met jongens. Jongens blijven
achterlopen, met name bij schrijven. Ook omdat veel jongens opgroeien zonder vader worden
schrijfvaardigheden bij hen laag gewaardeerd.
Mathematische vaardigheden: meisjes lijken beter in rekenkundige opgaven, jongens gebruiken
meer visuele beelden en geheugen. Rond adolescentie, wanneer wiskunde abstracter wordt, gaan
jongens beter presteren dan meisjes. Het verschil is echter klein en blijkt af te nemen. Oorzaken dat
jongens beter in wiskunde zijn is hun betere rekenkundig geheugen en grotere visuele
inbeeldingsvermogen.
Stereotypering speelt hierbij in de kaart, hoe meer een meisje overtuigd is dat meisjes slecht in
rekenen zijn zo zal zij slechter hierin presteren (fouten weiden aan externe invloeden en niet aan
eigen moeite). Meisjes gebruiken meer verbale geheugen en zodra zij geleerd hebben ruimtelijk te
denken kan hun wiskunde vaardigheid snel toenemen (andere strategie toepassen).
PERSOONLIJKHEIDSKENMERKEN
Emotionele gevoeligheid: vrouwen gevoeliger dan mannen. Meisjes voelen anderen beter aan op al
jonge leeftijd. Meisjes berichten zelf beter anderen aan te kunnen voelen maar als gekeken wordt
naar daadwerkelijk gedrag is er maar een klein verschil vergeleken met jongens. Evolutionair gezien
zouden vrouwen zorgzamer moeten zijn maar bewijs hiervoor is afwezig, cultuur is een veel
belangrijkere factor.
Toegeven en afhankelijkheid: bij peuters zijn meisjes toegeeflijker dan mannen. Meisjes zoeken ook
meer hulp. Jongens willen meer zelfstandige taken uitvoeren. Leiderschap, assertiviteit en creatief
gebruik van materialen komen meer voor in niet-ouderlijke taken.
Depressies: meest voorkomende probleem gedurende adolescentie. Rond 20-50% milde depressieve
gevoelens gedurende die periode. 15-20% heeft zware aanvallen (gelijk als bij ouderen). 2-8% is
chronisch depressief. Meisjes laten meer symptomen zien dan jongens. 2x zoveel meisjes als jongens.
Erfelijkheid blijkt hier een belangrijke factor. In niet-geïndustrialiseerde blijken mannen vaak
depressiever dan meisjes. Mogelijke verklaring is de grotere afhankelijkheid van meisjes in de
westerse wereld en de negatieve gebeurtenissen die hierdoor een grotere impact op hebben.
Agressiviteit: studies zijn niet consistent, verbale agressie komt bij meisjes evenveel voor als bij
jongens. Meisjes zouden ook maar weinig meer gebruik maken van relationele agressie. Het verschil
zit hem erin dat meisjes vaak exclusief gebruik maken van relationele agressie waar jongens alles
gebruiken –als het maar werkt. De waarde die aan relaties wordt gegeven door meisjes is wel veel
45
hoger en dus de effecten van relationele agressie ook groter. Fysieke agressie zou meer bij jongens
voorkomen vanwege hormonen, die zorgen voor meer lichamelijke activiteit dat ook sneller zal
ontaarden in fysiek geweld. Omgevingsfactoren zijn ook van belang, fysiek geweld is vaker gericht
tegen jongens dan tegen meisjes. Agressiviteit van meisjes wordt ook streng afgekeurd, dat van
jongens niet.
ONTWIKKELEN KINDEREN ZONDER STEREOTYPEN
Om stereotypen de wereld uit te helpen moet de gehele omgeving hierop ingericht zijn. Ouders,
leraren en omgeving moeten allen gelijk handelen. Bij het oppikken van stereotypen door kinderen
kunnen ouderen uitzonderingen aanwijzen.
46
HDST 14 (P 562)
ORIGINE EN FUNCTIES VAN DE FAMILIE
Evolutionair: vrouw verzamelaar, man jager. Samengenomen grote kans op overleving ook in tijden
waarin weinig te jagen valt.
Functies:
-
Reproductie
Economische diensten (distribueren voedsel en diensten)
Sociale orde (lost conflicten op)
Socialisatie (jongeren competent in maatschappelijke functies)
Emotionele hulp
Zodra de maatschappij te groot wordt nemen instituties (rechtbank e.d.) functies van de familie over.
FAMILIE ALS SOCIAAL SYSTEEM
Sociale systeem perspectief: familie als complexe set van inter-acterende relaties beïnvloed door
een grotere sociale context.
Directe invloeden: warm, aardig gedrag van ouders leidt tot makkelijke kinderen. Straffen en
agressiviteit leiden tot rebelse kinderen.
Indirecte invloeden: co-ouderschap: het elkaar ondersteunen in ouderlijk gedrag (tussen moeder en
vader). Dit leidt weer tot betere directe invloeden.
Ouders veranderen gedurende de puberteit ook en dit leidt weer tot spanningen. Zo zitten zij zelf in
een fase waarin kinderen over niet al te lange tijd het huis uit gaan en zij zelf zoeken naar nieuwe
invulling van taken.
De omgeving blijkt een grote motivatie voor betere prestaties van kinderen. Kinderen in lage SES
gemeenschappen presteren ook slechter, zodra zij naar een betere buurt vertrekken gaat het beter.
Factoren:
-
Ouderlijke inter-persoonlijke acceptatie: buren of kennissen stellen de ouder gerust en
verbeterd daardoor zelfvertrouwen van de ouder.
Ouderlijke toegang tot belangrijke informatie en diensten: het verkrijgen van goede
informatie helpt ouders en verminderd zorgen.
Rolmodellen: vrienden, kennissen of mensen uit de gemeenschap kunnen laten zien hoe zo
goed mogelijk met een kind om te gaan.
Direct assisteren met kind opvoeden: het sociale netwerk kan het kind in de gaten houden als
zij zich misdragen.
47
SOCIALISATIE BINNEN DE FAMILIE
Kind opvoedingsstijlen: combinaties van ouderlijk gedrag die over een breed scala aan situaties
voorkomen en hierdoor een kind opvoedingsklimaat ontwikkelen.
Drie factoren die verschillen binnen opvoedingsstijlen:
-
Acceptatie en betrokkenheid bij het kind
Controle over het kind
Geven van autonomie
Opvoedingsstijlen:
-
-
-
-
Gezaghebbende opvoedingsstijl: meest succesvolle opvoedingsstijl, hoge acceptatie en
betrokkenheid, flexibele toepassing van controle technieken en geschikte mate van
autonomie verstrekking. Ouders zijn warm en gevoelig voor de wensen van het kind.
Tolerante opvoedingsstijl: warm en acceptatie maar niet betrokken, voeren weinig controle
uit. Laten kinderen veel beslissingen zelf maken, ook als zij hier nog niet klaar voor zijn.
Kinderen eisen veel en afhankelijker van ouderen, plus meer antisociaal gedrag.
Autoritaire opvoedingsstijl: lage acceptatie en betrokkenheid, veel controle, laag in
autonomie. Ouders komen koud en afwijzend over. Kinderen zijn angstig en ongelukkig.
Ouders voeren Psychologische controle uit: gedragingen die verbale expressies,
onafhankelijkheid en band met kinderen manipuleren.
Onbetrokken opvoedingsstijl: lage acceptatie en betrokkenheid met weinig controle en geen
interesse in autonomie. Ouders zitten vaak emotioneel in de knoop, depressief, gestrest en
hebben hierdoor weinig tijd voor kinderen. Strategieën voor lange termijn doelen worden
niet toegepast. Kan leiden tot verwaarlozing.
WAAROM IS EEN GEZAGHEBBENDE OPVOEDINGSSTIJL SUCCESVOL?
Uit lange termijn studie blijkt dat volwassenheid en aanpassingsvermogen van kinderen met
verschillende temperamenten het meest gebaat zijn bij een gezaghebbende opvoedingsstijl.
-
Eerlijke en uitgelegde controle werkt beter dan arbitraire controle
Warme ouders scheppen een goede band en kunnen hierdoor meer invloed uitoefenen
Combinatie warmte met redelijke controle werken goed bij kinderen en dat zorgt weer voor
extra motivatie bij ouders
Door redelijke autonomie toe te staan krijgen kinderen zelfvertrouwen
Ondersteunende aspecten van een gezaghebbende opvoedingsstijl zorgen voor een grotere
weerstand in slechtere (stressvolle) tijden.
OPVOEDINGSSTIJL AANPASSEN MET LEEFTIJD
Midden jeugd: coregulatie: vorm van supervisie waarbij ouders overzicht hebben maar waar
kinderen korte termijn besluiten mogen nemen.
48
Adolescentie: autonomie toe laten nemen zodat ze onafhankelijker worden. Twee autonomie
aspecten: (1) emotionele, minder van ouders afhankelijk en (2) gedrag, onafhankelijk beslissingen
kunnen nemen.
In collectivistische culturen en lage SES omgevingen is de drang naar meer autonomie reden tot
conflicten.
SOCIO-ECONOMISCHE EN ETNISCHE VARIATIES IN OPVOEDING
Lage SES gaat gepaard met vroeger kinderen en meer kinderen. Hoge SES legt nadrukt op
nieuwsgierigheid, geluk, zelfrichting en cognitieve & sociale volwassenheid. Lage SES vindt
gehoorzaamheid en netheid belangrijker. Hoge SES ouders geven meer verklaringen voor hun gedrag
dan lage SES ouders.
Welvaart: zeer hoge SES blijkt problemen te geven omdat ouders weinig contact hebben met hun
kinderen. Kinderen ontwikkelen hierdoor vaak veel problemen (alcohol, drugs). Het samen eten met
ouders wordt geassocieerd met een reductie in problemen bij kinderen.
Armoede: ouders zijn teveel bezig met het verzamelen van genoeg geld en zitten vaak al vroeg met
kinderen.
Etniciteit: verschillende culturen hebben unieke opvoedingseigenschappen. Chinese ouders zijn
minder makkelijk met het geven van complimenten en lijken hierdoor minder warm. Als dit te ernstig
is heeft dit dezelfde gevolgen als een autoritaire opvoedingsstijl. Hispanics neigen naar een strakke
discipline met een hoge warme familieband. Afro-amerikanen kennen meer een discipline cultuur.
Uitgebreide familie: een gerelateerd familielid woont bij de directe familie. Zorgt ervoor dat ondanks
armoede de opvoeding van lage SES kinderen toch goed kan gaan.
FAMILIE LEEFSTIJLEN EN VERANDERINGEN.
VAN GROTE NAAR KLEINE FAMILIES
Geboortecijfers liggen in westerse landen onder de 2 per familie: 1 of 2 kinderen per vrouw liggen
meer in lijn met de wensen van moderne vrouwen.
Hoe meer kinderen en de grootte van de familie hebben geen invloed op het IQ. Lagere SES families
hebben meer kinderen en hierdoor lijkt het alsof grotere families meer kinderen met een lager IQ
hebben.
Kinderen vinden de komst van een broertje of zusje vaak bedreigend omdat zij dan minder aandacht
zullen krijgen. Na het 2de jaar gaan peuters vaak spelen met oudere broertjes en zusjes. Een goede
band met broertjes of zusjes werkt positief.
Gedurende het midden van de jeugd neemt rivaliteit tussen kinderen toe. Degene met minder
affectie en hulp laten meer problemen zien. Diverse taken worden echter nog samengedaan, met
name schoolactiviteiten. Hiervoor is wel ouderlijke aanmoediging nodig.
49
Gedurende adolescentie neemt de band tussen broertjes en zusjes af, veroorzaakt door de grotere
autonomie. Later zwakken de gevolgen voor minder affectie van ouders bij een specifiek kind af,
waarschijnlijk vertalen kinderen dat in meer vertrouwen van ouders in hun zelfstandigheid.
EENKINDS FAMILIES
Kinderen in éénkindsfamilies hebben een groter zelfvertrouwen en motivatie, doen beter op school
en hebben veel vriendschappen. Ze kennen echter minder conflict oplossingsstrategieën en hebben
hierdoor vaker ruzies. De éénkindpolitiek in China blijkt wat betreft opvoeding evenwichtige kinderen
op te leveren.
ADOPTIE
Geadopteerde kinderen vertonen meer problemen dan gemiddeld en dit neemt toe bij een hogere
leeftijd van adoptie. De meeste geadopteerde kinderen doen het echter goed, veel beter dan
weeshuizen e.d. Het terugsturen naar biologische moeders is vaak nog slechter dan het
onderbrengen in een weeshuis.
In adolescentie kan dit problemen geven omdat ze hun biologische afkomst niet kennen.
HOMOSEKSUELE FAMILIES
Homoseksuele families blijken erg goed in het opvoeden van een kind. Dit heeft ook geen invloed op
de geaardheid van het kind.
NOOIT GETROUWDE ÉÉNOUDER GEZINNEN
Afro-amerikaanse vrouwen kennen veel nooit getrouwde éénouder gezinnen. Hier grijpen zij terug
op andere familieleden bij het opvoeden van kinderen. Veelal ontstaan problemen doordat deze
families geen geld hebben en de resultaten zijn equivalent met lage SES families.
SCHEIDINGEN
Tussen ’60 en ’85 steeg het scheidingspercentage enorm. Kinderen in gescheiden gezinnen
spenderen ongeveer 1/3de van hun jeugd bij één ouder. Hoe goed het met het kind gaat hangt af van
ouderlijke psychologische gezondheid, karakter kind, sociale steun bij familie en gemeenschap.
Directe gevolgen: vaak minder geld, verhuizen en slechtere banden met familie en buurtgenoten.
Daarbij komt stress, depressies en angsten. Jonge kinderen denken al snel dat beide ouders hen
zullen verlaten. Oudere kinderen kunnen meer begrip opbrengen.
Het karakter van het kind is belangrijk, makkelijke kinderen kunnen beter met de nieuwe
omstandigheden omgaan. Wanneer jongens bij de moeder intrekken hebben zij een grotere kans op
slechte prestaties op school dan meisjes. Jongens krijgen door hun geslacht minder aandacht van
ouders en omgeving.
50
Lange termijn gevolgen: na 2 jaar weten de meeste kinderen zich aan te passen aan de nieuwe
situatie. Ook worden kinderen eerder seksueel actief, vooral als zij meerdere scheidingen hebben
meegemaakt.
Het blijkt dat ouders gemakkelijker scheiden en dat hierdoor bij kinderen de scheiding moeilijker
begrepen worden, ze zien te weinig signalen om de scheiding te rechtvaardigen.
Bemiddeling bij scheidingen werkt (indirect) positief voor het kind.
GEMENGDE FAMILIES
Gereconstitueerde familie: ouder, stiefvader en kinderen vormen een nieuwe familie. Dit kan stress
opleveren voor kinderen omdat regels veranderen en stiefvaders worden meestal als indringer
ervaren. Jongens passen vrij snel aan aan stiefvaders die niet te autoritair optreden. Meisjes passen
zich minder goed aan, het breekt al snel de hechte band met de moeder. Als een vader een
stiefmoeder in huis haalt passen ook meisjes zich weer moeilijker aan omdat ook dit de band met de
vader verbreekt.
TWEEVERDIENERS
Families waarin beide ouders werken en waarin genoeg aandacht blijft voor het kind blijken
voordelig voor het kind: een groter zelfvertrouwen, positieve familiebanden, minder stereotype
overtuigingen. Ook komen deze situaties meer gezaghebbende opvoedingsstijlen voor. Teveel werk
echter voor de ouder brengt stress mee en hierdoor ineffectieve opvoeding.
Als de vader weinig of niet helpt en de moeder werkt ook blijft weinig energie over voor de kinderen
en leidt ook tot slecht ouderschap.
KINDERZORG
Bij veranderende kinderzorg tehuizen blijken psychologische problemen bij kinderen toe te nemen.
Veel kinderdagverblijven zijn van lage kwaliteit en opvoeding laat te wensen over. In Amerika blijken
alleen door de staat gesponsorde kinderdagverblijven –waar ironisch juist lage inkomensgezinnen
gebruik van maken- goed te werken.
ZELFZORG
Zelfzorg kinderen: kinderen die regelmatig na school op zichzelf moeten passen. Gevolgen zijn laag
zelfvertrouwen, antisociaal gedrag, slechte schoolprestaties en angsten. Andere studies zeggen
echter dat dit geen gevolgen heeft. Waarschijnlijk heeft dit met leeftijd te maken. Hoe ouder, hoe
minder negatief de gevolgen, best pas vanaf 8/9 jaar.
51
KWETSBARE FAMILIES: KINDERMISBRUIK
Vormen:
-
Fysiek misbruik
Seksueel misbruik
Verwaarlozing
Emotioneel misbruik (sociale isolatie, onredelijke taken uitvoeren, bespotten, intimideren)
In 80% van de gevallen zijn ouders verantwoordelijk.
OORSPRONG KINDERMISBRUIK
Ouders die als kind misbruikt zijn doen dat nog niet automatisch zelf bij hun kinderen.
Factoren:
-
-
Familie: lastige kinderen gecombineerd met karakter van ouder kan een slechte combinatie
opleveren. Ze weten niet juist hoe een kind te disciplineren. Zodra misbruik begint blijft dit al
snel gedurende de relatie aanhouden. Het hangt volledig af van de zelfbeheersing van
familieleden.
Gemeenschap: meerderheid van misbruikende ouders zijn afgesloten van de gemeenschap.
Ingrijpen van buitenaf niet mogelijk.
Algemene cultuur: sommige culturen zien geweld als goede manier om te straffen.
Geïndustrialiseerde landen verbieden veelal het gebruik van geweld (om een of andere
reden in US en Canada niet).
CONSEQUENTIES VAN KINDERMISBRUIK
Emotionele zelfregulatie, empathie, sympathie, zelfconcept, sociale vaardigheden en motivatie leren
raken achter bij ontwikkeling. Ook kan fysiek geweld op lange termijn leiden tot
hersenbeschadigingen.
VOORKOMEN KINDERMISBRUIK
Ouders die als kind misbruikt zijn maar die wel goede banden hebben met anderen gebruiken minder
geweld bij hun eigen kinderen.
Vroege interventie bij misbruik voorkomt lange termijn effecten.
Probleem bij kindermisbruik is dat dit vaak moeilijk te bewijzen is. Kindermisbruik moet in zijn geheel
worden afgewezen door de samenleving om voorgoed verbannen te krijgen.
52
HDST 15 (P 602)
BELANGRIJKHEID RELAT IES LEEFTIJDSGENOTEN
Uit onderzoek met apen blijken relaties tussen leeftijdsgenoten zeer belangrijk voor sociale
competenties.
In vreemde omgevingen zorgen goede banden met leeftijdsgenoten als uitvalsbasis.
ONTWIKKELING SOCIALE BAND MET LEEFTIJDSGENOTEN
Kinderen die vanaf het 1ste levensjaar al in contact komen met leeftijdsgenoten beginnen al vroeg
met socialiseren. Tussen 1 en 2 jaar leren ze dat verschillende intenties hebben en gaan anderen als
speelmaatjes beschouwen. Vanaf 2 jaar beginnen ze woorden te gebruiken. Een ouder kan helpen bij
het sociaal omgaan met leeftijdsgenoten.
DE JAREN VOOR SCHOOL
Sociale ontwikkeling gebeurt in drie stappen:
-
Niet sociale activiteit: zelfstandig spel
Parallel spelen: kind gaat in de buurt spelen met dezelfde materialen maar probeert geen
gedrag te beïnvloeden
Associatief spelen: verschillende activiteiten maar beargumenteren wel elkaars gedrag
Coöperatief spel: samenwerken naar een gemeenschappelijk doel
Deze stappen volgen na elkaar maar vervangen voorgaande stappen niet. Het merendeel van het
spelen gebeurt solitair en parallel.
Alleen gedrag zoals doelloos rondwandelen, in de buurt hangen van leeftijdsgenoten, spelen met
onvolwassen repetitieve motorische handelingen zijn reden tot zorg. Het alleen spelen niet.
Sociodrama: het gezamenlijk imaginatie spelen –interacteren op elkaars verzonnen emoties- blijkt
erg goed voor de ontwikkeling te zijn.
MIDDEN JEUGD EN ADOLESCENTIE
Ruw spel: actieve vorm van spelen waarbij op een ravottende manier gespeeld wordt. Lijkt veel op
dierlijk spel in de natuur. Waarschijnlijk door hormonen doen jongens dit meer dan meisjes.
Dominantie hiërarchie: een stabiele ordening van groepsleden die voorspelt wie wint bij een conflict.
Gedurende adolescentie wordt ruw spel serieuzer en agressiever. Als ze fysieke volwassenheid
bereiken neemt ruw spel weer af; het is dan duidelijk wie sterker is.
Gedurende adolescentie wordt het merendeel van de tijd gesocialiseerd met leeftijdsgenoten.
53
INVLOEDEN SOCIALISAT IE LEEFTIJDSGENOTEN
Door buitenschoolse activiteiten kunnen ouders leeftijdsgenoten beter met elkaar laten opschieten.
Ze kunnen aangeven hoe ze het beste met elkaar om kunnen gaan.
Indirecte ouderlijke invloeden komen van de opvoedingsstijl (agressiviteit lokt agressiviteit uit). Hier
blijkt de gezaghebbende opvoedingssfeer het best te werken.
Doordat een vader meer speelt met zonen en moeders meer met dochters zijn deze banden redelijke
voorspellers van sociale competentie van het kind.
In onze cultuur worden leeftijdsgenoten meestal bij elkaar geplaatst. In culturen waar dit minder
gebruikelijk is komt spel tussen verschillende leeftijden veel meer voor. Oudere kinderen geven
voorkeur aan oudere speelgenoten. Jonge kinderen vinden de spelideeën van oudere kinderen vaak
interessant en maken gebruik van hun bredere kennis.
In de Chinese cultuur worden verlegen kinderen eerder betrokken in spel dan in westerse
(individualistische) culturen. In westerse culturen hebben kinderen ook veel meer vrije tijd dan in
bijv. Aziatische waar meer tijd aan huiswerk moet worden besteed.
VRIENDSCHAPPEN
Vriendschap: een hechte relatie waarin beide partners bij elkaar willen zijn.
Over de tijd veranderen kenmerken van een vriendschap.
-
Als handig speelmaatje: 4-7 jaar
Wederzijds vertrouwen en hulp: 8-10 jaar, ze appreciëren elkaars karakter kenmerken
Intieme, wederzijds vertrouwen en loyaliteit: 11-15 jaar en ouder, intimiteit of
psychologische nabijheid zijn de belangrijkste kenmerken
VRIENDSCHAP KARAKTERISTIEKEN
Vriendschap selectie en stabiliteit: hoe jonger hoe meer vrienden. Vanaf de 4de klas blijven ongeveer
50-70 procent van de vriendschappen tot stand na een jaar.
Interactie tussen vrienden: vrienden geven elkaar dubbel zoveel begroetingen en complimenten als
niet-vrienden. Zodra ze ouder worden gaan vrienden inzien dat ze allebei ook tot op zekere hoogte
autonomie willen. Ze ruziën en concurreren ook meer met elkaar. Aardige, vriendelijke interactie
bouwt langdurige vriendschappen, meer agressieve interacties brengen problematischere en
kortdurende vriendschappen.
Overeenkomsten tussen vrienden: leeftijd, geslacht, etniciteit en SES zijn belangrijke factoren voor
het tot stand brengen van vriendschappen. Vanaf het midden van de jeugd ook meer op
persoonlijkheid, populariteit, academische vaardigheden, prosociaal gedrag, etc. Ze kiezen mensen
zoals zijzelf. Nog later kunnen zij vrienden kiezen die meer oppervlakkige kenmerken hebben dan die
zij zelf nastreven –fysieke fitheid, populariteit. Gemengde vriendschappen tussen verschillende
54
etniciteiten komen vooral voor wanneer de personen in gemengde wijken wonen en naar gemengde
scholen gaan.
Geslacht: emotionele verbondenheid is belangrijker voor meisjes dan voor jongens. Jongens voeren
meer activiteiten uit. Hechte vriendschappen leiden eerder tot coruminatie: herhaaldelijk over
problemen en negatieve gevoelens praten (met name bij meisjes).
VRIENDSCHAP EN AANPASSINGSVERMOGEN
Vriendschap wordt geassocieerd met diverse psychologische voordelen.
-
Je kunt jezelf en anderen beter leren begrijpen.
Basis voor intieme relaties later
Helpt jongeren met stress overweg gaan
Kan houding tegenover school verbeteren
Vriendschappen tussen agressieve personen kunnen ook destructief werken.
Kinderen zonder vrienden zijn vaak makkelijker boos, verlegen, angstig en voor op zichzelf
geconcentreerd.
ACCEPTATIE LEEFTIJDSGENOTEN
Acceptatie leeftijdsgenoten: de mate waarin iemand door zijn leeftijdsgenoten als goede sociale
partner wordt beschouwd.
Sociometrische technieken: techniek gebaseerd op zelf rapportage die sociale voorkeuren meet.
Leeftijdsgenoten reputatie: mate waarin kinderen populair zijn bij leeftijdsgenoten.
Ongeveer 2/3de past in de volgende categorieën:
-
Populaire kinderen
Afgewezen kinderen (negatieve stemmen, deze kinderen meeste sociale problemen)
Controversiële kinderen (zowel positieve als negatieve stemmen)
Genegeerde kinderen (worden door niemand genoemd)
De overige 1/3de zijn variatie hierop.
OORZAKEN ACCEPTATIE VAN LEEFTIJDSGENOTEN
Populaire kinderen subtypen:
-
Populaire prosociale kinderen: combineren goede academische vaardigheden met sociale
competentie.
Populaire antisociale kinderen: agressieve jongeren, vaak atletisch, en slecht in school.
Afgewezen kinderen subtypen:
55
-
Afgewezen agressieve kinderen: hoge mate van conflict, fysiek en relationele agressie,
hyperactief, weinig attentief en impulsief gedrag.
Afgewezen teruggetrokken kinderen: passief en sociaal vreemd.
Controversiële kinderen: vaak agressief en destructief maar ook veel positieve sociale verbanden.
Pesten vaker.
Genegeerde kinderen: vreemd genoeg zijn deze vaak goed aangepast, goede sociale vaardigheden,
voelen zich niet eenzaam of ongelukkig in sociale context.
AFGEWEZEN KINDEREN HELPEN
Veel afgewezen kinderen weten niet dat het aan hun sociale houding ligt. Hierin kunnen zij getraind
worden.
LEEFTIJDSGROEPEN
Leeftijdsgroepen: groepjes van drie tot twaalf waarin een unieke set aan waarden en standaarden
vormen voor gedrag en sociale structuur van leiders en volgers.
De eerste leeftijdsgroepen ontstaan op basis van nabijheid. Groepen blijven voor 50-70% elk jaar
hetzelfde en gebruiken relationele agressieve tactieken om anderen op afstand te houden. Niet
langer geaccepteerden worden na verstotingen ook moeilijker in andere leeftijdsgroepen
opgenomen juist vanwege hun vroegere relationele agressiviteit.
Kliek: groep van 5-7 leden die ook vrienden van elkaar zijn, lijken op elkaar wat betreft familie
achtergronden, houdingen, waarden en interesses. Bij meisjes blijken deze een goede voorspeller
van academische en sociale competentie.
Troep: meerdere klieks die samen dezelfde waarden delen. Bepalen een hogere hiërarchie in de
school. Familieachtergronden zijn hier ook nog altijd belangrijk, gezaghebbende opvoedingsstijlen
leiden tot “hersenen”, “sport” of “populaire”-groepen. Andere stijlen tot andere, vaak meer
negatieve groepen.
DATEN
Van 12-14 jarigen duren relaties tussen meisjes en jongens gemiddeld 5 maanden. Vanaf 16 duren zij
al 2 jaar. Probleem voor lange relaties zijn dat deze verbintenissen vaak niet erg diep zijn en vooral
gebaseerd zijn op stereotypen.
Vroegtijdig en frequent daten gaat vaak samen met drugsgebruik, delinquent gedrag en slechte
schoolprestaties. Deze leiden ook vaker tot geweld. Ongeveer 10-20% van adolescenten geven aan
fysiek of seksueel misbruikt te zijn door date partners.
Voor jongens werkt het sociaal positief, voor meisjes sociaal negatief (jaloezie, competitie).
56
DRUK LEEFTIJDSGENOTEN EN CONFORMITEIT
Meeste druk voor: kleding, haarstijl, meedoen in sociale activiteiten, halen van goede cijfers en
meewerken met ouders.
Groepsdruk kan ook sneller tot drugsgebruik en delinquent gedrag leiden.
Jongeren die snel toegeven aan groepsdruk laten diverse problemen zien zoals drugsgebruik,
instabiele relaties, agressie, delinquent gedrag, dalende populariteit.
MEDIA
TELEVISIE
Hoeveelheid TV kijken is gelijk in alle ontwikkelde landen en onontwikkelde landen lopen niet ver
achter.
40% van 3-maand oude baby’s kijken regelmatig tv, 90% van 2 jarigen.
Jongens kijken iets vaker dan meisjes, lage SES vaker dan hoge SES.
Peuters hebben al in redelijke mate door dat tv niet de werkelijkheid vertoont. Voor 8-jarige leeftijd
kunnen ze vaak niet goed verschillende scènes met elkaar koppelen en gaan zo bijvoorbeeld acties
van de misdadiger goedkeuren.
Uit bijzonder veel onderzoek is gebleken dat agressiviteit op tv ook leidt tot meer agressieve
gedachten & gedrag en leidt tot meer verbaal, relationeel en fysieke agressiviteit. Agressieve
kinderen kijken ook meer tv.
De correlatie tussen agressiviteit en TV kijken is sterker dan die van roken en het krijgen van
longkanker.
Etnische groepen worden op tv vaak in negatieve rollen geplaatst. Meer positieve beeldvorming leidt
tot meer etnisch diverse vriendschappen.
Schoolgaande kinderen in de VS kijken ongeveer 30.000 reclames per jaar. Tussen 8-9 jaar leren
kinderen begrijpen dat reclames de functie hebben om te verkopen. 11-jarigen begrijpen dat
reclamemakers van alles proberen om hun producten te verkopen. De meeste studies laten zien dat
reclames erg effectief werken, ook bij ouderen.
Het kijken naar sesamstraat blijkt een positieve bijdrage te leveren aan academische vaardigheden.
COMPUTERS
Met leeftijd en hoge SES wordt de PC meer gebruikt, vaak in combinatie met bijv. tv kijken, muziek
luisteren e.d. Pas vanaf 10-11 begrijpen kinderen de complexiteit van internet. Dit begrip is belangrijk
57
bij het begrijpen van het gevaar voor hackers of het zien van porno. Dit begrip leidt vervolgens tot
het gebruik van wachtwoorden.
Computers worden vaak gebruikt bij het uitvoeren van sociale complexe taken en al vanaf 3de
levensjaar heeft het gebruik ervan voordelen. Hoe ouder kinderen worden hoe meer ze hun
schoolwerk op de pc gaan doen. Vooral bij lage SES blijken computer gebruikers relatief hoger te
scoren. Daarbij biedt het literaire voordelen, de meeste webpagina’s zijn taal gestructureerd.
Jongens gebruiken pc vooral voor gamen, meisjes voor communicatie.
Jongeren die veel gamen blijken vaker vervelende familieomstandigheden of schoolomstandigheden
te ontwijken. Er bestaan aanwijzingen dat gewelddadige spellen aanzetten tot gewelddadig gedrag.
Communicatie via internet gebeurd voor een groot deel via slang: afkortingen van normale woorden.
Meer communicatie via internet leidt tot intiemere relaties. Sociaal angstige kinderen kunnen via
internet hun sociale vaardigheden oefenen. Onbeheerde chat kanalen leiden ook weer tot negatieve
invloeden.
20-30% van de kinderen in VS die nog niet naar school gaan kennen geen limieten voor tv of internet,
40% van schoolgaande kinderen en 50% van vroege adolescenten.
SCHOLING
Gemiddeld gaan kinderen zo’n 14.000 uur naar school.
Kleine groepen (13-17 leerlingen) blijken beter te presteren dan grotere groepen (assistenten in
grote groepen hebben geen effect). Grote scholen zorgen voor weinig identiteit. Ook zorgen kleinere
scholen voor meer plekken van verantwoordelijkheid en worden studenten actiever in verenigen e.d.
EDUCATIE FILOSOFIEËN
Traditionele klas: leraar is autoriteit voor regels, kennis, besluitvorming, praat vooral. Kinderen
luisteren.
Constructieve aanpak: kinderen moeten eigen kennis opbouwen, meestal gegrond in Piaget’s
zienswijze van kinderen als actieve individuen.
Klassieke aanpak blijkt iets beter te scoren wat betreft kennis maar constructieve aanpak zorgt voor
meer academische motivatie, kritisch denken, sociale en morele volwassenheid en een positieve
mening ten opzichte van de school. Montesorri scholen blijken een positieve bijdrage te hebben aan
ontwikkeling.
Sociaalconstructieve klassen: kinderen gaan in een breed scala uitdagende activiteiten aan met
leeftijdsgenoten en leraren.
Vygotsky legt de nadruk op:
-
Leraren en kinderen als partners in leren
Ervaring met veel verschillende typen symbolische communicatie binnen nuttige activiteiten
58
-
Leren aangepast aan het kind en zijn eigen omgeving
59
SCHOOL VERANDERINGEN
Het naar school gaan is een grote verandering in een kind zijn leven.
Uit lange termijn studies blijken voortijdse school ervaringen belangrijk voor latere prestaties op
school.
In adolescentie gaan kinderen naar een vaak veel grotere, anoniemere omgeving. Over het algemeen
gaan cijfers over die periodes omlaag. Minder persoonlijke aandacht, meer klassikale instructies,
minder participatie.
Meisjes blijken slechter met deze transitie overweg te kunnen, waarschijnlijk omdat dit samenvalt
met puberteit en minder zelfstandigheid.
Hulp van ouders, leraren en leeftijdsgenoten kunnen bij dergelijke transities helpen. Adolescenten
met goede vrienden in dezelfde school passen zich ook beter aan aan de nieuwe omstandigheden.
LERAAR-LEERLING INTERACTIE
Goede leraren zijn behulpzaam, stimulerend en zorgzaam. Teveel repeteren werkt niet stimulerend.
Educatieve zelfvervullende voorspellingen: kinderen kunnen kritieken van leraren overnemen en
hiernaar juist gaan handelen, ze spelen het slechte gedrag in de kaart.
Homogene groepen zorgen voor meer zelfvervullende voorspellingen. Lage SES groepen worden
meer gedrild voor simpele feiten en vaardigheden met alle gevolgen van dien. Kleine heterogene
groepen presteren minder goed dan kleine homogene groepen (van hetzelfde niveau).
In Amerika en Canada krijgen leerlingen geen testen om voortgang naar nieuwe scholen te bepalen
waardoor een groter percentage zichzelf beschouwt als schoolfaler.
LESGEVEN AAN KINDEREN MET SPECIALE BEHOEFTEN
Inclusive classrooms:leerlingen met leer problemen zitten samen met normale leerlingen. Vaak door
druk ouders gaan leerlingen met leerachterstanden in normale klassen.
Leerproblemen: moeite met leren, meestal lezen. Prestaties lopen flink achter.
Hoewel sommige kinderen met leerachterstanden baat hebben bij normale klassen hebben de
meesten dat niet. Deze kinderen worden afgewezen door leeftijdsgenoten en komen zo in de meest
onwenselijke categorie terecht.
OUDER-SCHOOL RELATIES
Ouders die met de school bezig zijn geven een positief signaal af naar het kind: scholing is belangrijk.
60
HOE GOED ZIJN NOORD AMERIKAANSE KINDEREN OPGELEIDT?
Gemiddeld doen Amerikanen het slechter dan het internationaal gemiddelde. Aziatische landen
scoren hoog doordat:
-
Culturele nadruk op academisch presteren
Nadruk op moeite moeten doen
Hoge kwaliteit van educatie voor iedereen
Meer tijd ingeruimd voor instructies
In Amerika hebben leerlingen ook vaker een baan die vooral repetitieve taken inhouden. Hoe meer
studenten werken hoe slechter hun prestaties blijkt uit onderzoek. Ook zijn banden met ouders
minder sterk.
61
Related documents
Download