Thesis Pieter

advertisement
Faculteit Bio-ingenieurswetenschappen
Academiejaar 2014– 2015
Lokalisatie en heterologe expressie van nieuwe ribosoominactiverende eiwitten uit graangewassen
Pieter Wytynck
Promotor: Prof. dr. E. VAN DAMME
Tutor: ir. J. DE ZAEYTIJD
Masterproef voorgedragen tot het behalen van de graad van
Master in de bio-ingenieurswetenschappen: cel- en genbiotechnologie
Faculteit Bio-ingenieurswetenschappen
Academiejaar 2014– 2015
Lokalisatie en heterologe expressie van nieuwe ribosoominactiverende eiwitten uit graangewassen
Pieter Wytynck
Promotor: Prof. dr. E. VAN DAMME
Tutor: ir. J. DE ZAEYTIJD
Masterproef voorgedragen tot het behalen van de graad van
Master in de bio-ingenieurswetenschappen: cel- en genbiotechnologie
“De auteur en de promotor geven de toelating deze scriptie voor consultatie beschikbaar te stellen
en delen ervan te kopiëren voor persoonlijk gebruik.
Elk ander gebruik valt onder de beperkingen van het auteursrecht, in het bijzonder met betrekking
tot de verplichting de bron te vermelden bij het aanhalen van resultaten uit deze scriptie.”
Promotor: Prof. Dr. E. VAN DAMME
Begeleider: ir. J. DE ZAEYTIJD
De auteur: Pieter Wytynck
i
ii
Woord vooraf
Dames en heren, bij deze is de thesis klaar. Na lange dagen, weken en maanden van werk. Ik vond
het uitvoeren en het plannen van de experimenten enorm interessant, en heb het werk altijd zeer
graag gedaan. Ik stond er nooit alleen voor en zou in dit deel een aantal mensen willen bedanken.
Ik zou graag Professor Dr. Els Van Damme willen bedanken voor het nalezen en verbeteren van deze
thesis. Daarnaast wil ik haar ook bedanken voor het deskundige advies en begeleiding tijdens mijn
verblijf in de Glyco groep. Ik kon altijd terecht bij haar voor advies en zij heeft mij veel hulp geboden
bij het schrijven en het indienen van mijn BOF aanvraag.
Ook zou ik mijn begeleider ir. Jeroen De Zaeytijd willen bedanken. Ik kon altijd bij hem terecht met
vragen en met problemen. Het was altijd enorm tof om met iemand te kunnen praten die
gepassioneerd is in het onderzoek. Jeroen heeft ook steeds mijn teksten nauwkeurig verbeterd en
feedback gegeven. Ik zal ook nooit onze lange microscopiesessies vergeten!
Ik ben vereerd om gedurende een relatief korte tijd deel te mogen zijn van de Glyco groep. Ik zou alle
leden en studenten in de Glyco groep willen bedanken voor de toffe werksfeer en het beantwoorden
van mijn vragen.
Ik wil ook graag mijn ouders bedanken voor alle steun en om mij de kans te geven om deze studies te
doen.
Daarnaast is er een zeer speciaal persoon die mij veel geholpen heeft, mijn vriendin. Zij steunde mij
in alles en ving mij op als het wat tegen zat.
iii
iv
Samenvatting
Ribosoom-inactiverende proteïnen of RIP’s zijn enzymen die in staat zijn om de translatie te
inhiberen. Deze eiwitten zijn in sommige gevallen toxisch voor mens en dier (bijvoorbeeld ricine en
abrine). RIP’s worden aangemaakt door vele verschillende plantensoorten. Het is mogelijk dat RIP’s
een rol spelen in de verdediging van planten tegen verschillende vormen van biotische en abiotische
stress. Recent werden nieuwe chimere RIP’s ontdekt in het genoom van graangewassen, namelijk bij
tarwe en rijst. Deze RIP’s bevatten een tot nog toe onbeschreven domeinstructuur: een RIP-domein
gefuseerd met een domein dat homologie vertoont met peptidasen (het C19 of het M41 peptidase).
In deze thesis werd de lokalisatie van het RIP-C19 en RIP-M41 bestudeerd. Hiervoor werden
fusieconstructen aangemaakt waarbij eGFP N- of C-terminaal gekoppeld werd aan de coderende
sequentie van het RIP-M41 en het RIP-C19. De sequentie voor deze constructen werd via
Agrobacterium tumefaciens transient tot expressie gebracht in de bladeren van tabaksplanten. De
uitgevoerde experimenten tonen aan dat het RIP-M41 en het RIP-C19 vooral aanwezig zijn in het
cytoplasma. Aangezien toch beperkt wat fluorescentie werd waargenomen in de nucleus werd ook
een colokalisatiestudie uitgevoerd. Hierbij werd 4',6-diamidino-2-phenylindole (DAPI) in de bladeren
geïnjecteerd. Dit DAPI bindt met het DNA en kleurt de kern. Het signaal afkomstig van het eGFP (dat
gekoppeld was aan de constructen) overlapte amper met DAPI. Het RIP-M41 en het RIP-C19 zijn
aldus naar alle waarschijnlijkheid cytoplasmatische proteïnen.
In het verleden werd getracht om het RIP-M41 en het RIP-C19 tot expressie te brengen in BY-2
cellen. Hierbij werd een signaalpeptide aan de sequentie gefuseerd om als dusdanig de proteïnen te
laten terecht komen in het extracellulaire medium. Aangezien dit experiment geen aanleiding gaf tot
detecteerbaar proteïne werd in deze thesis geopteerd voor een andere strategie. Er werd een ERretentiesignaal aan de eiwitten geplaatst zodat de eiwitten niet in het extracellulaire medium terecht
kwamen. Wanneer na eiwitextractie western blot analyses werden uitgevoerd werden geen eiwitten
gedetecteerd. Een andere strategie was de heterologe expressie in Escherichia coli. Aangezien de
eiwitten cytoplasmatisch gelokaliseerd zijn, werden geen problemen verwacht bij de expressie in E.
coli. De heterologe expressie gebeurde met behulp van vectoren met een induceerbare expressie. Na
eiwitextractie werd eiwit gedetecteerd via western blotting in de onoplosbare fractie.
v
vi
Afkortingen
28S
28 Svedberg (eenheid sedimentatiesnelheid)
APS
Ammoniumpersulfaat
ATP
Adenosine trifosfaat
BBAP1
RIP uit Bougainvillea x buttiana
Bidest
Dubbel gedestilleerd water
Bp
Baseparen
BSA
Bovien serum albumine
BY-2
‘Bright Yellow 2’
CDS
Coderende DNA sequentie
DAP30
‘Dianthus anti-HIV proteins, 30kDa’
DAP32
‘Dianthus anti-HIV proteins, 32kDa’
DAPI
4',6-diamidino-2-phenylindole
DNA
Desoxyribonucleïnezuur
DNase
Desoxyribonuclease
dNTP’s
Deoxynucleotiden
DTT
Dithiothreitol
ECL
‘Enhanced chemiluminescence’
EDTA
Ethyleendiaminetetra-azijnzuur
eGFP
‘Enhanced green fluorescent protein’
eIF4E
Eukaryoot translatie initiatie factor 4E
ER
Endoplasmatisch reticulum
ERAD
Endoplasmatisch-reticulum-geassocieerd
degradatie mechanisme
GAP31
‘Gelonium anti-HIV protein, 31 kDa’
GST
‘Glutathion S-transferase’
HIV
‘Human immunodeficiency virus’
HRP
‘Horseradish peroxidase’
IPTG
Isopropyl-beta-D-thiogalactopyranoside
IRAb
Type 2 RIP uit Iris
IRIP
Type 1 RIP uit Iris
JIP60
‘Jasmonate inducible protein of 60kDa’
Kcat
Katalytische constante
kDa
Kilodalton
vii
KDEL
ER-retentiesignaal
LB
‘Lysogeny broth’
LRP
‘Low density
protein’
M
Mol/L
MAP30
‘Momordica anti-HIV protein, 30kDa’
Milli-Q
Ultrapuur water uit ‘Millipore Milli-Q lab water’
system’
MVB
‘Multivesicular bodies’
OD
Optische densiteit
PAG
Polynucleotide:adenosine glycosidase-activiteit
PAP
‘Pokeweed antiviral protein’
PaP
Peroxidase-antiperoxidase
PBS
Fosfaat buffer met zout
PCR
‘Polymerase chain reaction’
PIP2
‘Phytolacca insularis antiviral protein 2’
PMSF
Fenylmethaansulfonylfluoride
PR-proteïne
‘Pathogenesis related’-proteïne
PVDF
Polyvinylideenfluoride
RIP
Ribosoom-inactiverende proteïnen
RIP30
RIP-gedeelte van het JIP60
RNA
Ribonucleïnezuur
Rnase
Ribonuclease
rRNA
Ribosomaal ribonucleïnezuur
SDS-PAGE
Natriumdodecylsulfaat-polyacrylamide
gelektroforese
SNA-I
‘Sambuccus nigra agglutinin-I’
SNA-V
‘Sambuccus nigra agglutinin-V’
TAP29
‘Trichosanthes anti-HIV protein, 29 kDa’
TCS
Trichosanthine
TBST
‘Tris Buffered Saline, with Tween® 20, pH 8.0’
TEMED
Tetramethylethyleendiamine
tRNA
Translationeel ribonucleïnezuur
YEB
‘Yeast Extract Broth’
viii
lipoprotein
receptor-related
Inhoud
1
Ribosoom-inactiverende proteïnen ................................................................................................ 1
1.1
Inleiding ................................................................................................................................... 1
1.2
Verspreiding ............................................................................................................................ 1
1.3
Classificatie .............................................................................................................................. 2
1.4
Activiteiten .............................................................................................................................. 3
1.4.1
RNA N-glycosidase-activiteit ........................................................................................... 3
1.4.2
Polynucleotide:adenosine glycosidase-activiteit (PAG) .................................................. 4
1.4.3
Andere enzymatische activiteiten ................................................................................... 4
1.4.4
Regulatie van de enzymatische activiteit ........................................................................ 6
1.5
1.5.1
Toegang tot de cel ........................................................................................................... 6
1.5.2
Cytotoxiciteit ................................................................................................................... 8
1.6
2
Gewasbescherming ............................................................................................................... 10
2.1.1
Biotische stress .............................................................................................................. 10
2.1.2
Abiotische stress............................................................................................................ 12
2.2
4
Structuur ................................................................................................................................. 9
Toepassingen in biotechnologie.................................................................................................... 10
2.1
3
Cytotoxiciteit ........................................................................................................................... 6
Medische toepassingen......................................................................................................... 13
2.2.1
Antiviraal ....................................................................................................................... 13
2.2.2
Anticarcinogeen ............................................................................................................ 14
Type 3 RIP’s ................................................................................................................................... 15
3.1
JIP60 ...................................................................................................................................... 15
3.2
RIP-M41 ................................................................................................................................. 16
3.3
RIP-C19 .................................................................................................................................. 17
Materiaal en methoden ................................................................................................................ 19
4.1
‘Polymerase chain reaction’ .................................................................................................. 19
4.1.1
Standaard PCR ............................................................................................................... 19
4.1.2
Kolonie-PCR ................................................................................................................... 20
4.2
Agarose gelelektroforese ...................................................................................................... 20
4.3
Concentratiebepaling DNA , RNA en eiwit ............................................................................ 22
4.4
Analyse van eiwit................................................................................................................... 22
4.4.1
SDS-PAGE....................................................................................................................... 22
ix
4.4.2
Coomassiekleuring......................................................................................................... 23
4.4.3
Western blot analyse ..................................................................................................... 23
4.4.4
Bradford ......................................................................................................................... 24
4.5
4.5.1
Transformatie van competente cellen .......................................................................... 25
4.5.2
Gateway klonering......................................................................................................... 25
4.5.3
Klonering in pJET1.2....................................................................................................... 27
4.5.4
Gibson assembly ............................................................................................................ 28
4.5.5
Opzetten suspensieculturen van bacteriën ................................................................... 28
4.5.6
Glycerolstock ................................................................................................................. 28
4.5.7
Opzuiveren van plasmide-DNA ...................................................................................... 29
4.5.8
Sequentiebepaling DNA................................................................................................. 29
4.5.9
Eiwitexpressie in E. coli .................................................................................................. 29
4.6
5
Tabak en tabakscellen ........................................................................................................... 30
4.6.1
Triparentale mating ....................................................................................................... 30
4.6.2
Transiënte transformatie van tabaksbladeren .............................................................. 31
4.6.3
Infiltratie van DAPI in tabaksbladeren ........................................................................... 32
4.6.4
Stabiele transformatie van BY-2 cellen ......................................................................... 32
4.6.5
Screenen op fluorescentie ............................................................................................. 33
4.6.6
Extractie van nucleïnezuren uit BY-2 cellen .................................................................. 33
4.6.7
Eiwitextractie uit BY-2 suspensiecultuur ....................................................................... 34
Resultaten...................................................................................................................................... 35
5.1
6
Escherichia coli en Agrobacterium tumefaciens .................................................................... 25
Lokalisatie van RIP-M41 en RIP-C19 ...................................................................................... 35
5.1.1
Aanmaak van de lokalisatieconstructen ........................................................................ 35
5.1.2
Transformatie van Agrobacterium tumefaciens............................................................ 39
5.1.3
Transiënte expressie in Nicotiana benthamiana ........................................................... 39
5.2
Colokalisatie van RIP-M41 en RIP-C19 met DAPI .................................................................. 40
5.3
Heterologe expressie van RIP-M41 en RIP-C19 in BY-2 cellen .............................................. 41
5.3.1
KDEL-constructen .......................................................................................................... 42
5.3.2
Expressie in E. coli .......................................................................................................... 50
Discussie ........................................................................................................................................ 57
6.1
Lokalisatie .............................................................................................................................. 57
6.2
Heterologe expressie ............................................................................................................. 59
6.2.1
Heterologe expressie in BY-2 cellen .............................................................................. 59
x
6.2.2
Heterologe expressie in E. coli ...................................................................................... 62
7
Conclusie en ideeën voor verder onderzoek ................................................................................ 66
8
Referenties .................................................................................................................................... 67
9
Bijlagen .......................................................................................................................................... 80
9.1
Gebruikte primers ................................................................................................................. 80
9.2
DNA sequenties RIP-M41 en RIP-C19.................................................................................... 83
9.3
Vectoren ................................................................................................................................ 84
9.3.1
Lokalisatie en colokalisatie ............................................................................................ 84
9.3.2
Heterologe expressie in BY-2 cellen .............................................................................. 88
9.3.3
Heterologe expressie in E. coli ...................................................................................... 90
9.4
Foto’s lokalisatie en colokalisatie .......................................................................................... 92
9.4.1
Lokalisatie in blad van N. benthamiana ........................................................................ 92
9.4.2
Colokalisatie in blad van N. benthamiana ..................................................................... 97
xi
1 Ribosoom-inactiverende proteïnen
1.1 Inleiding
Ribosoom-inactiverende proteïnen (RIP’s) zijn proteïnes die de ribosomen irreversibel inhiberen
waardoor de translatie in de cel stopt (Nielsen K., Boston S. R. 2001). Het belang van ribosoominactiverende proteïnen (RIP’s) voor de verdediging van de plant werd voor het eerst beschreven in
1925. Toen werd opgemerkt dat bepaalde componenten uit extracten van Phytolacca americana
waarin het RIP PAP (“pokeweed antiviral protein”) voorkomt beschikken over antivirale
eigenschappen (Irvin J. D. 1983).
Men heeft ontdekt dat in sommige planten de expressie van RIP’s wordt opgereguleerd bij
senescentie (Chaudhry B. et al. 1994, Rippmann J. F. et al. 1997, Stirpe F. et al. 1996), verschillende
types van stress (Reinbothe S. et al. 1994, Rippmann J. F. et al. 1997, Stirpe F. et al. 1996), virale
infectie (Girbés T. et al. 1996, Iglesias R. et al. 2005) en door micro-organismen (Wong R. N. S. et al.
1995). Al deze data wijzen op een rol van de RIP’s in de verdediging van de plant. Ook vanuit de
medische wereld is er interesse in de RIP’s (Stirpe F. en Battelli M. G. 2006) omwille van het feit dat
sommige RIP’s meer toxisch zijn voor tumorcellen dan voor normale cellen en de cytotoxische
activiteit van RIP’s in het algemeen. Deze RIP’s zouden dus gebruikt kunnen worden voor het maken
van antitumor geneesmiddelen (Lin J. Y. et al. 1970, Zou L. B., Zhan J. B. 2005). Tevens is er op
medisch vlak ook interesse in de antivirale eigenschappen van RIP’s, bijvoorbeeld voor de bestrijding
van het HIV-virus (McGrath M. S. et al. 1989, Zarling J. M. et al. 1990) en andere virussen (Kaur I. et
al. 2013).
In het eerste deel van deze thesis zal het voorkomen, de classificatie, de activiteiten en de structuur
van RIP’s besproken worden en tenslotte zal dieper worden ingegaan op hun mogelijke
toepassingen.
1.2 Verspreiding
RIP’s werden voor het eerst ontdekt in extracten van Phytolacca americana (Irvin J. D. 1983), maar
werden later ook teruggevonden in een groot aantal planten van taxonomisch uiteenlopende
families zoals de Caryophyllaceae, Cucurbitaceae, Euphorbiaceae, Nyctaginaceae, Phytolaccaceae en
de Poaceae (Peumans W., Van Damme E. 2010). De RIP’s zijn wijdverspreid over het plantenrijk en in
verschillende concentraties aanwezig in veel verschillende planten (Stirpe F., Battelli M. G. 2006). De
meeste RIP’s werden geïsoleerd uit bladeren, stengels en zaden (Wang S. et al. 2012). Sommige RIP’s
zijn zeer bekend omwille van hun toxiciteit voor de mens (bijvoorbeeld ricine) (Peumans W., Van
Damme E. 2010). Toch worden sommige RIP bevattende planten rauw gegeten zoals tomaten
(Barbieri L. et al. 2006) en spinazie (Ishizaki, T. et al. 2002, Prestle J. et al. 1992). Ook een aantal
graangewassen bevatten RIP’s waaronder tarwe, maïs en gerst (Coleman W. H., Roberts W. K. 1982).
Aangezien er geen genen voor ribosoom-inactiverende proteïnes aanwezig zijn in Arabidopsis
thaliana is het duidelijk dat de RIP-genen niet geconserveerd zijn over het hele plantenrijk en dat
RIP’s dus geen functie hebben in een universeel proces (Stirpe F. 2013). Genen voor RIP’s werden ook
buiten het plantenrijk teruggevonden in verschillende bacteriën, fungi (Nielsen K., Boston S. R. 2001)
en in ten minste één alg namelijk in Laminaria japonica (Girbés T. et al. 2004). Lapadula W. J. et al.
(2013) vonden ook RIP-genen in twee insecten, namelijk de muggen Aedes aegypti en Culex
1
quinquefasciatus. In cellen en weefsels van zoogdieren werd er een glycosylase-activiteit opgemerkt
die gelijkaardig was aan die van RIP’s, maar deze was eerder zwak en het proteïne kon niet
opgezuiverd worden (Barbieri L. et al. 2001).
1.3 Classificatie
Ribosoom-inactiverende proteïnes worden geclassificeerd als EC 3.2.2.22 N-glycosidasen die een
geconserveerde lus herkennen in het 23S/25S/28S rRNA (de Virgilio M. et al. 2010). Dit wil zeggen
dat RIP’s een specifieke adenine verwijderen uit het ribosomaal RNA. RIP’s worden in drie groepen
onderverdeeld naargelang hun structuur (Mundy, J. et al. 1994). De verschillende groepen, samen
met enkele typevoorbeelden, zijn weergegeven in Figuur 1.
De eerste groep omvat de type 1 RIP’s die bestaan uit slechts een RNA N-glycosidase-domein. De
meeste type 1 RIP’s zijn intacte polypeptiden van +/- 30 kDa, doch zijn er ook type 1 RIP’s waarvan de
30kDa keten in twee stukken geknipt wordt. Deze zogenaamde tweeketen type 1 RIP’s (“two-chain
type 1 RIP’s”) bestaan uit een alpha- en een beta-keten die samengehouden worden door nietcovalente bindingen (Peumans W. J. et al. 2001).
De tweede groep bevat de type 2 RIP’s die bestaan uit twee domeinen. Het amino-terminale
gedeelte (de A-keten) is een RNA N-glycosidase-domein gelijkaardig aan de type 1 RIP’s. Het carboxyterminale domein (de B-keten) is een lectine-domein en kan dus met suikerstructuren binden. Deze
domeinen zijn samen aanwezig op een precursor eiwit. Gedurende de post-translationale modificatie
van het eiwit zullen de domeinen gescheiden worden van elkaar door het uitknippen van een
linkerpeptide, maar de domeinen blijven verbonden door een disulfidebinding (Peumans W. J. et al.
2001).
Een derde groep bevat de type 3 RIP’s. De type 3 RIP’s bestaan eveneens uit twee domeinen,
namelijk een amino-terminaal gedeelte met RNA N-glycosidase-activiteit en daaraan gekoppeld een
carboxy-terminaal niet-lectine-domein (Peumans W. J. et al. 2001).
Figuur 1: Illustratie van de verschillende types van RIP’s (figuur naar Peumans W. J. et al. 2001).
2
1.4 Activiteiten
1.4.1 RNA N-glycosidase-activiteit
RIP’s zijn enzymen die de eiwitsynthese kunnen verhinderen door het ribosomaal RNA (rRNA)
irreversibel te modificeren waardoor de translatie niet kan doorgaan. Het modificeren van het rRNA
gebeurt niet willekeurig maar volgens een specifiek mechanisme. Zo wordt een welbepaald
adenineresidu verwijderd uit een geconserveerd deel van het 28S ribosomaal RNA, de sarcine/ricine
lus genaamd. Deze enzymatische activiteit van RIP’s wordt aangeduid met de term “rRNA Nglycosidase-activiteit” (Peumans W. J. et al. 2001).
De sarcine/ricine lus, ook wel alfa-sarcine lus genoemd, is een regio van 14 nucleotiden. De adenine
die specifiek verwijderd wordt uit deze lus is de eerste van de zogenaamde GAGA sequentie, nl.
adenine 4324 in rRNA uit de lever van ratten (Figuur 2) (Correll C. C. et al. 1998, Endo Y., Tsurugi K.
1988, Gutell R. R. et al. 1993, Orita M. et al. 1993). Deze alpha-sarcine lus is universeel geconserveerd
en noodzakelijk voor de correcte werking van de ribosomen. Ook heel wat ribotoxines (niet enkel de
RIP’s) hebben deze alpha-sarcine lus als doelwit voor hun activiteit (Xinying S. et al. 2012). De
modificatie van het ribosomaal rRNA door RIP’s is irreversibel en verhindert de binding van
elongatiefactor 2 aan het ribosoom, waardoor het onmogelijk wordt voor het ribosoom om de
translatie verder te zetten (Nielsen K., Boston S. R. 2001).
De Kcat (dit is het aantal substraat moleculen dat gemodificeerd wordt per molecule enzym per
seconde of per minuut) voor de toxische RIP’s ricine en abrine bedraagt 103 min-1 voor ribosomen uit
andere organismen dan planten. Dit wil zeggen dat slechts één molecule van deze RIP’s voldoende is
om een dierlijke cel te doden (Olsnes S., Pihl A. 1982).
Figuur 2: Voorstelling van het 28S rRNA en de werking van RIP’s (Stirpe F. et al. 1992, Stirpe F., Battelli
M. G. 2006).
Tussen de verschillende RIP’s zijn er grote verschillen in substraatspecificiteit (Peumans W. J. et al.
2001). Ricine is bijvoorbeeld zeer actief ten opzichte van de ribosomen van zoogdieren maar weinig
tot niet actief ten opzichte van ribosomen van planten en E. coli (Barbieri L. et al. 1993). PAP
daarentegen is actief tegenover ribosomen van zowel planten, dieren als bacteriën (Peumans W. J. et
al. 2001). Er werd opgemerkt dat type 1 RIP’s vaak een vrij brede substraatspecificiteit hebben terwijl
3
type 2 RIP’s vaak actiever zijn tegen dierlijke ribosomen. Aangezien de rRNA sequentie die het
doelwit is van de RIP’s geconserveerd is, ligt de basis van de substraatspecificiteit bij de ribosomale
proteïnes en in de structuur van de verschillende RIP’s (Peumans W. J. et al. 2001). Opdat RIP’s hun
activiteit kunnen uitvoeren, moeten ze eerst binden aan ribosomale proteïnes. De complementariteit
van de RIP’s en hun bindingspartner (het specifieke ribosomale proteïne) is dus zeer belangrijk. Zo
zijn bijvoorbeeld de L9 en L10e ribosomale proteïnen in de levercellen van de rat de bindingspartners
voor de ricine A-keten terwijl het L3 ribosomale proteïne in gist zal associëren met PAP (Hudak K. A.
et al. 1999, Vater C. A. et al. 1995).
RIP’s zijn ook actief op vrij rRNA, hoewel minder efficiënt in vergelijking met het rRNA in de
ribosomen (Endo Y. et al. 1991). Waarschijnlijk kunnen RIP’s naakt rRNA herkennen uit ribosomen
waartegen deze RIP’s actief zijn. Er zijn echter ook RIP’s die naakt RNA kunnen depurineren van
ribosomen waar diezelfde RIP’s niet actief tegenover zijn. Dit wijst op het feit dat de ribosomale
proteïnen belangrijk zijn bij de herkenning. Naakt rRNA is waarschijnlijk niet belangrijk als
fysiologisch doelwit van de RIP-activiteit in vivo aangezien RIP’s veel actiever zijn tegenover RNA in
de ribosomen (Peumans W. J. et al. 2001).
1.4.2 Polynucleotide:adenosine glycosidase-activiteit (PAG)
Verschillende RIP’s zijn in staat om verschillende adenines te verwijderen van het rRNA buiten de
alpha-sarcine loop (Barbieri L. et al. 1992). Sommige RIP’s reageren met DNA uit haring sperma,
poly(A) en tRNA (Barbieri L. et al. 1994, Barbieri L. et al. 1997). Een aantal RIP’s zijn in staat om te
reageren met RNA van het tabaksmozaïekvirus (Barbieri L. et al. 1997) of met RNA’s met een 5’ cap
(Hudak K. A. et al. 2000). Bepaalde RIP’s kunnen ook inwerken op nucleair en mitochondriaal DNA uit
zoogdieren (Barbieri L. et al. 2000). RIP’s verschillen van elkaar in hun substraatspecificiteit (Peumans
W. J. et al. 2001).
Naast het verwijderen van adenine residuen werden ook gevallen beschreven waar RIP’s guanine
residuen verwijderen van zowel prokaryoot als eukaryoot RNA (Peumans W. J. et al. 2001). PAP en
ricine bijvoorbeeld zijn in staat om guanine 4323 te verwijderen uit de alpha-sarcine lus in ribosomen
uit ratten (Endo Y. et al. 1987).
1.4.3 Andere enzymatische activiteiten
Naast de RNA N-glycosidase-activiteit en de polynucleotide:adenosine glycosidase-activiteit zijn er
nog heel wat andere activiteiten die aan RIP’s worden toegeschreven. De meeste ervan zijn
gerelateerd met DNase- of RNase-activiteit (Peumans W. J. et al. 2001). Andere mogelijke activiteiten
die beschreven zijn voor sommige RIP’s zijn: fosfatase-activiteit op lipiden en nucleotiden, chitinaseactiviteit en superoxidedismutase-activiteit (Chen H. et al. 1996, Helmy M. et al. 1999, Li X. D. et al.
1996, Remi Shih N. R. et al. 1997). Het verschil van PAG en N-glycosidase-activiteit met DNAse- en
fosfatase-activiteit is weergegeven in Figuur 3. De DNase- en fosfatase-activiteit zijn gericht op het
verbreken van een verbinding tussen zuurstof en fosfor. Terwijl de PAG-activiteit een verbinding
tussen stikstof en koolstof verbreekt.
4
Figuur 3: Illustratie van de verschillende mogelijke activiteiten van RIP’s (Domashevskiy A. V., Goss D.
J. 2015).
De verschillende enzymatische activiteiten van RIP’s zijn weergegeven in Tabel 1.
Tabel 1: Enzymatische activiteiten van RIP’s (tabel naar Peumans W. J. et al. 2001. Referenties:
Barbieri L. et al. 1997, Chen H. et al. 1996, Endo Y. et al. 1987, Endo Y., Tsurugi K. 1987, Girbes T. et al.
1993, Habuka N. et al. 1991, Helmy M. et al. 1999, Li M. X. et al. 1991, Mock J. W. et al. 1996, Nicolas
E. et al. 1997, Nicolas E. et al. 1998, Nicolas E. et al. 2000, Prestle J. et al. 1992, Remi Shih N. R. et al.
1997, Roncuzzi L., Gasperi-Campani A. 1996, Taylor B. E., Irvin J. D. 1990)
Activiteit
Substraat
Product
RIP
RNA N-glycosidase
Ribosomen:
Dier
Plant
Bacterie
Adenine
Adenine
Adenine
Alle RIP’s
Meeste type 1 en sommige type 2 RIP’s
Meeste type 1 en sommige type 2 RIP’s
Polynucleotide:adenosine
glycosidase
Nucleïnezuren
Adenine
Alle RIP’s
Ribonuclease
RNA, poly(U)
Geknipt RNA
Α en β momorcharine
DNase
Supercoiled DNA
Lineair en
geknipt
(knicked)DNA
Trichosanthine, saporine, gelonine
DNA glycosidase/AP lyase
DNA (supercoiled en
lineair)
Adenine
Ricine, gelonine, PAP
Fosfatase
Fosfolipide AMP
Ricine, trichosanthine
Chitinase
Chitine
Trichosanthes kirilowii RIP
5
1.4.4 Regulatie van de enzymatische activiteit
De aanwezigheid van cofactoren is belangrijk voor de activiteit van verschillende RIP’s. Zo hebben
bijvoorbeeld gelonine en PAP nood aan ATP voor hun enzymatische activiteit maar saporine en
momordine niet (Carnicelli D. et al. 1992). Ook tRNA’s kunnen de activiteit van RIP’s beïnvloeden.
Tritine-S bijvoorbeeld wordt gelijkaardig gestimuleerd door verschillende tRNA’s, maar gelonine
wordt enkel gestimuleerd door tRNAtrp van zoogdieren en van vogels (Brigotti M. et al. 1995, Brigotti
M. et al. 1996, Brigotti M. et al. 1998, Brigotti M. et al. 1999).
Er zijn ook inhibitoren van RIP’s geïdentificeerd. Niet verassend blijkt adenine een inhibitor te zijn van
de enzymatische activiteit van RIP’s. Adenine wordt vrijgesteld door zowel de RNA N-glycosidaseactiviteit als de polynucleotide:adenosine glycosidase-activiteit van RIP’s. Adenine gedraagt zich in
dat geval als een oncompetitieve inhibitor van RIP’s door te gaan binden aan het enzym-substraat
complex (Pallanca A. et al. 1998). Andere inhibitoren zoals bijvoorbeeld pteroïnezuur kunnen de
activiteit van ricine inhiberen (Yan X. et al. 1997).
1.5 Cytotoxiciteit
De toxiciteit van verscheidene RIP’s kan sterk verschillen (Battelli M. G. 2004, Stirpe F. 2004). De
redenen hiervoor zijn waarschijnlijk te vinden in de binding aan moleculen op het oppervlakte van
cellen en de mogelijkheid van een RIP om het cytoplasma van de cel te bereiken. Andere redenen zijn
degradatie en mogelijke exocytose van de proteïnen (Stirpe F., Battelli M. G. 2006). De toxiciteit van
RIP’s werd vooral beschreven in dierlijke cellen. Maar RIP’s kunnen ook toxisch zijn ten opzichte van
plantencellen. In zoogdiercellen werd aangetoond dat door de schade aan het 28S rRNA een speciale
kinase pathway geïnduceerd kan worden, die apoptose veroorzaakt. Dit wordt de ribotoxische stress
respons genoemd (Iordanov M. S. et al. 1997). Het is dus mogelijk dat RIP’s apoptose kunnen
induceren door de ribosomen te beschadigen.
1.5.1 Toegang tot de cel
1.5.1.1 Verschil tussen type 1 en type 2 RIP’s
Type 2 RIP’s zijn in staat om te binden aan suikerstructuren (meestal galactose) die aanwezig zijn aan
de oppervlakte van cellen. Deze binding kan leiden tot de opname van het RIP in de cel. De manier
waarop type 2 RIP’s in de cellen binnenkomen en wat er met de RIP’s gebeurt, is voor enkele RIP’s
onderzocht (Stirpe F. 2005).
Type 1 RIP’s hebben geen lectine-domein en worden daardoor veel minder efficiënt opgenomen
door cellen. Maar indien deze type 1 RIP’s toch in de cel kunnen binnendringen kunnen ze in
sommige gevallen even toxisch zijn als de toxische type 2 RIP’s. Type 1 RIP’s kunnen de cel
binnenkomen via pinonocytose (Madan S., Ghosh P. C. 1991) of door de α2-macroglobuline receptor
(‘low density lipoprotein receptor-related protein’)(Cavallaro U. et al. 1995). Wanneer men type 1
RIP’s of de RIP-domeinen van type 2 RIP’s vastmaakt aan antilichamen of groeifactoren kunnen ze
ook in de cel terechtkomen. Dit heeft dan ook mogelijke toepassingen in de geneeskunde (zie later).
1.5.1.2 Mechanisme
Veel onderzoek naar de internalisering van RIP’s werd gedaan met ricine doch niet alle type 2 RIP’s
volgen dezelfde weg als ricine (Walsh M. J. et al. 2013). Hieronder wordt ricine besproken als een
voorbeeld van internalisatie van type 2 RIP’s in de cel.
6
Vooraleer RIP’s hun toxische effecten kunnen uitvoeren moeten ze eerst tot in het cytosol geraken.
In eerste instantie moeten RIP’s binden aan glycoproteïnen of glycolipiden aan de oppervlakte van de
cel. Voor verschillende RIP’s werden verschillende endocytose processen gerapporteerd. De
endocytose van sommige RIP’s is afhankelijk van clathrine (Barbieri L. et al. 1993). In dit proces speelt
het trans-golgi-netwerk een zeer belangrijke rol (Sandvig K., van Deurs B. 1996). Proteïnen die een
signaal (KDEL) hebben om terug te keren naar het endoplasmatisch reticulum (ER), worden
getransporteerd tot het trans-golgi-netwerk en keren dan dankzij dat KDEL-signaal terug naar het ER
(Stirpe F., Battelli M. G. 2006). Type 2 RIP’s zoals ricine bevatten een lectine-domein dat in het geval
van ricine galactose kan binden. Galactose is vaak aanwezig in de suikerstructuren van
geglycosyleerde proteïnen. Het is mogelijk dat ricine via zijn lectine-domein bindt aan een
geglycosyleerd proteïne dat een dergelijke KDEL-sequentie bevat. Daardoor zou ricine mee kunnen
liften met dit proteïne naar het ER (Lord J. M., Roberts L. M. 1998). In het ER kunnen dan de A- en de
B-keten van ricine gescheiden worden van elkaar door proteïne disulfide isomerase (Spooner R. A. et
al. 2004). De vrije ricine A-keten kan dan naar het cytosol migreren. Er zijn aanwijzingen dat dit
gebeurt via het endoplasmatisch reticulum associated degradation mechanisme of ERAD. De vrije Aketen kan door de cel herkend worden als een onvolledige polypeptide. Het is aangetoond dat de Aketen kan interageren met het ER membraan (en met negatief geladen lipide vesikels). Door die
interactie zou de A-keten een beter substraat worden voor de ERAD pathway (Lombardi A. et al.
2010, Mayerhofer P. U. et al. 2009). Normaal gezien worden dergelijke proteïnen naar het cytosol
getransporteerd, gepolyubiquitinyleerd en vervolgens afgebroken door het proteasoom (Tsai B. et al.
2002). De ricine A-keten kan getransporteerd worden naar het cytosol, maar zou daarna ontsnappen
aan de degradatie (Lord J. M., Roberts L. M. 1998, Rapak A. et al. 1997), waarschijnlijk omdat ricine
vrij weinig lysine bevat (Deeks E. D. et al. 2002). In het cytosol kan de A-keten inwerken op de
ribosomen. De mogelijkheid van ricine om het proteasoom te ontwijken is zeer belangrijk voor de
toxiciteit ervan (Roberts L. M., Lord J. M. 2004).
In Figuur 4 zijn de verschillende wegen weergegeven waarlangs ricine, saporine (type 1 RIP) en
trichosanthine (type 1 RIP) toegang krijgen tot het cytosol van dierlijke cellen. In Figuur 4.A is te zien
hoe ricine bindt met galactose-bevattende glycoproteïnes die op het celoppervlak voorkomen. Na
endocytose zal ricine via endosomen naar de lysosomen (niet in de figuur) gaan, of via endosomale
sortering naar het trans-golgi-netwerk (Amessou M. et al. 2007). Dan zal ricine naar het ER
getransporteerd worden waar de A- en de B-keten zullen gescheiden worden. De A-keten zal dan via
ERAD in het cytosol terecht komen. De A-keten kan dan ontsnappen aan degradatie en hervouwen in
het cytosol (Li S. et al. 2010). Dit hervouwen in het cytosol gebeurt deels dankzij chaperones
(Spooner R. A. et al. 2008). In Figuur 4.B is de opname van saporine geïllustreerd. Saporine bindt aan
de cel via een ‘low density lipoprotein receptor-related protein’ of LRP. Na de binding zal er
endocytose plaatsvinden en op een nog onbekende manier zal saporine in het cytosol terecht
komen. In Figuur 4.C is te zien dat trichosanthine in “Multivesicular bodies” of MVB’s kan terecht
komen. Wanneer deze MVB’s fuseren met het plasmamembraan komen vesikels met trichosanthine
erin vrij. Deze vesikels difunderen en smelten samen met andere cellen (de Virgilio, M. et al. 2010).
7
Figuur 4: De verschillende mechanismen waardoor ricine (A), saporine (B) en trichosanthine (C)
toegang krijgen tot het cytosol van dierlijke cellen. RTA is de A-keten van ricine, RTB is de B-keten van
ricine (de Virgilio M. et al. 2010).
1.5.2 Cytotoxiciteit
RIP’s kunnen verschillende pathways activeren die leiden tot apoptose. Zhang C. Y. et al. (2000)
toonden aan dat cellen (menselijke choriocarcinoma cellen) die behandeld werden met
trichosanthine apoptose ondergingen. Wanneer men echter α-tocopherol (beschermt de cel tegen
schade veroorzaakt door reactieve zuurstofspecies) toediende aan deze cellen verhoogden de
overlevingskansen van deze cellen aanzienlijk. Hieruit kan besloten worden dat door de behandeling
met trichosanthine de cellen meer reactieve zuurstof species zullen produceren. Uit onderzoek van
Komatsu N. et al. (1998) en Oda T. et al. (1998) bleek dat wanneer men inhibitoren toevoegde tegen
serine proteasen en caspasen dat ricine geen apoptose meer kan induceren (Komatsu N. et al. 1998,
Oda T. et al. 1998). In een tweede onderzoek werd opgemerkt dat ricine ook in staat is om
geprogrameerde celdood te induceren via de redox regulatie van de thiol-groep van proteïnen. Deze
twee pathways (apoptose door redox regulatie en de caspase-pathway) om apoptose te induceren
bleken onafhankelijk te zijn van elkaar (Oda T. et al. 1999). Ook werd er aangetoond dat tumornecrosis-factor-α belangrijk is in de apoptose die veroorzaakt wordt door ricine (Hassoun E., Wang X.
2000). Dit wijst op de mogelijkheid dat RIP’s verschillende pathways kunnen induceren om apoptose
te veroorzaken.
Het is mogelijk dat RIP’s via de schade aan ribosomen apoptose induceren. Toch is er evidentie dat
het cytotoxische effect van RIP’s niet enkel door de inhibitie van de translatie wordt veroorzaakt
(Stirpe F., Battelli M. G. 2006). Barbieri en collega’s vonden dat RIP’s adenine kunnen verwijderen uit
de ADP-ribose keten in geactiveerd poly(ADP-ribose) polymerase. Poly(ADP-ribose) polymerase is
belangrijk bij het herstellen van DNA. De schade die de RIP’s veroorzaken aan poly(ADP-ribose)
polymerase kan het herstellen van het DNA inhiberen (Barbieri L. et al. 2003). Het verwijderen van
het adenineresidu uit poly(ADP-ribose) polymerase blijkt onafhankelijk te zijn van de inhibitie van de
8
proteïnesynthese (Sestili P. et al. 2005). Ricine en shiga-toxine kunnen nucleair DNA beschadigen in
endotheliale cellen. Bij beiden gebeurt het beschadigen van het DNA lang voordat apoptose zelf
begint, wat wil zeggen dat de beschadiging van DNA geen gevolg kan zijn van apoptose (Brigotti M. et
al. 2002). Beschadiging van DNA is echter wel een mogelijke oorzaak voor apoptose (Roos W. P.,
Kaina B. 2006). De geïsoleerde B-keten van ricine kan eveneens apoptose induceren, waarschijnlijk
door het linken van moleculen op de oppervlakte van cellen (Hasegawa N. et al. 2000). Wat dus wijst
op het feit dat de inhibitie van de translatie door RIP’s gescheiden kan zijn van de cytotoxische
eigenschappen.
1.6 Structuur
De aminozuursequenties van een groot aantal RIP’s zijn gekend. Bij het vergelijken van de primaire
structuren is er een hoge graad van sequentie-identiteit tussen type 1 RIP’s en de A-ketens van de
type 2 RIP’s, evenals tussen de B-ketens van verschillende type 2 RIP’s. De gelijkenis in de aminoterminale sequenties van RIP’s is hoger dan voor de carboxy-terminale gedeelten die dus minder
geconserveerd zijn (Peumans W. J. et al. 2001). De variabiliteit in de sequentie van de carboxyterminale delen van de RIP-domeinen kan aan de basis liggen van de verschillen in enzymatische
activiteiten en substraatspecificiteit tussen verschillende RIP’s (Hartley M. R. et al. 1996).
Ook de tertiaire en quaternaire structuren van de A-ketens van een aantal type 2 RIP’s en type 1
RIP’s zijn bekend. De meeste verschillen in de driedimensionale structuur van RIP’s zijn te vinden in
lussen die aan de oppervlakte gelegen zijn of in het carboxy-terminale gedeelte (waar ook de
grootste verschillen in de aminozuursequentie gelokaliseerd zijn). De tertiare structuren van RIP’s zijn
beter geconserveerd dan de primaire structuren zoals te zien is in Figuur 5, daarin zijn de
driedimensionale structuren van een aantal type 1 RIP’s en de A-keten van ricine weergegeven
(Peumans W. J. et al. 2001).
Als men de driedimensionale structuur bekijkt van RIP’s zijn er twee delen te zien: een N-terminaal
deel die vooral bestaat uit beta-platen en een C-terminaal deel met vooral alpha-helices (de Virgilio
M. et al. 2010). Essentieel voor de N-glycosidase-activiteit van RIP’s zijn de residuen die de actieve
site van het enzyme uitmaken. In saporine-6 zijn de actieve residuen Tyr72, Tyr120, Glu176, Arg179 en
Trp208 (Bagga S. et al. 2002). Deze actieve residuen komen in bijna alle RIP’s voor. Glutaminezuur en
arginine zijn belangrijk in de katalytische activiteit zelf terwijl de twee tyrosine residuen samen met
het tryptofaan residu belangrijk zijn in de substraatbinding (Chen J. K. et al. 1997, Katiyar S. P. et al.
2011).
9
Figuur 5: Driedimensionale structuren van verschillende types 1 RIP’s en de A-keten van ricine. Vijf
geconserveerde residuen in de actieve site zijn gekleurd weergegeven. Blauw is ricine, thrichosanthine
in rood, PAP in groen, bouganine in geel en gelonine in het oranje (de Virgilio M. et al. 2010).
2 Toepassingen in biotechnologie
2.1 Gewasbescherming
Het zoeken naar de biologische functie van RIP’s wordt bemoeilijkt door de heterogeniteit binnen de
familie van de RIP’s. Zo zijn RIP’s zoals PAP zeer actief tegen zowel plantenribosomen als ribosomen
van zoogdieren, terwijl andere RIP’s zoals die van de granen een vrij lage activiteit vertonen tegen
plantenribosomen maar een hoge activiteit tegen de ribosomen van zoogdieren (Hartley M. R. et al.
1996, Hartley M. R, Lord J. M. 1993, Madin K. et al. 2000). Er is bijvoorbeeld 103 meer ricine nodig om
ribosomen uit tarwe te depurineren dan om ribosomen van zoogdieren te depurineren (Massiah A.
J., Hartley M. R. 1995).
Heel wat onderzoeken gaven indicaties dat type 1 en type 2 RIP’s een rol spelen in de bescherming
van planten. Type 1 RIP’s blijken veelal antivirale activiteit te bezitten, daar waar de type 2 RIP’s
eerder toxisch zijn aangezien deze RIP’s via hun B-keten veel beter in staat zijn om in het cytoplasma
te raken van cellen. Dit is echter enkel mogelijk in dierlijke cellen aangezien fungi en bacteriën ook
beschikken over een celwand (Domashevskiy A. V., Goss J. D. 2015). Toch zijn er ook RIP’s bekend
met een antifungale of een antimicrobiële werking (Wang S. et al. 2012). De aanwezigheid van zeer
toxische RIP’s kan bijvoorbeeld de zaden beschermen zoals het geval is bij ricine. Ook minder
toxische type 2 RIP’s kunnen accumuleren en daardoor toxische effecten veroorzaken mocht een
herbivoor grote hoeveelheden van de plant in kwestie eten (Peumans W. J. et al. 2001). Er zijn ook
type 2 RIP’s die een gelijkaardige structuur hebben aan de toxische type 2 RIP’s maar zelf slechts
weinig toxisch zijn (Stirpe F. 2005).
2.1.1 Biotische stress
2.1.1.1 Antivirale activiteit
Virussen zijn vrij belangrijke oorzaken van plantenziekten. In tegenstelling tot fungi en insecten zijn
er geen commerciële chemische middelen die kunnen gebruikt worden in de bestrijding van virussen.
Zowel type 1 als type 2 RIP’s zijn getest voor antivirale activiteit (Kaur I. et al. 2011, Wang P., Tumer
10
N. E. 2000). Verhoogde virusresistentie werd opgemerkt in struisgras en tabak wanneer deze PAP
transgeen tot expressie brachten (Dai W. D. et al. 2003, Lodge J. K. et al. 1993). Ook werd opgemerkt
dat wanneer men tabak transformeerde met het gen voor JIP60 er een verhoogde virusresistentie op
te merken was (Görschen E. et al. 1997). BBAP1, een RIP uit Bougainvillea xbuttiana kan
tabaksplanten die behandeld werden met het opgezuiverde proteïne beschermen tegen het
tabaksmozaïek virus (Choudhary N.L. et al. 2008a). BBAP1 kan eveneens beschermen tegen het
sunnhemp rosette virus (Choudhary N.L. et al. 2008b).
Vooral voor type 1 RIP’s werden antivirale eigenschappen beschreven, terwijl dit minder frequent
beschreven wordt voor type 2 RIP’s (Vandenbussche F. et al. 2004). Zo werden de antivirale
eigenschappen in planta reeds bewezen voor type 2 RIP’s uit Sambucus nigra namelijk SNA-I en SNAV (Chen Y. et al. 2002, Vandenbussche F. et al. 2004). Een type 2 RIP uit Iris namelijk IRAb bleek net
zoals een type 1 RIP uit Iris, IRIP antivirale eigenschappen te bezitten (Vandenbussche F. et al. 2004).
Het exacte mechanisme waarmee RIP’s virale infecties tegenhouden is niet bekend. De mogelijkheid
bestaat dat de RIP’s de ribosomen inhiberen waardoor de replicatie van virussen wordt
tegengehouden. De RIP’s kunnen dan aanwezig zijn in compartimenten, weg van de ribosomen en bij
infectie kunnen vervolgens de RIP’s getransloceerd worden naar het cytosol (Domashevskiy A. V.,
Goss D. J. 2015). Specifieke signalen kunnen dan in theorie de verplaatsing van RIP’s veroorzaken of
een eventuele inhibitor van RIP’s verwijderen (Desvoyes B. et al. 1997). In onderzoek met saporine
werd gevonden dat het afknippen van een signaalpeptide een belangrijke stap was in de activatie van
het RIP in kwestie. Wanneer men mutaties aanbracht die het afknippen van die signaalpeptide
beïnvloedde, zag men een vermindering van de cytotoxiciteit tegenover de cellen van de waardplant
(Marshall R. S. et al. 2010). Een andere mogelijkheid is dat RIP’s pas worden geproduceerd als
respons op de aanwezigheid van het virus (Girbés T. et al. 1996).
In andere onderzoeken vond men dat RIP’s mogelijks direct inwerken op het virus en niet op de
ribosomen. Zo kan het zijn dat RIP’s viraal DNA of RNA depurineren of andere componenten die
belangrijk zijn voor de virale replicatie inhiberen. Zo is PAP bijvoorbeeld in staat om de translatie van
RNA met een 5’cap te inhiberen zonder het inactiveren van de ribosomen (Hudak K. A. et al. 2000).
Ook heel wat virussen zonder 5’cap kunnen door PAP geïnhibeerd worden (Chen Z. et al. 1991). Een
andere mogelijkheid is dat RIP’s de verdediging van de plant activeren. Zo vond men in onderzoek
dat PAP en een enzymatisch inactieve mutant van PAP de expressie van PR-proteïnen verhoogden in
tabaksplanten die getransformeerd waren met het DNA voor PAP of de mutant (Zoubenko O. et al.
1997).
2.1.1.2 Antifungale activiteit
Schimmels veroorzaken net zoals virussen vrij veel schade bij planten. PAP kan de synthese van PRproteïnen induceren. In tabak beschermde dit de zaailingen tegen de schimmel Rhizoctonia solani
(Zoubenko O. et al. 1997). In bioassays werd er aangetoond dat twee type 1 RIP’s van Mirabilis
expansa actief waren tegen heel wat verschillende pathogene en niet-pathogene fungi (Vivanco J. M.
et al. 1999). Soms is de activiteit van RIP’s zeer specifiek. In sommige experimenten werd gevonden
dat er een verschil was in gevoeligheid van verschillende schimmels binnen eenzelfde genus (Nielsen
K., Boston S. R. 2001). Het maïs b-32 beschermde transgene tarwe tegen ‘Fusarium head blight’
(Balconi C. et al. 2007). Het transformeren van rijst met het gen voor alpha-momarcharine (type 1
RIP) zorgde voor een verbeterde resistentie tegen Magnaporthe grisea (Qian Q. et al. 2012).
11
Wang S. et al. (2012) deden onderzoek naar de effectiviteit van alpha-momorcharine als antifungale
verbinding. De schimmels in het onderzoek waren Fusarium solani en Fusarium oxysporum. De hyfen
die in contact kwamen met het RIP werden microscopisch onderzocht. Daar waar normale hyfen een
homogene structuur en een normale myceliale apex bevatten zag men bij de hyfen die behandeld
waren veel septa. Ook werd gezien dat er een verlies aan asymmetrie was samen met kleine
zwellingen, barstende cellen en vervormingen (Wang S. et al. 2012).
2.1.1.3 Antibacteriële activiteit
In het onderzoek uitgevoerd door Wang S. et al. (2012) werd aangetoond dat alpha-momorcharine
actief was ten opzichte van Pseudomonas aeruginosa in een antibacteriële activiteitsassay. De IC50
was 0.59µM. Er werd geen effect van alpha-momorcharine op E. coli, S. aureus en B. subtillis
opgemerkt (Wang S. et al. 2012).
2.1.1.4 Insecticidale activiteit
Insecten kunnen enorme schade veroorzaken aan gewassen. Dit kan zowel rechtsreeks doordat
insecten ervan eten, als onrechtstreeks doordat vele insecten vectoren zijn voor plantvirussen.
Pesticiden worden veel gebruikt, maar veelal zijn deze weinig milieuvriendelijk. Er bestaan al
transgene gewassen die insecticidale verbindingen tot expressie brengen, denk maar aan de cryproteïnen van Bacillus thuringiensis. Toch zijn er ook al resistente insecten tegen deze cry-proteïnen
opgedoken. Er is dus een nood aan nieuwe verbindingen die planten kunnen beschermen (Tabashnik
B. E. et al. 2013).
Verschillende onderzoeken hebben de insecticidale activiteit van zowel type 1 als type 2 RIP’s aan het
licht gebracht (Stirpe F. 2013). Expressie van het b-32 RIP uit maïs in tabaksplanten gaf een
verhoogde insectenresistentie (tegen Helicoverpa zea en Lasioderma serricorne) (Dowd P. F. et al.
2003, Dowd P. F. et al. 2006). Ook de expressie van SNA-I gaf een verhoogde resistentie wanneer dit
tot overexpressie werd gebracht in tabak (Shahidi-Noghabi S. et al. 2009). Uit bioassays heeft men
gevonden dat ricine (type 2 RIP) en saporine (type 1 RIP) zeer toxisch zijn voor larven van twee
Coleoptera soorten maar niet toxisch voor insecten uit de Lepidoptera groep (Gatehouse A. et al.
1990). In dat onderzoek zag men dat de capaciteit van de maag van het insect voor het hydrolyseren
van de RIP in kwestie bepalend was voor de toxiciteit. Wanneer een homogenaat van de maag van
een insect in staat was om een bepaalde RIP te hydrolyseren was de toxiciteit van dat RIP tegen dit
insect lager.
Dowd P. F. et al. onderzochten de effecten van het b-32 RIP (uit maïs) en “wheat germ agglutinin”
(WGA). Verschillende concentraties van deze twee proteïnen werden getest op de larven van de
Spodoptera frugiperda en Helicoverpa zea. Er werd aangetoond dat de combinatie van WGA en het
b-32 toxischer was dan elk van de proteïnen apart. De reden voor die synergie is hoogstwaarschijnlijk
te verklaren door het feit dat WGA poriën maakt in het peritrofe membraan in de maag van insecten
zodat de absorptieve cellen niet meer beschermd waren en de RIP’s dus makkelijker konden
binnendringen (Dowd, P. F. et al. 2012). Dit wijst op de mogelijkheid om verschillende proteïnen te
combineren in de bescherming van planten.
2.1.2 Abiotische stress
Uit sommige onderzoeken bleek dat bepaalde RIP’s ook meer tot expressie komen na blootstelling
van de plant aan abiotische stress. JIP60 bijvoorbeeld is een type 3 RIP uit gerst dat opgereguleerd
wordt in respons op jasmijnzuur (Becker W., Apel K. 1992). Verder onderzoek toonde aan dat dit gen
ook werd opgereguleerd bij osmotische stress en bij dessicatie (uitdroging) (Reinbothe S. et al. 1994).
12
De expressie van een ander RIP namelijk PIP2 uit de plant Phytolacca insularis wordt ook geïnduceerd
door jasmijnzuur, absicinezuur en bij verwonding van de plant (Song S. K. et al. 2000). In Phytolacca
americana blijkt dat door osmotische stress en door senescentie er meer RIP-activiteit is in de
bladeren. De RIP-activiteit werd ook groter bij koude shock en bij hitteshock (Stirpe F. et al. 1996). In
Mesembryanthemum crystallinum werd de expressie van een RIP opgereguleerd bij zout-stress.
Onafhankelijk van het stressniveau van de plant varieerde de hoeveelheid RNA dat codeert voor het
RIP met de circadiaanse klok. De hoogste hoeveelheden RNA werden waargenomen op de middag
(Rippmann J. F. et al. 1997). In rijst werden er 31 genen gevonden die coderen voor RIP’s. De
expressie van die RIP’s wordt verhoogd onder stress, zoals koude en zoutstress (Jiang S. Y. et al.
2008). Wanneer de onderzoekers een van deze genen inbrachten op een andere plaats in het rijst
genoom zag men dat de overexpressie van dat gen zorgde voor een verhoogde zout- en
droogtetolerantie zonder enige merkbare schade aan de plant zelf (Jiang S. Y. et al. 2012). Het
mechanisme is niet bekend maar de onderzoekers verwijzen naar de hypothese dat er een
reorganisatie van het eiwitmetabolisme zou kunnen plaatsvinden door de inhibitie van translatie
door de RIP’s. Een andere mogelijkheid is te vinden in een van de andere, echter controversiële,
activiteiten van RIP’s zoals bijvoorbeeld de superoxidedismutase-activiteit (Li X. D. et al. 1996). De
superoxidedismutase-activiteit zou dan de schade van reactieve zuurstofspecies kunnen reduceren
(accumulatie van reactieve zuurstofspecies gebeurt bij sommige vormen van stress) (Foyer C. H.,
Noctor G. 2005).
Al deze informatie wijst op een vrij diverse fysiologische rol van RIP’s. Het is dus mogelijk dat de
heterogeniteit binnenin de groep van de RIP’s ook weerspiegeld wordt in hun functie. Alhoewel nog
niet duidelijk is wat nu precies de rol van RIP’s is, zijn er heel wat aanwijzingen in de richting van het
belang van RIP’s voor de verdediging van de plant tegen biotische en abiotische stress. Dit biedt
verschillende toepassingsmogelijkheden voor het gebruik van RIP’s om planten te beschermen tegen
virussen, schimmels, insecten en eventueel abiotische stress (Nielsen K., Boston S. R. 2001).
2.2 Medische toepassingen
Aangezien RIP’s cytotoxisch zijn (zie boven) kunnen ze ook gebruikt worden in medische
toepassingen. RIP’s kunnen gebruikt worden voor het maken van antitumor geneesmiddelen (Lin J. Y.
et al. 1970, Słomińska-Wojewódzka M., Sandvig K. 2013, Zou L. B., Zhan J. B. 2005). Ook is er
interesse in de antivirale eigenschappen van RIP’s bijvoorbeeld voor de bestrijding van het HIV-virus
(Kaur I. et al. 2013).
2.2.1 Antiviraal
De antivirale activiteit van RIP’s is niet beperkt tot plantenvirussen. Sommige RIP’s bezitten ook een
antivirale activiteit tegen dierlijke virussen. Heel wat type 1 en type 2 RIP’s inhiberen de replicatie
van HIV (in vitro). Voorbeelden hiervan zijn: alpha- en beta momorcharine, MAP30, GAP31, TAP29,
DAP30, DAP32, TCS, PAP, bryodine en ricine (Parikh B. A. Tumer N. E. 2004).
Balsamine is een type 1 RIP uit Momordica balsamin. Kaur I. et al. bewezen dat balsamine de
replicatie van HIV kon tegenhouden in T-cel lijnen en in primaire CD4+ T-cellen. Ook kon worden
bewezen dat het antivirale effect niet werd veroorzaakt door cytotoxische eigenschappen. Verder
werd aangetoond dat balsamine de omzetting van het viraal RNA naar DNA en de integratie ervan
niet beïnvloedde. Het RIP zou vooral inwerken net voor of op de translatie van het RNA. Naast HIV
13
kon balsamine ook de replicatie van het influenza virus inhiberen. Het exacte mechanisme van de
antivirale activiteit is nog steeds niet duidelijk (Kaur I. et al. 2013). Men vermoedt dat een aantal
RIP’s zoals MAP30, GAP31, luffine, en TCS de replicatie van het HIV virus inhiberen door op het HIV
integrase in te werken (Au T.K. et al. 2000, Lee-Huang S. et al. 1995). Het effect van RIP’s op HIV werd
reeds getest in klinische proeven. Deze klinische proeven gaven echter weinig hoopvolle resultaten
(Kaur I. et al. 2011, Parikh B.A. Tumer N.E. 2004).
2.2.2 Anticarcinogeen
De apoptose-inductie door RIP’s kan via verschillende pathways gebeuren. Dit kan zeer belangrijk zijn
in het bestrijden van tumoren aangezien vele kanker- of tumorcellen ongevoelig zijn voor apoptose
via caspasen en serine proteasen. Deze kunnen echter wel gevoelig zijn voor apoptose via de redoxregulatie van de thiol-groepen van eiwitten of apoptose via de tumor-necrosis-factor-α pathway
(Nielsen K., Boston S.R. 2001).
Sommige RIP’s zijn meer toxisch voor kankercellen dan voor normale cellen. Voorbeelden hiervan
zijn ricine en abrine (Lin J. Y. et al. 1970, Zou L. B., Zhan J. B. 2005). De reden hiervoor is niet meteen
duidelijk. Een mogelijke reden is dat kankercellen omwille van hun snelle proteïnesynthese, die nodig
is voor de snelle proliferatie, gevoeliger zijn aan translationele inhibitie door RIP’s. Een andere
mogelijkheid is dat de RIP’s toxischer zijn voor kankercellen ten gevolge van de verschillende
morfologie en structuur die kankercellen vertonen vergeleken met normale cellen (Stirpe F., Battelli
M.G. 2006). Het effect van RIP’s is mogelijks niet beperkt tot de directe inwerking op de kankercellen,
maar zou ook kunnen verklaard worden door een soort van “stimulatie” van het immuunsysteem
(Yamasaki C. et al. 2004). Ook zijn er testen gedaan om RIP’s (die niet op zichzelf in de tumorcellen
raken) via elektroschocks van tumoren in de tumorcellen te brengen (Kodama T. et al. 2003)
RIP’s (type 1 RIP’s of de A-keten van type 2 RIP’s) kunnen ook aan allerlei moleculen vastgemaakt
worden om zodanig op een zeer selectieve manier bepaalde cellen te doden. Dit kan gebeuren door
RIP’s vast te hechten aan antilichamen maar mogelijks ook aan groeifactoren, hormonen en lectinen.
Zulke fusies (RIP en antilichaam) worden immunotoxines genoemd en zijn te zien in Figuur 6
(Fracasso G. et al. 2010, Stirpe F. 2013). Een eerste probleem wanneer men immunotoxines gebruikt
is het optreden van het vasculaire lek syndroom (Litvak-Greenfeld D., Benhar I. 2012). Om dit op te
lossen dient men de RIP’s te muteren (Smallshaw J. E. et al. 2003). Aangezien RIP’s en antilichamen
eiwitten zijn, kan het menselijk lichaam een immuunrespons teweeg brengen tegen deze
immunotoxines. Men kan dit vermijden op drie manieren (Stirpe F. 2013). De eerste manier is om
immunogeniciteit van de RIPs te verlagen door het gebruik van gehumaniseerde of menselijke
antilichamen. Bij de RIP’s kan men epitopen verwijderen of pegyleren (Lorberboum-Galski H. 2011,
Meng Y. et al. 2012, Stirpe F. 2013). Een tweede manier bestaat er in om de RIP’s toe te dienen op
een manier dat ze niet in contact komen met het immuunsysteem. Een voorbeeld hiervan is te
vinden in de behandeling van blaaskanker waarbij men intravesikale irrigatie van immunotoxines kan
toepassen met goede resultaten (Kowalski M. et al. 2012, Zang Z. et al. 2000). Als laatste kan men de
behandeling beperken door slechts eenmaal te behandelen met immunotoxines indien dit volstaat
voor de behandeling (Stirpe F. 2013).
14
Figuur 6: Schematische voorstelling van immunotoxines. A: schematische voorstelling van een klassiek
immunotoxine, waar een toxine (bv. een RIP) gekoppeld is via een disulfide brug aan een antilichaam.
B: een recombinante fusie tussen een bepaald ligand (bv. groeifactoren, hormonen) en een toxine via
een linker. C: recombinante fusie tussen een stuk van een antilichaam, vaak het Fab fragment of een
single-chain antilichaam met een toxine (de Virgilio, M. et al. 2010).
3 Type 3 RIP’s
Dankzij recente genoomstudies werden gensequenties coderend voor nieuwe chimere RIP’s met een
ongekende domeinstructuur ontdekt. Zo werden RIP’s gevonden waarin een RIP-domein gekoppeld
was aan een domein dat homologie vertoonde met peptidasen of heat-shock proteïnes of zelfs NBARC-domeinen. Deze eiwitten waarin een RIP-domein gefuseerd is met zo een niet-lectine-domein
worden ingedeeld bij de type 3 RIP’s.
Voorbeelden zijn: JIP60 afkomstig uit gerst, het RIP-C19 uit tarwe en het RIP-M41 uit rijst.
3.1 JIP60
JIP60 is een jasmonaat induceerbaar proteïne met een moleculaire massa van 60kDa. De functie van
JIP60 werd grotendeels bekend dankzij het recente onderzoek van Rustgi S. et al. in 2014. In het
gerstgenoom zijn twee genen voor JIP60 aanwezig. Het onderzoek werd gedaan op het gen dat
correspondeert met het cDNA X66376.1. JIP60 bestaat uit twee domeinen, namelijk een N-terminaal
domein dat gerelateerd is aan type 1 RIP’s en de A-keten van type 2 RIP’s, en een C-terminaal
domein dat sterk gelijkt op de eukaryoot translatie initiatie factor 4E (eIF4E) (Chaudhry B. et al. 1994,
Reinbothe S. et al. 1994) .
JIP60 is één van de proteïnes waarvan de expressie geïnduceerd wordt door jasmonaat. Jasmonaat
en methyljasmonaat zijn zeer belangrijke planthormonen. Deze verbindingen spelen een rol in een
aantal ontwikkelingsstadia van planten zoals het generatieve stadium, knopvorming en ook in de
senescentie, stressrespons en verdediging van de plant (Reinbothe C. et al. 2009, Reinbothe S. et al.
1993, Wasternack C. 2007).
eIF4E is een onderdeel van een multiproteïne complex dat een rol heeft in de initiatie van translatie.
eIF4E bindt aan de 5’cap structuur die te vinden is aan mRNA’s en ook met eIF4G (een andere
initiatiefactor). Dit complex interageert met eIF3 dat aan het ribosoom gebonden is. De 40S
ribosomale subunit is dan gebonden aan de 5’cap en zal het mRNA scannen voor een
15
translatiestartplaats. Wanneer dit gevonden is, zal de binding met het 60S ribosomale subunit ervoor
zorgen dat een functioneel initiatie complex gevormd wordt (Rhoads R. E. 2009).
Uit het onderzoek blijkt dat JIP60 de ribosomen reversibel inhibeert door de ribosomen uiteen te
laten vallen. Deze activiteit was te zien 24 uren na inductie met methyljasmonaat. Ook zal het JIP60
worden gesplitst en zal er aldus eIF4E en RIP30 gevormd worden. Dit eIF4E zal dan bepaalde mRNA’s
die belangrijk zijn in de reactie op stress opreguleren. Samen zorgen deze peptiden voor een snelle
herprogrammering van de translatie (Reinbothe S. et al. 1994, Rustgi, S. et al. 2014). In Figuur 7 is het
model te zien van de werking van JIP60 volgens Rustgi S. et al. (2014).
Figuur 7: Model van de werking van JIP60 volgens Rustgi S. et al. (Rustgi, S. et al. 2014).
3.2 RIP-M41
Het genoom van rijst bevat een gen met een domein die een hoge graad van homologie vertoonde
met RIP’s en een domein dat homologie vertoonde met M41-peptidasen. Het open leesraam (vanuit
cDNA) is weergegeven in Figuur 43. De eiwitsequentie met de actieve site van het RIP-domein is
weergegeven in Figuur 8.
Door middel van een multiple alignment werd de sequentie van het RIP-domein van het RIP-M41
vergeleken met de sequenties van andere RIP-domeinen (bv. de A-keten van ricine) en type 1 RIP’s
(EMBL-EBI 2015). De actieve site van RIP’s is sterk geconserveerd en bestaat uit YYERW (tyrosine,
tyrosine, glutaminezuur, arginine en tryptofaan) (residuen aangeduid op Figuur 8 met de
corresponderende kleuren). De belangrijkste residuen zijn glutaminezuur en arginine. De arginine is
in het geval van het RIP-M41 veranderd in een lysine. In onderzoek met ricine is gebleken dat
wanneer deze arginine uit de actieve site vervangen werd door lysine, er een drievoudige verlaging
van de activiteit waar te nemen was. Indien men de arginine wijzigde in glutamine werd de activiteit
250 keer verlaagd (Day P. J. et al. 1996). Dus is de vervanging van het arginine residu uit de actieve
site van RIP-M41 met een lysine waarschijnlijk niet nefast voor de activiteit van het RIP-domein.
16
Figuur 8: Eiwitsequentie van RIP-M41.
Het best gekarakteriseerde M41-peptidase is het FtsH-peptidase uit E.coli (Akiyama Y. et al. 2004,
WTSI, 2014c). De proteïnen die behoren tot de M41-peptidasen zijn zogenaamde metalloproteasen.
De actieve site omvat histidine-glutaminezuur-histidine-asparaginezuur (WTSI, 2014a). Hierin wordt
verwacht dat het aminozuur glutaminezuur belangrijk is voor de katalytische functie zelf en dat de
histidines kunnen binden met een zink atoom. Dat gebonden zink atoom zou dan H2O kunnen
activeren wat ook belangrijk is in de proteolyse (WTSI, 2014c). Het is eveneens mogelijk dat
glutaminezuur ook kan binden aan het zink atoom en als derde ligand kan functioneren (Saikawa N.
et al. 2002). Ook zou de peptidase-activiteit ATP-afhankelijk zijn aangezien er een ATPase-domein te
vinden is in deze peptidasen (Bruckner R. C. et al. 2003). Het M41-peptidase heeft als substraat
meestal membraan-proteïnen. Er zijn leden van de M41-peptidase familie teruggevonden in alle
takken van het leven, behalve bij de Archaea (WTSI, 2014c).
Er zijn eukaryote homologen van het FtsH-peptidase gevonden in eukaryoten bijvoorbeeld de m-AAA
en de i-AAA peptidasen. De m-AAA en de i-AAA peptidasen zijn mitochondriale peptidasen. Het mAAA peptidase zou een chaperone functie hebben in de mitochondriën en ervoor zorgen dat
proteïne complexen in de mitochondriën goed opgevouwen worden. De m-AAA en de i-AAA
peptidasen zouden ook belangrijk zijn voor de afbraak van ongecomplexeerde componenten in de
mitochondriën (WTSI, 2014c).
3.3 RIP-C19
Bij een genoomanalyse in tarwe werd een gen ontdekt dat naast een domein met homologie ten
opzichte van RIP’s ook een domein bevat dat een hoge graad van homologie had ten opzichte van
een deel van een C19-peptidase. Het cDNA van het gen is weergegeven in Figuur 44 en de
eiwitsequentie in Figuur 9.
Via een multiple alignment werd de sequentie van het RIP-domein van het RIP-C19 vergeleken met
de sequenties van andere RIP-domeinen (bv. de A-keten van ricine) en type 1 RIP’s (EMBL-EBI 2015).
De actieve site van RIP’s bestaat uit YYERW (tyrosine, tyrosine, glutaminezuur, arginine en
tryptofaan) (residuen aangeduid op Figuur 9 met de corresponderende kleuren). De belangrijkste
residuen zijn glutaminezuur en arginine. De eerste tyrosine in RIP-C19 is vervangen door een
phenylalanine.
17
Figuur 9: Eiwitsequentie van RIP-C19
De C19-peptidase familie bevat ubiquitinyl hydrolasen. Ubiquitinyl hydrolasen zijn cysteïne proteasen
en bevatten als actieve site residuen Asn, Cys, His en Asp. In het RIP-C19 zijn slechts twee actieve
residuen aanwezig in het C19-domein (Asn en Cys) (WTSI, 2014a). De peptidasen breken aldus de
binding van ubiquitine met een ander proteïne of met een ander ubiquitine. De binding die
verbroken wordt, is dus de binding tussen de C-terminale glycine van ubiquitine met de N-terminus
van een ander ubiquitine of de isopeptide binding van dit glycine aan een lysine residu van een ander
peptide of van een ander ubiquitine (WTSI, 2014b).
De functie van de C19-peptidasen is niet helemaal duidelijk. Het zijn intracellulaire ubiquitinyl
hydrolasen waarvan men denkt dat ze door het verwijderen van ubiquitine sommige proteïnen
verhinderen om afgebroken te worden. Ook kan het zijn dat deze proteasen zorgen voor de
recyclage van ubiquitine (WTSI, 2014b).
18
4 Materiaal en methoden
4.1 ‘Polymerase chain reaction’
In de ‘polymerase chain reaction’ (PCR) zullen specifiek bepaalde DNA-fragmenten geamplificeerd
worden. Uitgaande van een zeer kleine hoeveelheid DNA kunnen miljoenen identieke strengen
gecreëerd worden door het aan elkaar hechten van deoxynucleotiden door een polymerase. In een
PCR-reactie zijn primers nodig, dit zijn korte stukken DNA die complementair zijn aan een sequentie
te vinden op het te amplificeren DNA. Deze primers vormen de startplaats van de amplificatie en
zullen bepalen (aan de hand van de bindingsplaats) welk gedeelte van het DNA geamplificeerd wordt.
4.1.1 Standaard PCR
Het standaard PCR-programma wordt weergegeven in Tabel 2. Voor PCR kan gebruik gemaakt
worden van twee verschillende polymerasen met elk hun specifieke werkingstemperatuur. Het Taqpolymerase heeft geen proofreading-activiteit, en maakt dus meer fouten bij het amplificeren. Taqpolymerase wordt enkel gebruikt onder omstandigheden waar het niet nodig is om foutloze
sequenties te produceren (bv. kolonie-PCR). Het pfx-polymerase beschikt wel over proofreadingactiviteit.
Tabel 2: Standaard PCR-programma1.
Stap
Temperatuur
Tijdsduur
Aantal cycli
Initiële denaturatie
94°C
2 min.
1X
Denaturatie
94°C
15 sec.
nX
Annealing
A
30 sec.
nX
Extensie
68°C (pfx)/72°C(Taq)
B
nX
Finale extensie
68°C (pfx)/72°C(Taq)
5 min.
1X
Bewaar
4-12°C
∞
1
A,B en n zijn afhankelijk van het te amplificeren fragment.
De constanten A, B en n uit Tabel 2 zijn variabel en afhankelijk van het te amplificeren fragment. De
annealingstemperatuur (A) dient verhoogd te worden indien er meer stringentie gewenst is (geen of
minder toevallige priming). De extensietijd (B) is afhankelijk van de lengte van het te amplificeren
fragment (ongeveer één minuut per 1000 baseparen (bp)). Het aantal cycli is afhankelijk van de
gewenste mate van amplificatie. Een PCR begint steeds met het maken van een mastermix (Tabel 3).
Het DNA (template) zal worden toegevoegd aan deze mastermix en het geheel wordt in een PCRtoestel (Labcycler (SensoQuest GmbH) of de T100 thermal cycler (Bio-Rad)) geplaatst. De initiële
denaturatiestap maakt alle DNA enkelstrengig. Na deze initiële denaturatie begint de eerste cyclus.
In dergelijke cyclus worden alle DNA-fragmenten opnieuw gedenatureerd. Hierna zal de temperatuur
dalen en zullen de primers kunnen binden, dit heet de annealing. Na de annealing worden de primers
verlengd door de inwerking van het aanwezige polymerase, dit is de extensie. Na deze extensiestap
zal de cyclus herbeginnen. Na n keer de cyclus te hebben doorgelopen zal een finale extensiestap
19
ervoor zorgen dat eventueel nog niet volledig geamplificeerde fragmenten vervolledigd worden. De
bewaarstap zorgt ervoor dat het DNA kan bewaard worden zonder degradatie.
Tabel 3: Samenstelling PCR-mastermix.2
Product
Pfx-PCR
Taq-PCR
dNTP’s (10 mM) (Invitrogen)
2µL
2µL
RxN buffer (Invitrogen)
2,5µL
/
10X Extra buffer
/
2,5µL
MgCl2 (50 mM) (Invitrogen)
0,75µL
/
Forward primer (5 µM)
1µl
1µl
Reverse primer (5 µM)
1µl
1µl
Polymerase
0,125µL (Invitrogen,
Carlsbad CA, VS)
0,125µL (5 U/µl) (VWR,
Radnor PA, VS)
Milli-Q (H2O)
17,625 - xµl
18,375- xµl
Template
xµl
xµl
2
De hoeveelheid template (x) varieert van 1-5µL tot zelfs 10µl in geval van kolonie-PCR.
In Tabel 3 worden de essentiële componenten van de mastermix weergegeven. De buffer (en MgCl2
indien dit niet standaard in de buffer aanwezig is) zorgt voor een optimale omgeving voor de werking
van het polymerase. De dNTP’s bestaan uit deoxyguanosinetrifosfaat (dGTP),
deoxythymidinetrifosfaat (dTTP), deoxyadenosinetrifosfaat (dATP) en deoxycytidinetrifosfaat (dCTP).
Dit zijn de bouwstenen waarvan het polymerase DNA strengen vormt. De primers vormen de
startpunten van de amplificatie, het DNA-fragment dat aan weerszijden complementair is met een
respectievelijke primer zal geamplificeerd worden. De extra buffer bestaat uit 100mM Tris-HCl
(Sigma Aldrich), 500mM KCl (VWR), 15mM MgCl2 (VWR) en 1% Triton-X-100 (Applichem).
4.1.2 Kolonie-PCR
4.1.2.1 E. coli
Bij kolonie-PCR worden afzonderlijke kolonies afkomstig van een vast medium opgepikt. Deze
bacteriën worden dan gesuspendeerd in 10µL bidest, dit vormt de template. Aan de template wordt
telkens de benodigde hoeveelheid mastermix toegevoegd (Tabel 3). Het Taq-polymerase wordt
meestal gebruikt voor de kolonie-PCR. Het PCR-programma is hetzelfde als de standaard PCR,
behalve de initiële denaturatiestap die 10 minuten duurt in plaats van 2 minuten. Deze langere
denaturatietijd is nodig om de bacteriecellen kapot te maken zodat het DNA vrijkomt.
4.1.2.2 Agrobacterium tumefaciens
Bij een kolonie-PCR op Agrobacterium tumefaciens wordt een kolonie opgelost in 30µL bidest. Hierna
wordt het mengsel gedurende 10 minuten opgekookt bij 99°C. Vervolgens wordt er 4µL gebruikt als
template. Het PCR-programma is hetzelfde als de standaard PCR.
4.2 Agarose gelelektroforese
Tijdens een gelelektroforese worden DNA-fragmenten gescheiden op basis van grootte. DNA is
dankzij de aanwezige fosfaatgroepen negatief geladen en zal aangetrokken worden tot de positieve
20
elektrode en afgestoten worden door de negatieve. Het DNA wordt in een agarosegel geplaatst en
wordt gescheiden op basis van de grootte van de fragmenten. Door de concentratie agarose in de gel
te variëren kan men een efficiëntere scheiding uitvoeren doordat daarmee de poriegrootte van de
gel verandert. Indien een hogere concentratie aan agarose wordt gebruikt zal het makkelijker zijn om
kleinere DNA-fragmenten onderling te scheiden, omdat globaal gezien de poriën kleiner zijn. Indien
men een lagere agaroseconcentratie gebruikt, worden de langere fragmenten efficiënter gescheiden
van elkaar. In deze thesis werd vooral gebruik gemaakt van een agaroseconcentratie van 1,5%. Het
maken van agarosegel gebeurt uitgaande van agarose-poeder (Invitrogen) en een tris-azijnzuurEDTA-buffer (TAE-buffer). De 50X-TAE-buffer wordt gemaakt uitgaande van de producten die te zien
zijn in Tabel 4. Deze 50X-TAE-buffer werd 100 maal verdund. Per 300ml van deze verdunde TAEbuffer werd dan 4,5 g agarose toegevoegd. Dit mengsel dient te worden opgekookt en kan worden
bewaard bij 60°C.
Tabel 4: Samenstelling van TAE-buffer.
Product
Hoeveelheid
Tris-HCl
2M
EDTA (pH8) (VWR)
0,05 M
Azijnzuur (watervrij) (VWR)
5,7%
H2O (bidest)
Aanlengen tot 1L
Voor de aanvang van gelelektroforese dient de agarosegel in een vorm gegoten te worden. Door
middel van een kam worden gaten gecreëerd in de gel waar het DNA wordt ingebracht. Per laantje
wordt standaard 5µL DNA met 1,6µL ‘6X Massloader DNA Loading Dye’ (Thermo Scientific)
ingebracht. Als referentie wordt er telkens in één laan een DNA-merker geladen (‘Massruler Low
Range DNA Ladder’ (Thermo Scientific) voor fragmenten tot 1000 baseparen of ‘Massruler DNA
Ladder mix’ (Thermo Scientific) voor fragmenten tot 10.000 baseparen (zie Figuur 10)). Nadat de
gestolde gel in het elektroforeseapparaat werd geplaatst, zal het DNA worden geladen in de laantjes.
De elektroforese werd uitgevoerd bij 100 V. Na de elektroforese wordt de gel met het DNA in een
verdunde ethidiumbromide-oplossing (MP biomedicals) gebracht. Dit ethidiumbromide intercaleert
met het DNA en absorbeert UV-licht (absorbantiemaxima tussen 300 en 360 nm) waardoor na
fluorescentie (emissiemaximum op 590 nm) het DNA zichtbaar wordt in het Gel doc XR systeem (BioRad) (Thermo Fisher Scientific Inc. 2015b).
21
Figuur 10: ‘Massruler Low Range DNA Ladder’ (links), ‘Massruler DNA Ladder Mix’(rechts) (Thermo
Fisher Scientific Inc. 2015c, Thermo Fisher Scientific Inc. 2015d).
4.3 Concentratiebepaling DNA , RNA en eiwit
De concentratie van DNA, RNA en eiwit kan bepaald worden via de NanoDrop 2000 (Thermo
Scientific). De concentratie van DNA of RNA wordt gemeten bij 260 nm, terwijl de eiwitconcentratie
wordt bepaald bij 280nm. Ook de absorptie bij 230 nm wordt gemeten omdat organische
contaminanten (bv. fenolen) absorberen bij deze golflengte. Bij het meten van de concentratie van
DNA en RNA worden de ratio’s van de absorptie bij 260 nm t.o.v. de absorptie bij 280 nm en 230 nm
bepaald en deze zijn een maat voor de zuiverheid en de kwaliteit van het DNA of RNA. Het is gewenst
dat deze ratio’s groter dan 1,8 zijn.
4.4 Analyse van eiwit
4.4.1 SDS-PAGE
Met behulp van natriumdodecylsulfaat-polyacrylamide gelektroforese (SDS-PAGE) kunnen eiwitten
gescheiden worden op basis van de lengte van de eiwitketen. Het SDS zorgt dat eiwitten denatureren
(om disulfidebruggen uiteen te halen moet β-mercaptoethanol ook worden toegevoegd) en geeft
eenzelfde negatieve lading per lengte-eenheid aan de verschillende eiwitten. De polyacrylamidegel
zorgt dat de proteïnen gehinderd worden in de beweging naar de positieve pool toe. Grotere
proteïnen zullen trager migreren dan kleine door de zeefwerking van de gel.
De polyacrylamidegel bestaat uit twee delen namelijk de concentratiegel en de scheidingsgel. De
samenstelling van de gels is te zien in Tabel 5. De concentratiegel zorgt dat alle eiwitten samen
aankomen aan de rand van de scheidingsgel waarin de eigenlijke scheiding zal plaatsvinden. De
TEMED en de APS-oplossing worden pas toegevoegd net voordat de gel gegoten wordt.
22
Tabel 5: Samenstelling van de verschillende gels met de respectievelijke percentages acrylamide.
Product
Scheidingsgel (12%)
Concentratiegel (4%)
H2O (bidest)
1,7 mL
3,05 mL
Acrylamide/bisacrylamide (37,5:1)
(Roth)
2,0 mL
650 µL
Tris-HCl (1,5 mol/L, pH 8,8)
1,3 mL
1,25 mL
SDS-oplossing (10%) (Acros)
50µL
50 µL
APS-oplossing (10%) (Thermo Scientific)
50 µL
25 µL
TEMED (Merck)
2 µL
5 µL
Er wordt 15µL van het staal vermengd met 5µL sample buffer (8% (w/v) SDS, 200 mM Tris-HCl (pH
6,8), 40% (v/v) glycerol (VWR), 0,4% (w/v) bromo-fenolblauw (Merck)). Dit mengsel wordt gedurende
7 minuten opgekookt bij 99°C en daarna kort gecentrifugeerd. In de gel kan per laan maximum 20µL
geladen worden. Naast de verschillende stalen wordt 5µL van de ladder geladen (pageruler
prestained protein ladder, Thermo Scientific). De gel wordt gedurende 15 minuten bij 130V geplaatst
zodat alle eiwit op hetzelfde moment bij de scheidingsgel komt. Vervolgens wordt het voltage
verhoogd naar 150V voor de effectieve scheiding van de eiwitten in de scheidingsgel.
4.4.2 Coomassiekleuring
Aan de hand van coomassiekleuring kan het eiwit dat aanwezig is in een gel na elektroforese
gevisualiseerd worden. Hiervoor wordt de gel 15 tot 30 minuten in een 15X coomassiebuffer
geplaatst (0,05% (m/v) Coomassie blue R-250 (Merck), 8,35 % (v/v) azijnzuur, 20,8 % (v/v) methanol
(Roth)). Hierdoor zal de gel blauw kleuren. Nadien wordt de gel behandeld met ontkleuringsreagens
((15 % (v/v) ethanol (Thermo Scientific), 7,5 % (v/v) azijnzuur) zodat enkel de eiwitpolypeptiden
blauw gekleurd blijven.
4.4.3 Western blot analyse
In een western blot analyse worden specifieke eiwitten gedetecteerd op een membraan met behulp
van antilichamen. Na een SDS-PAGE, kunnen proteïnen overgebracht worden naar een PVDF
membraan (Pall). Hiervoor wordt het PVDF membraan gedurende 5 minuten in 100% methanol
geplaatst. Hierna zal de gel uit de SDS-PAGE bovenop het PVDF membraan gelegd worden. Dit geheel
wordt dan tussen twee stukken blotpapier geplaatst die kortstondig in Towbin buffer (10 % (v/v)
methanol, 20mM Tris-HCl, 0.2M glycine (Sigma Aldrich)) geïncubeerd werden. Het blotten in de
Trans-Blot SD Semi-Dry transfer cel (Bio-rad) duurt 2 uur (of langer indien nodig) bij 15V (constante),
0,8A en 12W. Nadat de proteïnen zijn overgebracht op het membraan kunnen bepaalde proteïnen
zichtbaar gemaakt worden aan de hand van antilichamen.
De verdere procedure is afhankelijk van het gebruikte detectiemiddel. Er wordt gebruik gemaakt
anti-His antilichamen, specifieke antilichamen (tegen een bepaalde epitoop) en een HisProbe.
4.4.3.1 Anti-his antilichamen
Na het blotten wordt het PVDF membraan met de proteïnen in blocking buffer (trissaline (10 mM
Trizma base (Sigma Aldrich), 34mM NaCl (VWR), 0,1% (v/v) Triton-X-100, pH 7,6) met 5% (m/v)
23
melkpoeder (AppliChem)) geïncubeerd om alle plaatsen die niet door de proteïnen ingenomen
worden te bezetten.
Na incubatie in blocking buffer wordt de blot driemaal gewassen met trissaline gedurende 5
minuten. Het membraan zal dan geïncubeerd worden gedurende 1uur in 15mL trissaline (en
geschud) met een 1 op 5000 verdunning van het anti-His antilichaam (Thermo Scientific) uit muizen.
Vervolgens wordt er opnieuw driemaal 5 minuten gewassen met trissaline. Dan wordt het membraan
1 uur lang geïncubeerd (en geschud) met een 1 op 500 verdunning van anti-muis antilichamen uit
konijnen (Thermo Scientific) dat gekoppeld is aan ‘horseradish peroxidase’. Vervolgens wordt er
tweemaal 5 minuten gewassen met 15mL trissaline en eenmaal 5 minuten met 15mL 0,1M tris-HCl
(pH 7,6). Uiteindelijk wordt het membraan geïncubeerd in 50mL detectie oplossing (0,058 mM
diaminobenzidine (Sigma Aldrich), 0,033% (v/v) H2O2 in 50 mL 0,1M tris-HCl (pH 7,6)). Deze incubatie
duurt niet langer dan 5 minuten anders wordt te veel achtergrondsignaal bekomen. De
kleuringsreactie wordt gestopt door de blot te incuberen in bidest.
4.4.3.2 Specifieke antilichamen
Wanneer gebruik wordt gemaakt van specifieke antilichamen is de procedure hetzelfde als met de
anti-His antilichamen. Het verschil is dat er een 1 op 500 verdunning van het antilichaam (anti-eGFP,
(proteintech)) nodig is. Vervolgens zal er drie maal 5 minuten gewassen worden met trissaline. Dan
wordt het membraan 1 uur lang geïncubeerd (en geschud) met een 1 op 400 verdunning van antikonijn antilichamen uit geiten (Dako, Heverlee, België) dat gekoppeld is aan ‘horseradish peroxidase’.
Na drie wasbeurten met trissaline wordt PAP (peroxidase anti-peroxidase) (Sigma Aldrich, St. Louis
MO, VS) in een 1 op 300 verdunning in 15mL trissaline bij het membraan gevoegd en het geheel
wordt geïncubeerd gedurende 45 minuten (en geschud). De wasprocedure en detectie is dezelfde als
bij het anti-His antilichaam.
4.4.3.3 Hisprobe
Het PVDF membraan wordt na het blotten behandeld met 10mL blocking buffer (0,38 mM BSA
(Sigma Aldrich) in TBST (25mM Tris-HCl, 0,15M NaCl, 0,05% tween-20 (VWR) en pH 7,2)). Dit geheel
wordt gedurende 1 uur geïncubeerd (en geschud) bij kamertemperatuur. Vervolgens wordt het
membraan twee maal gewassen gedurende 10 minuten met TBST. Na het wassen wordt het
membraan geïncubeerd met 10mL Hisprobe-HRP oplossing (1 op 5000 verdunning van 4g/L Hisprobe
(Thermo Scientific) in Milli-Q-water) gedurende 1 uur (en geschud). Daarna wordt het membraan
twee maal gewassen gedurende 10 minuten met TBST. Vervolgens wordt het membraan
geïncubeerd met “SuperSignal Working Solution” (Thermo Scientific) voor 5 minuten en gebeurt de
visualisatie van het signaal via het ChemiDoc MP imaging system (Bio-Rad).
4.4.4 Bradford
De Bradford methode wordt gebruikt om de concentratie aan eiwit te bepalen in een eiwitoplossing.
De verschillende oplossingen die eiwit bevatten (10µL), worden toegevoegd aan de verschillende
welletjes van een 96-well plaat. Elk staal (en elke verdunning) wordt drie maal herhaald. Bij elk staal
wordt 200µL Bradford reagens toegevoegd (Coomassie (Bradford) Proteïne Assay kit, Thermo
Scientific). Vervolgens zal de absorptie bij 595 nm gemeten worden met de Tecan GENios Plus
microplate reader (Tecan) en met behulp van een standaardreeks (gebaseerd op BSA) kan de
eiwitconcentratie bepaald worden.
24
4.5 Escherichia coli en Agrobacterium tumefaciens
4.5.1 Transformatie van competente cellen
4.5.1.1 Heat-shock transformatie
Bij heat-shock of hitteshock transformatie kunnen Top10 competente E. coli-cellen (Invitrogen) DNA
opnemen. Om dit te doen wordt er 40µL hitteshock competente cellen uit -80°C opslag gehaald en
ontdooid op ijs. Na ontdooien wordt 4µL plasmide-DNA toegevoegd (concentratie 100 ng/µL). Dit
mengsel wordt kortstondig geschud en geïncubeerd voor 30 minuten op ijs. Hierna zal de effectieve
hitteshock plaatsvinden door het mengsel gedurende 42 seconden te incuberen bij 42°C. Na deze
hitteshock wordt het mengsel 2 minuten op ijs geplaatst. De cellen worden vervolgens verdund door
500µL vloeibaar LB-medium (1% (m/v) tryptone (UCB), 0,5% (m/v) ‘yeast extract’ (Merck) en 0,17M
NaCl) toe te voegen en geïncubeerd bij 37°C en geschud bij 185tpm gedurende één uur. De cellen
worden daarna uitgeplaat op selectief medium, vast LB-medium (1% (m/v) tryptone, 0,5% (m/v)
‘yeast extract’, 1,5% (m/v) agar (Duchefa) en 0,17M NaCl) met het antibioticum dat dient als
selectiemerker. Vervolgens worden de cellen overnacht bij 37°C geplaatst.
4.5.1.2 Elektroshock transformatie
Elektrocompetente cellen worden getransformeerd door het toevoegen van 2µL DNA (afkomstig van
de Gibson assembly) aan 20µL competente cellen. Dit mengsel wordt gedurende 30 tot 60 seconden
op ijs bewaard. Vervolgens wordt het mengsel overgebracht naar een steriele electroporatie cuvet.
De electroporatie gebeurt aan de hand van een elektrische puls met een capaciteit van 25µF, een
weerstand van 200 ohm, een veldsterkte van 2,0kV en een tijdsconstante van 4,2 tot 4,7
milliseconden. De getransformeerde cellen worden vervolgens verdund in 1mL vloeibaar LB-medium
en gedurende 1 uur geïncubeerd bij 37°C en geschud bij 185tpm op een shaker. De cellen worden
daarna uitgeplaat op selectief medium, vast LB-medium met het antibioticum dat dient als
selectiemerker. Vervolgens worden de uitgeplaatte cellen overnacht bij 37°C geplaatst.
4.5.2 Gateway klonering
Gateway klonering is een kloneringsmethode gebaseerd op de site-specifieke recombinatie van
bacteriofaag lambda (Landy A. 1989). Voor gateway klonering moeten aan de DNA-fragmenten attBsites worden geplaatst. Nadat deze attB-sites aangebracht zijn kan het DNA via een BP-reactie in een
vector ingebracht worden om een ‘entry clone’ te vormen. Vanuit deze ‘entry clone’ kan dan via een
LR-reactie een ‘expression clone’ worden gemaakt. Gateway klonering biedt als voordeel dat er
gemakkelijk DNA kan worden uitgewisseld met verschillende vectoren terwijl de oriëntatie en het
juiste open leesraam behouden blijven.
4.5.2.1 BP-reactie
In een BP-reactie kunnen DNA-fragmenten met attB-sites ingebracht worden in een donorvector
(pDONR221 (VIB)). Voor de BP-reactie voegt men 1 tot 5µL (concentratie bepaald zoals in Vergelijking
1) van het PCR-product samen met 1 µL van de donorvector (150ng/µL), 2µL BP Clonase mix II
(Invitrogen) en men lengt aan tot 8µL met TE-buffer (pH 8,0) (10 mM Tris-HCl, 1 mM EDTA). Dit
mengsel wordt geïncubeerd bij 25°C. Het aantal mol van het DNA moet gelijk zijn aan het aantal mol
van de donorvector. De benodigde hoeveelheid van het DNA kan bepaald worden via Vergelijking 1.
25
Vergelijking 1: Berekening van de benodigde massa van het DNA voor de BP-reactie (Invitrogen
Corporation 2012).
(
)=(
)∗(
)∗
660
∗
1
10
Na incubatie (gedurende minstens 1 uur) dient men 1µl proteïnase K (Invitrogen, Carlsbad CA, VS)
toe te voegen en het mengsel te incuberen gedurende 10 minuten bij 37°C om de reactie te stoppen.
Het BP-clonase zal het DNA-fragment met attB-sites in een vector plaatsen met attP-sites (Figuur 11).
Na dit proces zal het DNA-fragment in de donorvector (de ‘entry clones’) te vinden zijn. Nadien kan
via een hitteshock de vector in competente E. coli-cellen binnen gebracht worden (Top10 E. colicellen). Deze cellen worden uitgeplaat (telkens 50µL en 150µL van de celsuspensie) op vast LBmedium met 50 µg/ml kanamycine (duchefa). De kanamycine zorgt dat enkel getransformeerde
cellen kunnen groeien (aangezien de donorvector een gen voor kanamycine-resistentie bevat)
(Invitrogen Corporation 2003).
4.5.2.2 LR-reactie
Tijdens de LR-reactie zal het DNA vanuit een ‘entry clone’ overgebracht worden naar een
destinationvector met behulp van het enzym LR-clonase (Figuur 11). De attL-sites die gecreëerd
werden in de donorvector door de BP-reactie zullen recombineren met de attR-sites in de
destinationvector. Na de LR-reactie zal het DNA in de destinationvector geplaatst zijn. Voor de LRreactie dienen equimolaire hoeveelheden van de ‘entry clone’ en de destinationvector worden
gemengd. Daarbij wordt vervolgens 2μl van het LR Clonase mix II (Invitrogen) toegevoegd, en
vervolgens wordt het geheel aangelengd tot 8µL met behulp van TE-buffer. Dit mengsel wordt
overnacht geïncubeerd bij kamertemperatuur. Om de reactie te stoppen, wordt 10µL proteïnase K
toegevoegd. Na incubatie bij 37°C gedurende 10 minuten kan de destinationvector met het insert
(‘expression clone’) in competente E. coli-cellen worden gebracht. Kolonies met de pK7WG2D-vector
(VIB) (voor stabiele transformatie) worden uitgeplaat op vast LB-medium met 50 µg/ml
spectinomycine(duchefa), voor kolonies met de pK7FWG2-vector (VIB) of de pK7WGF2-vector (VIB)
(voor lokalisatie) wordt eveneens 50 µg/ml spectinomycine toegevoegd als selectiemerker.
26
Figuur 11: Voorstelling van de BP-(boven) en de LR-reactie (onder) (The Board of Regents of the
University of Wisconsin System 2015)
4.5.3 Klonering in pJET1.2
De klonering van een bepaald DNA-fragment in pJET1.2 gebeurt uitgaande van de GeneJET PCR
Cloning Kit (Thermo Scientific). De pJET1.2 vector is een gelineariseerde vector waarin DNAfragmenten met een grootte varierend van 6 tot 10000 bp geligeerd kunnen worden. DNAfragmenten die afkomstig zijn van amplificatie door middel van een proofreading enzyme (zoals pfxpolymerase) kunnen direct in de vector geligeerd worden. Fragmenten afkomstig van PCR met
polymerasen zoals taq (zonder proofreading-activiteit), die overhangende eindjes plaatsen aan de
PCR-producten, dienen daarentegen eerst aangepast te worden zodat deze fragmenten geen
overhangende eindjes meer hebben. Dit gebeurt aan de hand van een ‘blunting enzyme’. De pJET1.2
vector met het insert kan gemakkelijk in E. coli gebracht worden. De pJET1.2 vector is weergegeven
in Figuur 12. Op deze vector ligt een ampicilline resistentiegen bla(APR) en een origin of replication
namelijk rep(pMB1). De multiple cloning site (waar het insert terechtkomt) ligt in het eco47IR gen.
Indien de vector zich sluit zonder het gewenste DNA-fragment op te nemen zal het eco47IR gen
actief worden. Daar dit eco47IR gen codeert voor een lethaal restrictie-enzyme zullen de bacteriën
die het plasmide zonder insert opnemen sterven, terwijl andere bacteriën met een insert in de vector
kunnen overleven en resistent zijn aan ampicilline.
27
Figuur 12: Voorstelling van de pJET1.2 vector (Thermo Fisher Scientific Inc. 2015a).
Om een PCR-product dat aangemaakt werd met behulp van pfx-polymerase in de vector te ligeren
dient 10µL reactiebuffer gemengd te worden met 1µL PCR-product (concentratie van het DNA is
afhankelijk van de grootte van het DNA), 1µL pJET1.2 vector (50ng/µL), 1µL T4 DNA Ligase en 7µL
H2O (nuclease vrij). Hierna wordt het mengsel gevortexed gedurende 3 tot 5 seconden en 5 minuten
geïncubeerd bij kamertemperatuur. Het product kan direct gebruikt worden voor transformatie. De
getransformeerde cellen worden uitgeplaat op LB-platen met 100 µg/ml ampicilline (Duchefa).
4.5.4 Gibson assembly
De Gibson assembly dient om twee DNA-fragmenten aaneen te koppelen. Het PCR-product wordt
opgezuiverd met behulp van de innuPrep PCRpure Kit (analytik Jena). Van het opgezuiverde PCRproduct en de vector wordt steeds 0,02-0,5 pmols gemengd met 10µL Gibson Assembly mix (26,7%
ISObuffer (0,5M Tris-HCl pH 7,5, 0,05M MgCl2, 4mM dNTP’s (Westburg), 0,05M DTT (Sigma Aldrich)
en 5mM NAD (Sigma Aldrich)), 0,053% T5 exonuclease (10 000U/ml) (NEB), 1,67% Q5 High fidelity
polymerase (10 000U/ml) (NEB) en 13,3% Taq DNA ligase (40 000U/ml) (NEB)) en een variabele
hoeveelheid Milli-Q tot een eindvolume van 20µL.
4.5.5 Opzetten suspensieculturen van bacteriën
Uitgaande van kolonies van E. coli-cellen kunnen suspensieculturen gemaakt worden door op steriele
wijze een kolonie op te pikken met een entnaald en deze te suspenderen in 5mL vloeibaar LBmedium (met een antibioticum voor selectie indien het getransformeerde E. coli-cellen zijn). Deze
suspensieculturen worden geïncubeerd bij 185 tpm en 37°C. Er kunnen ook suspensieculturen van
Agrobacterium tumefaciens gemaakt worden. Hierbij worden de bacteriën opgelost in 5mL vloeibaar
YEB-medium (15mM sucrose (VWR), 0,1% (m/v) ‘yeast extract’ 0,5% (m/v) pepton (UCB), en 0,5%
(m/v) ‘beef extract’ (LabM)) eventueel met antibiotica. Deze suspensieculturen worden bij 28°C
geïncubeerd en geschud aan 200 tpm.
4.5.6 Glycerolstock
Om een glycerolstock te maken wordt 800µL uit een suspensiecultuur gemengd met 400 µL glycerol
(100%) in een cryovial (Greiner Bio-One). Deze glycerolstock kan bewaard worden bij -80°C.
28
4.5.7 Opzuiveren van plasmide-DNA
Het opzuiveren van plasmide-DNA gebeurt met de GeneJET Plasmid Miniprep Kit (Thermo Scientific).
De bacteriën die gegroeid zijn in 5 mL suspensieculturen worden overgebracht in een 2mL epje en
gecentrifugeerd (bij kamertemperatuur) bij 8000tpm voor 2 minuten. Het supernatans wordt
weggegoten. Dit proces wordt herhaald tot alle vloeistof in het epje gebracht werd en werd
afgecentrifugeerd. De pellet wordt daarna geresuspendeerd in 250µL resuspensie oplossing door op
en neer te pipetteren. Daarna wordt er 250µL lyse oplossing toegevoegd om de cellen te lyseren en
het epje wordt vier tot zes keer geïnverteerd. Wanneer de oplossing viskeus en klaar is, wordt 350µL
neutralisatie oplossing toegevoegd en wordt er wederom vier tot zes keer geïnverteerd. Hierna zal er
gecentrifugeerd worden bij 13000tpm voor 5 minuten om chromosomaal DNA en celmateriaal neer
te slaan. Het supernatans wordt op een ‘GeneJET spin column’ gebracht en er wordt 1 minuut
gecentrifugeerd bij 13000tpm. Na de centrifugatie zal het plasmide-DNA gebonden zijn aan de kolom
(in de ‘GeneJET spin column’) en de doorloop wordt weggegoten. Op de kolom wordt 500µL was
oplossing gebracht en de kolom wordt gedurende 1 minuut gecentrifugeerd aan 13000tpm (deze
stap wordt eenmaal herhaald). Nadat de doorloop is weggegoten, wordt de kolom nogmaals 1
minuut gecentrifugeerd aan 13000tpm. De kolom van de ‘GeneJET spin column’ wordt vervolgens op
een vers 1,5mL epje geplaatst. Op de kolom zal 20µL bidest worden aangebracht om het plasmideDNA te elueren. Na 2 minuten incubatie op kamertemperatuur wordt 2 minuten gecentrifugeerd aan
13000tpm. Deze elutiestap wordt herhaald met 10µL bidest. Uiteindelijk zal het plasmide-DNA
opgelost zijn in 30µL bidest.
4.5.8 Sequentiebepaling DNA
Indien DNA moet worden gesequeneerd dient het DNA verdund te worden tot een concentratie van
100 ng/µL. Daarvan wordt steeds 20µL (10µL per sequentie bepaling, forward en reverse) in een
1,5mL epje geplaatst en opgestuurd naar LGC Genomics.
4.5.9 Eiwitexpressie in E. coli
4.5.9.1 Opgroeien E. coli BL21
De BL21-cultuur wordt ‘s avonds geïnoculeerd in 5mL vloeibaar LB-medium met 5µL ampicilline
(stock is 100 mg/ml) en overnacht gegroeid bij 37°C in een shaker (185 tpm). Hieruit kan vervolgens
plasmide worden geëxtraheerd.
4.5.9.2 Opgroeien E. coli rosetta
De bacteriën worden ’s avonds geïnoculeerd in 5mL vloeibaar LB-medium met 5µL ampicilline en 5µL
chlooramfenicol (stock is 25 mg/mL) (Duchefa). Deze cultuur wordt overnacht gegroeid bij 37°C in
een shaker (185tpm). Na een nacht groeien wordt 100µL overgezet naar vers 5mL vloeibaar LBmedium met 5µL ampicilline en 5µL chlooramfenicol. Dit wordt dan gedurende 6 uur geïncubeerd bij
37°C en geschud bij 185tpm. Na deze incubatie wordt 5mL overgezet in vers 250mL LB-medium met
250µL ampicilline en 250µL chlooramfenicol. Deze suspensiecultuur wordt gedurende 2 uur bij 37°C
(en 200tpm) geïncubeerd. Omdat er gewerkt wordt met een plasmide voor induceerbare expressie
(bv. pET-vector) wordt de OD (bij 600nm) gemeten tijdens de incubatie van de suspensiecultuur bij
37°C. De inductie gebeurt aan de hand van 1 mM isopropyl-beta-D-thiogalactopyranoside (IPTG)
(Sigma Aldrich) wanneer de OD tussen 0,5 en 0,8 bedraagt. Na de inductie worden de
suspensieculturen overnacht geïncubeerd bij 25°C (en geschud bij 200tpm). Vervolgens wordt deze
29
suspensiecultuur gecentrifugeerd bij 8000 tpm gedurende 20 minuten. De cellen in de pellet worden
dan ingevroren bij -20°C.
4.5.9.3 Sonicatie
Aan de pellet van bacteriecellen wordt 8mL lysebuffer (lysebuffer: 49,75 mM PBS (op basis van 50
mM PBS (op pH 8): 12,92mM NaH2PO4 (VWR) en 38,39mM Na2HPO4 (VWR) met 500mM NaCl) en 10
mM imidazole (pH 7,4) (VWR)) toegevoegd en de te lyseren suspensie wordt overgebracht naar een
50mL falcon. De falcon wordt in een ijsbeker geplaatst om er voor te zorgen dat het staal niet te
warm zou worden tijdens het soniceren. Vervolgens zal er driemaal gedurende 2,5 minuten
gesoniceerd worden (bij 50% output). Daarna wordt het geheel gecentrifugeerd aan 9000 tpm bij
4°C. In het supernatans bevindt zich de oplosbare fractie van eiwitten en in de pellet de onoplosbare
fractie. De onoplosbare fractie eiwit wordt oplosbaar gemaakt door het toevoegen van 8M ureum
(Acros) tot er geen pellet meer is. Deze oplossing kan verder gebruikt worden voor SDS-PAGE.
4.5.9.4 Opzuivering eiwit uit E. coli
De opzuivering van eiwit met een His-tag uit E. coli gebeurt aan de hand van Nikkelaffiniteitschromatografie. De matrix voor de kolomchromatografie is de NI-NTA agarose beads van
MCLAB. Alle stappen worden uigevoerd bij een temperatuur van 4°C.
Alvorens de matrix op de kolom te brengen wordt de NI-NTA agarose matrix geresuspendeerd. Dan
wordt 1,5mL in een kolom gebracht van 10mL. Nadat de beads door de zwaartekracht naar de
bodem gezakt zijn wordt 6mL Milli-Q-water op de kolom gebracht en wordt de matrix
geresuspendeerd. Nadat de matrix dankzij de zwaartekracht uitgezakt is naar de bodem laat men het
water uit de kolom lopen. Vervolgens wordt achtereenvolgens twee maal 6mL natieve bindingsbuffer
(49,75 mM PBS (pH 8) en 10 mM imidazole (pH 7,4)) op de kolom gebracht en de matrix
geresuspendeerd. Na het uitzakken van de matrix wordt de buffer uit de kolom verwijderd.
Vervolgens wordt er 8mL van het lysaat (het supernatans met de oplosbare eiwitfractie na sonicatie)
op de kolom gebracht. De matrix wordt geresuspendeerd, en gemengd met het lysaat. Het mengsel
wordt gedurende 1uur geïncubeerd en zacht geschud. Na het incuberen moet de matrix precipiteren
onder invloed van de zwaartekracht. De niet-gebonden eiwitfractie (doorloopfractie genoemd) wordt
van de kolom verwijderd en bewaard. Vervolgens wordt de matrix vier maal gewassen door telkens
8mL natieve wasbuffer (49,5 mM PBS (pH 8) en 20mM imidazole (pH 7,4)) op de kolom te brengen en
de buffer van de kolom te laten lopen. Deze wasbuffers worden eveneens bewaard.
Om het proteïne te elueren wordt 8 tot 12mL natieve elutiebuffer (43,75 mM PBS (pH 8) en 250 mM
imidazole (pH 7,4)) op de kolom gebracht. Er wordt telkens een 250-500µL opgevangen in een 1,5mL
epje. Vervolgens kan de concentratie van het proteïne gemeten worden met behulp van de
NanoDrop 2000. De eiwitfracties worden bewaard bij 4°C. De verschillende elutiefracties met hoge
concentraties aan eiwit kunnen gebruikt worden voor SDS-PAGE en western blot analyse, evenals de
doorloopfractie en de wasbuffers.
4.6 Tabak en tabakscellen
4.6.1 Triparentale mating
Triparentale mating wordt gebruikt om een plasmide over te brengen van E. coli naar A. tumefaciens.
Vervolgens kan het T-DNA doorgegeven worden aan plantencellen. Voor dit proces is naast de
donorstam (E. coli) die het over te brengen plasmide bevat ook een helperstam (E. coli) nodig, deze
30
geeft een plasmide door aan de donorstam die zorgt dat plasmiden kunnen worden doorgegeven
naar andere bacteriën. Nadat de donorstam het plasmide die de overdracht mogelijk maakt gekregen
heeft van de helperstam kan de originele plasmide worden doorgegeven naar A. tumefaciens.
Er worden suspensieculturen opgezet uitgaande van de geselecteerde E. coli-cellen met de gewenste
vector (de donorstam, getransformeerde Top10 competente E. coli) in 5mL LB-medium met 2,5 µL
spectinomycine (stock: 100 mg/ml). Er wordt ook een suspensiecultuur opgezet van de helperstam
namelijk E. coli HB1001 pAK2013 in 5mL LB-medium met kanamycine. Deze suspensieculturen
werden geïncubeerd bij 37°C en geschud bij 185tpm. Een dag voordat deze culturen werden opgezet,
werd er een suspensiecultuur gestart van Agrobacterium tumefaciens (LBA4404 of C58C1). Hiervoor
werd er YEB-medium gebruikt zonder antibiotica. Deze suspensiecultuur werd geïncubeerd bij 28°C
en geschud op 200 tpm.
Een dag na het opstarten van de suspensieculturen van de donor- en helperstam (HB1001 pAK2013)
wordt er 100µL van elke stam gemengd (helperstam, Agrobacterium tumefaciens (LBA4404 of
C58C1) en donorstam). Van dit mengsel wordt een druppel aangebracht op vast YEB-medium (zelfde
samenstelling als vloeibaar YEB-medium, met 1,5% (m/v) agar) met MgSO4 (2mM MgSO4 (VWR)).
Deze plaat wordt niet afgesloten met parafilm en wordt geïncubeerd bij 28°C. Na een dag groeien
worden van de rand van de druppel bacteriën opgenomen en geresuspendeerd in 1mL vloeibaar
YEB-medium. Daarna wordt een verdunningsreeks gemaakt en de 10-2, 10-3 en 10-4 verdunningen
worden uitgeplaat (100µL per plaat). De uitplating gebeurt op vast YEB-medium met spectinomycine
(50µg/mL) en gentamycine (20µg/ml) (Duchefa). Deze antibiotica zorgen dat enkel de
getransformeerde A. tumefaciens kunnen groeien op de platen. Na de uitplating worden de platen
afgesloten met parafilm en 3 dagen geïncubeerd bij 28°C. De gevormde kolonies kunnen vervolgens
gescreend worden met behulp van een kolonie-PCR.
4.6.2 Transiënte transformatie van tabaksbladeren
Bij transiënte transformatie van tabak (Nicotiana benthamiana) zal DNA afkomstig van het Tiplasmide van A. tumefaciens (C58C1) transiënt tot expressie gebracht worden in de epidermale
cellen van tabaksplanten. Een mogelijke toepassing is te vinden in lokalisatiestudies waar GFP-fusieeiwitten transiënt tot expressie komen in cellen en de lokalisatie van de eiwitten bestudeerd wordt.
Voor deze transiënte transformatie worden drie tot vier weken oude tabaksplanten gebruikt. De
planten worden opgekweekt in potgrond bij een temperatuur van 28°C. Er wordt allereerst een
suspensiecultuur opgezet van de A. tumefaciens (C58C1) die het plasmide bevat met de gewenste
sequentie die tot expressie moet komen in de plant. Hiervoor worden de bacteriën gedurende een
tweetal dagen gegroeid in 5mL YEB-medium bij 28°C en geschud bij 200tpm. In dat medium wordt
1µL gentamycine(100 mg/ml) en 2,5µl spectinomycine (stock: 100 mg/ml) (afhankelijk van het
resistentiegen) toegevoegd voor selectie. Na twee dagen groeien wordt de cultuur overgebracht naar
een 2mL epje en gecentrifugeerd bij 7000 tpm gedurende 10 minuten. Het supernatans wordt
verwijderd en de pellet wordt tweemaal gewassen door de pellet te resuspenderen in 1 mL
infiltratiebuffer en te vortexen. Vervolgens wordt gedurende 2 minuten gecentrifugeerd bij 7000 tpm
waarna het supernatans wordt verwijderd. De infiltratiebuffer bestaat uit 50 mM MES monohydraat
(Sigma Aldrich), 2 mM Na2HPO4 en 0,5% glucose (Merck) in 100mL bidest en heeft een pH van 5,6
voor optimale efficiëntie. Na het wassen wordt de pellet opgelost in 1mL infiltratiebuffer met 100
µmol/L acetosyringone (Sigma Aldrich). Van dit mengsel wordt de optische densiteit (OD) gemeten
bij een golflengte van 600nm in een spectrofotometer. Vervolgens wordt het mengsel verdund tot
31
OD’s van: 0,1, 0,05 en 0,01. Deze verdunningen worden met behulp van een spuit zonder naald in de
onderkant van het blad gespoten van een tabaksplant. De geïnfiltreerde bladstukjes worden na één
tot twee dagen uitgesneden en op een microscopisch draagglas (Thermo Scientific) gelegd samen
met water, en afgedekt met een dekglas (VWR). Deze preparaten kunnen bekeken worden onder een
confocale fluorescentiemicroscoop (Nikon A1R).
4.6.3 Infiltratie van DAPI in tabaksbladeren
De infiltratie van DAPI (4',6-diamidino-2-phenylindole) (Thermo Scientific) in bladeren van tabak
dient om de celkern te kleuren aangezien DAPI bindt met DNA. Opgeloste DAPI met een concentratie
van 10µg/mL wordt met behulp van een spuit zonder naald in het blad gespoten van een
tabaksplant. Deze planten worden vervolgens gedurende 20-30 minuten in het donker geplaatst.
Hierna worden de bladstukjes uitgesneden en op een draagglas gelegd samen met water, en
afgedekt met een dekglas. Deze preparaten worden bekeken onder een fluorescentiemicroscoop.
4.6.4 Stabiele transformatie van BY-2 cellen
Bij een stabiele transformatie van BY-2 cellen zullen deze cellen DNA afkomstig van het Ti-plasmide
van A. tumefaciens (LBA4404) stabiel tot expressie brengen. De BY-2 cellen worden opgekweekt in
schudcultuur (185 tpm) bij een temperatuur van 25°C. Een BY-2 cultuur bestaande uit
ongetransformeerde cellen wordt verdund. Er wordt eens 2mL, 3mL en 4mL cultuur in vers 40mL
vloeibaar BY-2-medium (0,43% (m/v) Murashige & Skoog medium (Duchefa), 0,088M sucrose en
1,47mM KH2PO4 (VWR)) met 100µg/ml BY-2 vitaminen (1,8mM 2,4D (Duchefa), 2,96mM thiamineHCl (Duchefa) en 0,55M myo-inositol (Duchefa) geplaatst. Deze verdunningen worden geïncubeerd
bij 25°C en geschud bij 185tpm. Terzelfdertijd wordt een suspensiecultuur opgezet van de A.
tumefaciens (LBA4404) die het plasmide bevat met de gewenste sequentie die tot expressie moet
komen in de BY-2 cellen. De A. tumefaciens wordt in 5mL YEB gebracht met antibiotica namelijk 1µL
gentamycine (100 mg/ml) en 2,5µL spectinomycine. Deze suspensiecultuur wordt geïncubeerd bij
28°C en geschud bij 200 tpm. Twee dagen later wordt 1mL van de A. tumefaciens cultuur in 5mL YEB
verdund en geïncubeerd bij 28°C en geschud bij 200 tpm. Een dag later wordt telkens 4mL BY-2
cultuur uit elke verdunning overgezet naar een lege petriplaat. Daarbij wordt telkens 300µL A.
tumefaciens gemengd uit de suspensiecultuur. De petriplaten worden afgesloten met chirurgische
tape en geïncubeerd bij 28°C gedurende twee dagen. De overblijvende BY-2 cellen worden verder
gegroeid voor een nacht. De overgebleven A. tumefaciens suspensiecultuur wordt opnieuw verdund
(1ml in 5ml YEB en geïncubeerd gedurende een nacht bij 28°C en bij 200tpm. De volgende dag zal
weer 4mL van elke BY-2 verdunning gemengd worden met 300µL A. tumefaciens. Deze petriplaten
worden ook afgesloten en geïncubeerd bij 28°C voor twee dagen.
Na twee dagen incubatie van het mengsel van bacteriën en BY-2 cellen wordt het geheel uitgespreid
op een plaat met vast BY-2 medium (zelfde samenstelling als vloeibaar BY-2 medium met 0,65%
(m/v) agar), 100µg/ml BY-2 vitaminen) en antibiotica: 500µg/ml carbenicilline (Duchefa), 200µg/ml
vancomycine (Sigma Aldrich) en 100µg/ml kanamycine. Vancomycine en carbenicilline doden alle A.
tumefaciens terwijl kanamycine gebruikt wordt om te selecteren naar getransformeerde BY-2 cellen
aangezien op het ingebrachte DNA ook een kanamycine resistentiegen ligt. Na 14 tot 21 dagen
groeien er BY-2 calli op de platen die dan overgezet worden naar nieuwe platen (met antibiotica). Als
de calli groot genoeg zijn kan een suspensiecultuur gestart worden door de calli in 20mL vloeibaar
BY-2 medium te brengen. Deze vloeibare cultuur kan dan opgeschaald worden tot 40mL.
32
4.6.5 Screenen op fluorescentie
Het is mogelijk om stabiel getransformeerde BY-2 cellen te screenen op fluorescentie door gebruik te
maken van een UV-scanner (fujifilm). Indien BY-2 cellen stabiel getransformeerd worden voor
eiwitproductie ligt er op het ingebrachte DNA naast het gen voor het gewenste eiwit en een
selectiemerker ook een gen voor eGFP productie. Het idee is dat calli die veel eGFP produceren ook
een vrij grote expressie zullen hebben van het gewenste gen. Met de fujifilm kan men gemakkelijk en
snel een hele plaat vast BY-2 medium met verschillende calli screenen om dan de meest fluorescente
calli te bekijken onder een fluorescentiemicroscoop. De calli werden gesuspendeerd in 100µL water
en op een dekglaasje geplaatst om deze te bestuderen op fluorescentie in de confocale
fluorescentiemicroscoop.
4.6.6 Extractie van nucleïnezuren uit BY-2 cellen
4.6.6.1 DNA extractie
Voor de extractie van genomisch DNA is een CTAB-buffer (54,88mM CTAB (Sigma Aldrich), 0,1 M TrisHCl (pH 7,5), 1,4 M NaCl, 20 mM EDTA (pH 7,5) in 10mL Milli-Q) nodig. De cellen uit een BY-2
suspensiecultuur (40mL) worden na 7 dagen groeien via vacuümfiltratie afgezonderd van het
medium. De cellen worden vervolgens gecrushed in een mortier met vloeibare stikstof en in een 2mL
epje gebracht. Daarna wordt 1mL van de CTAB-buffer toegevoegd bij 65°C en er wordt gevortexed.
Dit mengsel wordt gedurende 90 minuten geïncubeerd bij 65°C en continu geschud. Na deze
incubatiestap wordt het mengsel afgekoeld bij kamertemperatuur gedurende 10 minuten alvorens
500µl van een chloroform (Thermo Scientific)/iso-amylalcohol (VWR) (24/1) mengsel wordt
toegevoegd. Hierna wordt het mengsel 5 minuten lang geïnverteerd. Het mengsel wordt
gecentrifugeerd aan 13000tpm voor 10 minuten. Na centrifugatie wordt de waterige fase naar een
nieuw epje overgebracht. Door het toevoegen van 1mL isopropanol (Merck) en het inverteren van
het epje precipiteert het DNA. Om het DNA af te scheiden moet er gecentrifugeerd worden aan
13000tpm gedurende 10 minuten. Daarna kan het supernatans verwijderd worden en kan het DNA
gewassen worden met 500µL van een mengsel van 76% ethanol en 0,2 M NaOAc (VWR). Het DNA
met de wasvloeistof wordt geïncubeerd bij kamertemperatuur gedurende 20 minuten. Vervolgens
wordt het mengsel gedurende 10 minuten gecentrifugeerd aan 13000tpm. De wasvloeistof wordt
dan verwijderd en vervangen door 500µL van een mengsel bestaande uit 76% ethanol en 10 mmol/L
NH4OAc (VWR). Dit mengsel wordt geïncubeerd gedurende 10 minuten bij kamertemperatuur.
Daarna wordt het mengsel voor 10 minuten gecentrifugeerd aan 13000tpm en wordt de ethanol
verwijderd. Het DNA wordt vervolgens gedurende 20 minuten gedroogd bij 37°C en daarna opgelost
in 50µL water.
4.6.6.2 RNA extractie
Het materiaal dat gebruikt wordt tijdens de RNA-extractie wordt vooraf geautoclaveerd en
behandeld met RNase away (Molecular BioProducts) en 70% disolol (Chem-lab NV) om eventuele
RNasen te vernietigen. Het celmateriaal wordt allereerst gecrushed in een mortier met vloeibare
stikstof. Het verpoederde materiaal wordt in 2mL epjes gebracht en hieraan wordt 1mL TRIzol (Sigma
Aldrich) toegevoegd in een trekkast. Dan wordt het geheel gevortexed en gedurende 10 minuten
geïncubeerd bij kamertemperatuur. Na deze incubatiestap wordt er opnieuw gevortexed waarna er 5
minuten gecentrifugeerd wordt bij 12000tpm. Het supernatans wordt overgebracht naar een nieuw
epje. Bij deze vloeistof wordt 250µL chloroform gepipetteerd en het geheel wordt gedurende 15
seconden geschud en vervolgens voor 2 tot 3 minuten geïncubeerd bij kamertemperatuur. Na 15
33
minuten centrifugatie bij 14000tpm en bij 4°C zijn er drie lagen zichtbaar en wordt de waterige
(bovenste) laag overgebracht naar een nieuw epje. Vervolgens wordt 0,5mL isopropanol toegevoegd,
de oplossing wordt zachtjes gemengd en na incubatie voor 10 minuten bij kamertemperatuur wordt
het geheel 10 minuten gecentrifugeerd bij 12000tpm en 4°C. Vervolgens wordt de pellet gewassen in
1 mL 75% ethanol. Om de pellet opnieuw te precipiteren centrifugeert men 5 minuten bij 4°C en bij
7500tpm. Na het verwijderen van de ethanol wordt de pellet gedroogd in een trekkast. Eens de
pellet droog is, wordt 50µL bidest toegevoegd om de pellet op te lossen.
Op deze 50µL RNA-oplossing wordt vervolgens een DNAse behandeling uitgevoerd om het eventuele
contaminerende DNA af te breken. Hiervoor wordt 12µL van het RNA-staal in een eppendorf
gemengd met 2µL DNase buffer (10X) (Thermo Scientific), 2µL DNase I (Thermo Scientific) en 4µL
Milli-Q-water. Dit mengsel wordt geïncubeerd bij 37°C voor 30 minuten. Vervolgens wordt 2µL EDTA
toegevoegd (25 mM). Het geheel wordt voor 10 minuten geïncubeerd bij 65°C. Na deze laatste
incubatie wordt de RNA concentratie gemeten.
4.6.6.3 cDNA synthese
Het RNA kan omgezet worden tot cDNA met de iScript™ select cDNA Synthesis Kit van Bio-Rad. De
gebruikte primer is een oligo(dT)-primer. Om RNA om te zetten naar cDNA wordt er 4µL 5X iScript
reactiemix, 1µL iScript reverse transcriptase gemengd met een oplossing van 1µg RNA en aangelengd
tot 20µL met nucleasevrij water. Dit mengsel wordt eerst 5 minuten geïncubeerd bij 25°C, vervolgens
30 minuten bij 42°C en dan uiteindelijk 5 minuten bij 85°C. Na deze incubatiestappen is het cDNA
gevormd en kan het bewaard worden bij -20°C (Bio-Rad Laboratories Inc. 2015).
4.6.7 Eiwitextractie uit BY-2 suspensiecultuur
Van een BY-2 suspensiecultuur wordt 10mL genomen, door vacuumfiltratie wordt het medium
gescheiden van de cellen. De cellen worden vervolgens gecrushed tot een homogeen poeder in een
mortier met vloeibare stikstof, en uitverdeeld over 2mL epjes. Aan de verpoederde cellen wordt dan
de extractiebuffer (50 mM DAP (VWR) buffer (pH 10) of 50 mM Tris-HCl buffer (pH 7,5)) toegevoegd.
Beide buffers bevatten ook 1 mM EDTA, 1mM DTT (Sigma Aldrich) en 1 mM PMSF (Amresco). Dan
wordt het volume van één pcr-epje aan glazen beads toegevoegd en het mengsel wordt acht keer
afwisselend 30 seconden op ijs en 30 seconden gevortexed. Vervolgens zal het geheel worden
gecentrifugeerd bij 3000g gedurende 10 minuten. De oplosbare fractie van de eiwitten is te vinden in
het supernatans.
34
5 Resultaten
In deze thesis werd de lokalisatie van twee RIP-chimeren bestudeerd namelijk RIP-C19 en RIP-M41.
De lokalisatie van een eiwit kan een indicatie geven omtrent de mogelijke fysiologische rol van deze
proteïnen, en levert bovendien belangrijke informatie voor vervolgexperimenten.
In een tweede deel van het eindwerk werd ook gezocht naar een geschikt heteroloog
expressiesysteem om deze eiwitten recombinant aan te maken. Het produceren en opzuiveren van
de proteïnen is zeer belangrijk aangezien het opgezuiverde eiwit later gebruikt kan worden in
toxiciteitstesten en activiteitstesten. Ook is het mogelijk om op basis van het opgezuiverde eiwit
specifieke antilichamen te produceren. Deze antilichamen kunnen op hun beurt gebruikt worden in
immunolokalisatiestudies die kunnen aangeven in welke weefsels van de plant de proteïnen te
vinden zijn.
De sequenties van RIP-C19 en RIP-M41 zijn te vinden in Figuur 43 en Figuur 44 (bijlage). De gebruikte
primers zijn weergegeven in Tabel 6 (bijlage).
5.1 Lokalisatie van RIP-M41 en RIP-C19
In deze thesis werd een lokalisatiestudie uitgevoerd voor het RIP-M41 uit rijst en RIP-C19 uit tarwe in
tabak. Hiervoor werden fusieconstructen aangemaakt waarbij de RIP-M41 en RIP-C19 eiwitten
gekoppeld werden aan eGFP. De koppeling van eGFP aan de eiwitten zorgde ervoor dat deze eiwitten
gevisualiseerd kunnen worden met behulp van fluorescentiemicroscopie. De fusie van de coderende
sequentie van RIP-C19 en RIP-M41 met eGFP gebeurde steeds N- of C-terminaal met behulp van
gateway-technologie. Het RIP-M41 construct met de C-terminale eGFP wordt voorgesteld als RIPM41-eGFP, met de N-terminale fusie als eGFP-RIP-M41. Het RIP-C19 construct met de C-terminale
eGFP wordt voorgesteld als RIP-C19-eGFP, met de N-terminale fusie als eGFP-RIP-C19.
5.1.1 Aanmaak van de lokalisatieconstructen
5.1.1.1 Additie van attB-sites
Voor de lokalisatie dienden speciale constructen gemaakt te worden waarbij de coderende
sequenties van het RIP-M41 en het RIP-C19 uit respectievelijk rijst en tarwe werden geamplificeerd
en voorzien van attB-sites. Via een BP reactie werden deze sequenties ingebracht in een
donorvector, waarna vervolgens via een LR-reactie de ‘expression clones’ tot stand kwamen. In deze
‘expression clones’ werd de sequentie van de RIP’s gefusioneerd met deze van het eGFP.
Figuur 13 geeft de schematische weergave van de lokalisatieconstructen. Aan de open leesramen
werden attB-sites aangebracht (Figuur 13, blauwe gedeelte) met behulp van twee opeenvolgende
PCR-reacties voor elk construct: RIP-M41 en RIP-C19. Voor de C-terminale GFP-fusieconstructen werd
het stopcodon in de RIP sequentie verwijderd zodat bij de C-terminale fusie van eGFP de RIP
sequentie overgaat in de eGFP sequentie. De primers voor de eerste PCR bevatten een sequentiespecifiek deel en het eerste deel van de attB-site. De primers voor de tweede PCR zijn telkens
complementair aan het eerste deel van de attB-site en vullen het tweede deel van de attB-site aan.
De template voor de PCR-reactie was telkens een pJET1.2 vector waarin de cDNA sequentie voor het
RIP-C19 of RIP-M41 aanwezig was. Deze vectoren waren reeds beschikbaar in het laboratorium.
35
Figuur 13: Schematische voorstelling van de N- en C-terminale fusie van het RIP-M41 met eGFP (A en
B, respectievelijk), evenals de N- en C-terminale fusie van het RIP-C19 met eGFP (C en D,
respectievelijk).
Alle PCR-reacties werden uitgevoerd met een polymerase met proofreading-activiteit, waardoor de
kans op mutaties in de sequenties kleiner is. Het RIP-M41 construct met de attB-sites heeft een
lengte van ongeveer 1945bp terwijl het RIP-C19 construct na de twee PCR’s een lengte heeft van
ongeveer 1885bp. Figuur 14 toont het resultaat van de analyse van DNA-fragmenten na de tweede
PCR. Het is duidelijk dat de DNA-bandjes van alle constructen vrij dicht liggen tegen de 2000bpmerker van de ladder. De concentratie en zuiverheid van het DNA werd gemeten met behulp van de
NanoDrop 2000. De concentraties van het DNA zijn telkens vrij hoog (ongeveer 350 ng/µL), wat wijst
op succesvolle PCR-reacties.
Figuur 14: Analyse van DNA-fragmenten na twee PCR-reacties voor het bevestigen van de attB-sites
aan de RIP sequenties. RM staat voor RIP-M41, RC staat voor RIP-C19, -N staat voor het N-terminale
construct en -C staat voor het C-terminale construct. Voor de twee PCR-reacties werd een
annealingstemperatuur van 55°C gebruikt, een extentietijd van 2 minuten en werden 30 cycli
doorlopen. De gebruikte primers zijn: P118, P119, P120, P121, P122 en P123. De forward en reverse
primers in de tweede PCR-reactie waren EVD2 en EVD4.
5.1.1.2 Kloneren van de lokalisatieconstructen
5.1.1.2.1 BP-reactie
Nadat de attB-sites aan de coderende sequenties van de RIP’s werden bevestigd, werd een BPreactie opgezet om de constructen via de attB-sites binnen te brengen in de pDonr221 donorvector.
Het amplificatieproduct van de PCR-reacties werd samengebracht met de vector en met behulp van
het enzyme BP-clonase werden de constructen geligeerd in de donorvector. Na de BP-reactie werden
de bekomen ‘entry clones’ via heat-shock binnengebracht in heat-shock competente E. coli cellen. Na
de heat-shock transformatie werden de E. coli-cellen uitgeplaat op LB-meduim met kanamycine als
selectiemerker zodat enkel de getransformeerde E. coli-cellen konden groeien. Op een vijftal
36
kolonies werd een kolonie-PCR uitgevoerd. In Figuur 15 is het resultaat te zien van de kolonie-PCR. Bij
een aantal kolonies is te zien dat het PCR-product de verwachte grootte heeft (voor het RIP-M41
construct ongeveer 1911bp en het RIP-C19 construct ongeveer 1851bp). Voor elk construct werd een
kolonie geselecteerd waarvan een suspensiecultuur werd gegroeid in LB-medium met kanamycine.
De plasmiden werden uit de bacteriën geëxtraheerd met behulp van de QIAprep Spin Miniprep Kit en
de sequentie van het construct werd gecontroleerd met behulp van DNA-sequencing. Voor RIP-M41eGFP had kolonie 1 de correcte sequentie, voor eGFP-RIP-M41 had kolonie 6 de correcte sequentie.
Kolonie 1 had de correcte sequentie voor RIP-C19-eGFP, kolonie 2 voor eGFP-RIP-C19.
Figuur 15: Agarosegelelektroforese na kolonie-PCR. RM staat voor RIP-M41, RC staat voor RIP-C19, -N
staat voor het N-terminale construct en -C staat voor het C-terminale construct. De gebruikte primers
waren P118, P119, P120, P121, P122 en P123. In de PCR werd een annealingstemperatuur van 55°C
en een extentietijd van 2 minuten gebruikt voor 30 cycli.
5.1.1.2.2 LR-reactie
Van de kolonies met een correcte sequentie van het BP product werden bacterieculturen gemaakt
voor een opzuivering van het plasmide-DNA met behulp van de QIAprep Spin Miniprep Kit. Dit DNA
werd gebruikt voor de LR-reactie waarbij de sequenties voor het RIP-C19 en het RIP-M41
overgebracht werden naar de destinationvectoren, waar de fusie gebeurt met het eGFP. De
gebruikte vectoren zijn de pK7WGF2-vector voor de N-terminale fusie en de pK7FWG2-vector voor
de C-terminale fusie van het RIP met eGFP (Figuur 16).
37
Figuur 16: De destinationvectoren en ‘expression clones’ die gebruikt worden in de lokalisatiestudie. A
en B: pK7WGF2-vector zonder en met RIP insert. C en D: pK7FWG2-vector zonder en met RIP insert
(Thermo Fisher Scientific Inc. 2015e).
De bekomen ‘expression clones’ na LR-reactie werden vervolgens ingebracht in heat-shock
competente cellen (E. coli). Na de heat-shock werden de E. coli -cellen uitgeplaat op LB-medium met
spectinomycine als selectiemerker.
Om te screenen welke bekomen kolonies de correcte ‘expression clones’ hadden opgenomen werd
een kolonie-PCR uitgevoerd. Figuur 17 toont het elektroforesepatroon voor de DNA-fragmenten en
geeft aan dat DNA-fragmenten met de verwachte grootte werden geamplificeerd tijdens de koloniePCR, ongeveer 2600bp voor RIP-M41-eGFP, ongeveer 2400bp voor eGFP-RIP-M41, ongeveer 2540bp
voor RIP-C19-eGFP en ongeveer 2360bp voor eGFP-RIP-C19. Voor de C-terminale constructen werd
telkens kolonie 5 geselecteerd, voor de N-terminale telkens kolonie 1.
Figuur 17: Agarosegelelektroforese van DNA-fragmenten geamplificeerd in kolonie-PCR na de LRreactie. RM staat voor RIP-M41, RC staat voor RIP-C19, -N staat voor het N-terminale construct en -C
staat voor het C-terminale construct. De gebruikte primers voor de N-terminale constructen waren
EVD668 en P1. Voor de C-terminale constructen waren de primers EVD472 en EVD667. In de PCRreactie werd een annealingstemperatuur van 55°C, een extensietijd van 2 minuten en 35 seconden
gebruikt en er werden 32 cycli uitgevoerd.
38
5.1.2 Transformatie van Agrobacterium tumefaciens
Het uiteindelijke doel is het transiënt transformeren van plantencellen zodat deze cellen de
fusieconstructen aanmaken. Agrobacterium tumefaciens is een plantpathogeen die in staat is om een
stuk DNA dat gelegen is op de Ti-plasmide over te brengen naar planten. Dit kan resulteren in
stabiele transformatie van plantencellen, maar ook transiënte transformatie is mogelijk.
Voor de transiënte transformatie van tabaksbladeren werden A. tumefaciens getransformeerd via
triparentale mating. Hierbij werden de ‘expression clones’ naar A.tumefaciens overgebracht. Deze
getransformeerde A. tumefaciens werden uitgeplaat op YEB platen met spectinomycine en
gentamycine zodat enkel de getransformeerde A. tumefaciens kunnen groeien op de platen. De
kolonies die op deze platen groeiden werden geanalyseerd met een kolonie-PCR (Figuur 18). Alle
kolonies bevatten een DNA-fragment op de verwachte hoogte, dichtbij 2500bp. Voor het RIP-M41
met de N-terminale eGFP werd verdergewerkt met kolonie 3, voor de C-terminale eGFP met kolonie
1. Voor het RIP-C19 met de N-terminale eGFP werd kolonie 5 gekozen, voor de C-terminale eGFP
kolonie 2.
Figuur 18: Agarosegel van de kolonie-PCR na de triparentale mating. RM staat voor RIP-M41, RC
staat voor RIP-C19, -N staat voor het N-terminale construct en -C staat voor het C-terminale
construct. De gebruikte primers voor de N-terminale constructen waren EVD668 en P1. Voor de Cterminale constructen waren de primers EVD472 en EVD667. Er werden 32 cycli uitgevoerd met een
annealingstemperatuur van 55°C en een extensietijd van 2 minuten en 35 seconden.
5.1.3 Transiënte expressie in Nicotiana benthamiana
De getransformeerde A. tumefaciens zijn na de triparentale mating in staat om de epidermiscellen
van Nicotiana benthamiana bladeren transiënt te transformeren. Er werden suspensieculturen
gemaakt van de getransformeerde A. tumefaciens. Verschillende experimenten werden uitgevoerd
waarbij de OD van de suspensiecultuur bij 600nm steeds werd gemeten. Deze OD geeft een idee over
de groeifase van de bacteriën. Het is belangrijk dat de bacteriën niet in of voorbij de stationaire
groeifase zijn. Het was duidelijk dat de efficiëntie van de transiënte transformatie afhankelijk was van
de OD’s van de bacterieculturen. Een getransformeerde A. tumefaciens die een expressievector
bevat met een gen voor vrij eGFP werd gebruikt als positieve controle. Als negatieve controle werd
steeds een plant geïnfiltreerd met infiltratiebuffer zonder bacteriën.
De infiltratie van tabaksbladeren werd verschillende malen uitgevoerd. Aangezien de groei (OD) van
de suspensieculturen van groot belang bleek te zijn voor een efficiënte transformatie was er
optimalisatie nodig. Deze optimalisatie gebeurde door het variëren van het inoculum en de
incubatietijd. Uiteindelijk werden fluorescente cellen waargenomen voor het eGFP-RIP-M41 (OD van
39
de suspensiecultuur: 1,298), RIP-M41-eGFP (OD: 1,217), eGFP-RIP-C19 (OD: 1,212; 0,691; 0,421 en
0,3675), RIP-C19-eGFP (OD: 1,308; 1,214; 1,3695 en 1,210) en het eGFP (OD: 1,418).
De fluorescentie van het eGFP in de transiënt getransformeerde epidermiscellen werd geanalyseerd
met behulp van fluorescentiemicroscopie (Figuur 19). Extra figuren zijn te vinden in de bijlage (Figuur
60 tot Figuur 67). Het vrij eGFP is aanwezig in het cytoplasma, maar kan ook via passieve diffusie in
de kern terechtkomen (zie de homogeen gekleurde nucleus in Figuur 19 bij het vrij eGFP). Wanneer
de fluorescentie voor de planten geïnfiltreerd met de RIP constructen wordt vergeleken met de
fluorescentie van het vrij eGFP is er een duidelijke indicatie dat het RIP-M41 en het RIP-C19
cytoplasmatisch gelokaliseerd zijn. Omdat er toch een beperkte hoeveelheid fluorescentie in de kern
te zien is werd een colokalisatie uitgevoerd.
Figuur 19: Lokalisatie van A. eGFP-RIP-M41, B. RIP-M41-eGFP, C. eGFP-RIP-C19, D. RIP-C19-eGFP en E.
vrij eGFP.
5.2 Colokalisatie van RIP-M41 en RIP-C19 met DAPI
Colokalisatie maakt gebruik van twee fluorescente moleculen. Deze twee moleculen worden
samengebracht in één cel. De mate van overlap tussen de fluorescente signalen kan een indicatie
leveren of de twee moleculen in hetzelfde compartiment aanwezig zijn in de cel. In deze thesis werd
gebruik gemaakt van de fluorescentie van 4',6-diamidino-2-phenylindole (DAPI) en eGFP
(geïncorporeerd in de lokalisatieconstructen). DAPI bindt met DNA en zal zorgen dat de kern
fluorescent wordt. Indien het RIP-M41 en het RIP-C19 in de kern aanwezig zijn zal het signaal van het
eGFP en het signaal van DAPI overlappen. Voor de colokalisatie studies werden dezelfde
getransformeerde A. tumefaciens gebruikt als voor de lokalisatiestudies die hierboven werden
vermeld. Er werden suspensieculturen gemaakt van de getransformeerde A. tumefaciens. Er werden
40
na optimalisatie fluorescente cellen waargenomen voor het eGFP-RIP-M41 (OD: 0,302), RIP-M41eGFP (OD: 0,722), eGFP-RIP-C19 (OD: 0,727), RIP-C19-eGFP (OD: 0,811) en het eGFP (OD: 0,669).
In Figuur 20 zijn de epidermiscellen te vinden die de fusieconstructen tot expressie brengen en een
kern hebben die gekleurd is door DAPI. Bijkomende foto’s zijn weergegeven in de bijlagen (Figuur 68,
Figuur 69 tot Figuur 74). DAPI zorgt voor een blauwe fluorescentie in de nucleus. In het geval van het
vrije eGFP is er een duidelijke overlap te zien tussen het DAPI en het eGFP, de nucleus is duidelijk
lichtgroen gekleurd door de overlap. Bij de lokalisatieconstructen is de nucleus steeds blauw
gekleurd zoals de omliggende niet-getransformeerde cellen, er is sprake van weinig tot geen overlap.
Deze foto’s geven een indicatie dat het RIP-M41 en het RIP-C19 enkel in het cytoplasma aanwezig
zijn, en niet in de nucleus.
Figuur 20: Colokalisatie van A. eGFP-RIP-M41, B. RIP-M41-eGFP, C. eGFP-RIP-C19, RIP-C19-eGFP en E.
vrij eGFP.
5.3 Heterologe expressie van RIP-M41 en RIP-C19 in
BY-2 cellen
In deze thesis werd gezocht naar een geschikt expressiesysteem om het RIP-M41 en het RIP-C19
recombinant aan te maken. Om opzuivering mogelijk te maken werd gebruik gemaakt van een Histag. In de onderzoeksgroep werden reeds expressieconstructen gemaakt voor BY-2 cellen. Deze
expressieconstructen bestonden uit het RIP-M41 en het RIP-C19 waaraan een signaalpeptide en een
His-tag bevestigd was. Hierdoor kwam het RIP in kwestie in het extracellulair medium terecht. Deze
aanpak leverde geen detecteerbaar recombinant eiwit op, alhoewel kon bewezen worden dat er
transcriptie was van het ingebrachte DNA. Daardoor werd voor een andere strategie geopteerd.
41
Uitgaande van constructen waarin de sequentie voor het RIP-M41 en het RIP-C19 met het
signaalpeptide en de His-tag reeds aanwezig waren, werden nieuwe constructen aangemaakt waarbij
deze RIP’s werden voorzien van een His-tag en een ER-retentiesignaal (aminozuursequentie: KDEL).
Dit ER-retentiesignaal zorgt dat de eiwitten in het endoplasmatisch reticulum (ER) blijven. Deze
constructen werden via A. tumefaciens in BY-2 cellen ingebracht.
5.3.1 KDEL-constructen
Om de strategie te testen werden twee constructen aangemaakt: het volledige RIP-M41 met een
KDEL-signaal (aangeduid met RIP-M41-KDEL) en het RIP-domein van het RIP-M41 met een KDELsignaal (het RIP(M41)-KDEL construct). De constructen zijn weergegeven in Figuur 21. De constructen
bevatten een N-terminaal signaalpeptide (donkerblauw) dat zorgt voor de secretie van het eiwit. Dit
signaalpeptide wordt gevolgd door een knipplaats voor het Xa protease (in paars). Na deze knipplaats
komt het eigenlijke RIP-M41 of het RIP-domein dat gevolgd wordt door een linker bestaande uit drie
glycines (geel). Na de eerste linker komt de His-tag die bestaat uit zes opeenvolgende histidines
(lichtblauw). Hierna komt opnieuw een linker en uiteindelijk een C-terminaal ER-retentiesignaal
(oranje) dat ervoor zorgt dat het eiwit in het ER blijft.
Figuur 21: Schematische voorstelling van het volledige RIP-M41-KDEL construct (A) en het RIP(M41)KDEL construct (B).
5.3.1.1 Aanmaak van de KDEL-constructen
5.3.1.1.1 attB-sites en KDEL-signaal adheren
De aanmaak van constructen startte vanuit eerder aangemaakte ‘entry clones’. De forward primer
van de eerste PCR heeft een specifiek gedeelte voor het signaalpeptide en een gedeelte voor het
aanbrengen van het eerste deel van de attB1-site. De reverse primer bevat een specifiek gedeelte
complementair aan de His-tag en zal het KDEL-signaal aanbrengen aan het construct. Na deze eerste
PCR werd een tweede PCR uitgevoerd die de attB1-site vervolledigt en die het eerste deel van de
attB2-site aanbrengt. Vervolgens werd met behulp van een laatste PCR-reactie de attB2-site
vervolledigd. De agarosegel na elektroforese is weergegeven in Figuur 22. Er is telkens een DNAfragment te zien op de correcte hoogte (het RIP-M41-KDEL is ongeveer 2071bp, het RIP(M41)-KDEL is
ongeveer 1081bp).
42
Figuur 22: Agarosegelektroforese van het PCR-product na de PCR-reacties voor het aanmaken van de
constructen.De primers in de eerste PCR waren EVD607 en P134. De primers voor de tweede PCR
waren EVD2 en P135. De primers voor de derde PCR waren EVD2 en EVD4. Voor de PCR-reacties
werden 30 cycli gebruikt, de extensietijd bedroeg 2 minuten en 30 seconden en de
annealingstemperatuur was 55°C.
5.3.1.1.2 Kloneren van de constructen
5.3.1.1.2.1 BP-reactie
BP reactie dient om de eerder geconstrueerde fragmenten via de attB-sites binnen te brengen in de
pDonr221 donorvector. Het amplificatieproduct van de voorgaande PCR-reacties werd
samengebracht met de vectoren, en via het enzyme BP-clonase, de attB-sites (op het insert) en de
attP-sites (op de vector) werden ‘entry clones’ gevormd. Hierna werd een heat-shock uitgevoerd
waardoor de ‘entry clones’ ingebracht werden in heat-shock competente cellen (E. coli). Vervolgens
werden deze cellen uitgeplaat op een plaat die LB-medium en kanamycine bevat, zodat enkel de
getransformeerde E. coli-cellen konden groeien. Op de groeiende kolonies werd een kolonie-PCR
uitgevoerd met als doel het identificeren van kolonies die de vector met het gewenste insert
bevatten. Er werden telkens 4 kolonies van elk construct opgepikt voor de kolonie-PCR. In Figuur 23
is te zien dat er steeds een PCR-product gevormd is op de correcte hoogte voor alle kolonies, de
grootte voor het geamplificeerde DNA uit de vector met het RIP-M41-KDEL is ongeveer 2301bp, uit
de vector met het RIP(M41)-KDEL is de grootte van het geamplificeerde DNA ongeveer 1311bp. Uit
sequencing bleek dat de tweede kolonie voor zowel het RIP-M41-KDEL als het RIP(M41)-KDEL de
correcte DNA-sequentie hadden.
43
Figuur 23: Agarosegel na kolonie-PCR van het BP-product. RM staat voor RIP-M41 en R(M) voor het
RIP-domein van RIP-M41. De gebruikte primers waren EVD386 en EVD387. Er werden 30 cycli
uitgevoerd met een annealingstemperatuur van 55°C en een extensietijd van 2 minuten en 30
seconden.
5.3.1.1.2.2 LR-reactie
Na de BP-reactie werd een LR-reactie uitgevoerd op het opgezuiverde plasmide-DNA van de
geselecteerde kolonies. De destinationvector is de pK7WG2D-vector. De ‘entry clones’ werden met
de destinationvector in TE buffer samengevoegd en door de aanwezigheid van het LR-clonase vond
de LR-reactie plaats. Hierna werden de vectoren door een heat-shock in competente cellen gebracht
en werd een kolonie-PCR uitgevoerd. De elektroforese van de PCR-producten is te zien in Figuur 24.
Er is een bandje te zien op de correcte hoogte voor het RIP-M41-KDEL en bij elke kolonie van het het
RIP(M41)-KDEL (de grootte voor het geamplificeerde DNA uit de vector met het RIP-M41-KDEL is
ongeveer 2712bp, uit de vector met het RIP(M41)-KDEL is de grootte ongeveer 1722bp).
Figuur 24: Agarosegelelektroforese van het PCR-product na kolonie-PCR van het LR-product in E. coli.
In de PCR-reactie vonden 30 cycli plaats met een annealingstemperatuur van 55°C en een extensietijd
van 3 minuten. De gebruikte primers waren EVD472 en P1.
5.3.1.2 Transformatie van Agrobacterium tumefaciens
Er werd vanuit de geselecteerde kolonies (voor het RIP(M41)-KDEL was dit kolonie 1) uit de koloniePCR een triparentale mating uitgevoerd. De vector werd daarbij in A. tumefaciens-cellen ingebracht.
De getransformeerde cellen werden uitgeplaat op vast YEB-medium met spectinomycine en
gentamycine als selectiemerker. Na een incubatietijd van drie dagen werd een kolonie-PCR
uitgevoerd. In Figuur 25 is de agarosegel na elektroforese van het amplificatieproduct van de
kolonie-PCR te zien. De bandjes bij elke kolonie zijn aanwezig op de correcte hoogte, de grootte van
44
het geamplificeerde DNA voor het RIP-M41-KDEL is ongeveer 1588bp, het geamplificeerde DNA voor
het RIP-(M41)-KDEL is ongeveer 1722bp.
Figuur 25: Agarosegelelektroforese van het PCR-product na kolonie-PCR van de A. tumefaciens
kolonies. RM staat voor RIP-M41 en R(M) voor het RIP-domein van RIP-M41. De gebruikte primers
waren EVD472 en P30 voor RIP-M41-KDEL, voor RIP(M41)-KDEL waren de primers EVD472 en P1. Er
werden 30 cycli uitgevoerd bij een extensietijd van 2 minuten en 10 seconden en een
annealingstemperatuur van 55°C.
5.3.1.3 Stabiele transformatie van BY-2 cellen
Met de geselecteerde kolonies (kolonie 2 voor het RIP-M41-KDEL en kolonie 1 voor het RIP-(M41)KDEL) van de A. tumefaciens werden BY-2 cellen getransformeerd. Na 15 dagen werden
getransformeerde calli opgemerkt op de platen (vast BY-2 medium met kanamycine, vancomycine en
carbenicilline). Deze calli werden overgezet op verse platen (vast BY-2 medium met kanamycine).
5.3.1.4 Screening stabiel getransformeerde BY-2 cellen aan de hand van
fluorescentie
Op het ingebrachte DNA zat ook een gen voor eGFP, dit is te zien in Figuur 26. Dit eGFP heeft een ERretentiesignaal en zal dus te vinden zijn in het ER. Door het bestuderen van de mate van
fluorescentie krijgt men een indicatie van de expressie van het ingebrachte DNA. Eerst werden de
calli met behulp van de fluorescentie-scanner (fujifilm) gescreend. Het doel is om de calli die veel
fluorescentie vertonen te identificeren om die dan later onder een confocale fluorescentiemicroscoop in meer detail te gaan bestuderen. Men is dus op zoek naar de calli met de hoogste
fluorescentie omdat deze het meeste eGFP produceren, en dus in alle waarschijnlijkheid een hoge
expressie hebben van de ingebrachte constructen.
45
Figuur 26: ‘Expression clone’ die gebruikt werd in de stabiele transformatie van BY-2 cellen. eGFP(ER)
staat voor het eGFP gen met het ER-retentiesignaal (Thermo Fisher Scientific Inc. 2015e).
Figuur 27: Fluorescente calli onder de fluorescentie-scanner. De onderste rij zijn de calli met het RIPM41-KDEL construct. Op de bovenste rij zijn de calli met het RIP(M41)-KDEL.
In Figuur 27 zijn de calli te zien onder de fluorescentie-scanner, hoe donkerder de cellen waren hoe
meer fluorescent. De calli die de meeste fluorescentie vertoonden, zijn omcirkeld in het rood. De
meest belovende werden uitgekozen om nader te bekijken onder de microscoop.
Wanneer de calli bestudeerd werden op fluorescentie onder de confocale fluorescentie-microscoop
werd er echter weinig correlatie opgemerkt tussen fluorescentie onder de fluorescentie-scanner en
de mate van fluorescentie onder de fluorescentiemicroscoop. Zo vertoonden enkel de calli 1, 2, 5, 6
en 7 die het RIP-M41-KDEL construct bevatten sterke fluorescentie. Callus 10 daarentegen leek onder
de fluorescentie-scanner zeer fluorescent maar was onder de fluorescentiemicroscoop veel minder
fluorescent dan bijvoorbeeld callus 2. Calli 1, 2, 5, 6 en 7 werden geselecteerd voor het volledige RIPM41 construct. Voor de calli die het RIP(M41)-KDEL bevatten werden 6 en 8 geselecteerd. In Figuur
28 zijn een aantal representatieve foto’s van fluorescente calli te zien. Het eGFP is gelokaliseerd in
het ER aangezien dit eGFP een ER-retentie signaal bevat.
46
Figuur 28: Fluorescente calli die stabiel getransformeerd zijn, onder de confocale fluorescentie
microscoop.
Van deze geselecteerde calli werden suspensieculturen opgestart met een volume van 20 ml (de
verschillende calli werden gemengd). Twee suspensieculturen van 20mL werden gestart voor het RIPM41-KDEL construct en één voor het RIP(M41)-KDEL construct. Na 7 tot 10 dagen werden de cellen
getransfereerd naar een volume van 40 ml.
5.3.1.5 Screening stabiel getransformeerde BY-2 cellen op DNA-niveau
Om na te gaan of de transformatie geslaagd was en te bevestigen dat de getransformeerde BY-2
cellen wel degelijk beschikten over het DNA coderend voor het RIP-M41-KDEL of het RIP(M41)-KDEL
werd DNA geëxtraheerd. Op dit DNA werd vervolgens een PCR uitgevoerd met specifieke primers.
In Figuur 29 is te zien dat in de laantjes die corresponderen met de transgene BY-2 cellen telkens een
bandje te zien is op de correcte hoogte, het geamplificeerde DNA voor het RIP-M41-KDEL heeft een
grootte van ongeveer 1588bp, het geamplificeerde DNA voor het RIP(M41)-KDEL is ongeveer 1722bp.
Hieruit kan besloten worden dat het DNA dat codeert voor het RIP-M41-KDEL en het RIP(M41)-KDEL
aanwezig is in de getransformeerde BY-2 cellen.
Figuur 29: Agarosegelelektroforese van het PCR-product na PCR op het geëxtraheerde DNA uit de
getransformeerde cellen en wild type cellen. RM-KDEL staat voor RIP-M41-KDEL en R(M)-KDEL staat
voor RIP(M41)-KDEL. De primers voor het RIP-M41-KDEL construct waren EVD472 en P30. De primers
voor het RIP(M41)-KDEL construct en de wild type cellen waren EVD472 en P1. Er werden 35 cycli
uitgevoerd met een elongatietijd van 2 minuten en een annealingstemperatuur van 55°C.
5.3.1.6 Screening stabiel getransformeerde BY-2 cellen op RNA-niveau
Uit de screening op DNA-niveau bleek dat de BY-2 culturen wel degelijk beschikten over de juiste
DNA-inserten. Om te checken of dit DNA ook effectief tot expressie komt, werd een analyse op RNA47
niveau uitgevoerd. RNA werd geëxtraheerd uit de verschillende suspensieculturen en uitgaande van
het geëxtraheerde mRNA werd cDNA gemaakt. Op dit cDNA werd een PCR uitgevoerd met specifieke
primers. De agarosegels na elektroforese van het PCR-product zijn te zien in Figuur 30. Er is telkens
een bandje te zien op de correcte hoogte (de grootte van het geamplificeerde DNA van het RIP-M41KDEL is ongeveer 951bp, de grootte van het geamplificeerde DNA van het RIP(M41)-KDEL is ongeveer
1011bp), behalve bij de wild type cellen. Het is dus duidelijk dat het ingebrachte DNA ook tot
expressie komt.
Figuur 30: Agarosegelelektroforese van het PCR-product na PCR op het cDNA. RM-KDEL staat voor
RIP-M41-KDEL en R(M)-KDEL staat voor RIP(M41)-KDEL. Voor het RIP(M41)-KDEL construct werd een
PCR uitgevoerd met primers EVD805 en P134. Voor het RIP-M41-KDEL construct werden primers P29
en P134 gebruikt. Voor beide PCR-reacties werden 43 cycli, een annealingstemperatuur van 55°C en
een elongatietijd van 2 minuten gebruikt.
5.3.1.7 Screening stabiel getransformeerde BY-2 cellen in suspensiecultuur op
eiwit-expressie
Uitgaande van deze suspensieculturen werd een eiwitextractie uitgevoerd. De geëxtraheerde
eiwitfractie werd vervolgens gescreend op de aanwezigheid van het gewenste recombinant eiwit
door middel van SDS-PAGE gevolgd door coomassiekleuring enerzijds en western blot anderzijds.
Het RIP-M41-KDEL eiwit heeft een theoretische moleculaire massa van 74,5 kDa wanneer het
signaalpeptide bevestigd blijft. Indien het signaalpeptide verwijderd wordt heeft het eiwit een massa
van 71,6 kDa. Verder zijn er twee mogelijke N-glycosylatiesites te vinden in het eiwit en de
theoretische PI bedraagt 6,62. Het RIP(M41)-KDEL eiwit heeft een theoretische moleculaire massa
van 37,7 kDa als het signaalpeptide bevestigd blijft en zonder het signaalpeptide een massa van 34,8
kDa. Het eiwit bevat eveneens twee mogelijke N-glycosylatiesites. De theoretische PI van het eiwit
bedraagt 9,25.
5.3.1.7.1 Eiwitextractie
Eiwit werd geëxtraheerd uit 7 dagen oude suspensieculturen. Er werden telkens twee
extractiebuffers gebruikt, een basische (DAP (50mM, pH 10)) en een neutrale (Tris-HCl (50mM, pH
7,5)) extractiebuffer. Op het geëxtraheerde eiwit werd vervolgens een Bradfordmeting uitgevoerd
om de concentratie van het eiwit te bepalen. Voor SDS-PAGE werd in elk laantje ongeveer 30µg eiwit
geanalyseerd. Vervolgens werd een coomassiekleuring en een western blot analyse uitgevoerd.
5.3.1.7.2 Coomassiekleuring
Na de eiwitextractie en SDS-PAGE werd een gel gekleurd met een coomassieoplossing om de
eiwitten te visualiseren (Figuur 31). Op de gel zijn er veel banden te zien, wat wijst op een succesvolle
48
eiwitextractie. Maar er is geen duidelijk verschil tussen het eiwitextract van de wild type cultuur en
de getransformeerde BY-2 cellen en ook geen verschil tussen de twee gebruikte extractiebuffers. Er
zijn dus geen extra banden waar te nemen op de verwachte hoogtes voor de recombinante eiwitten
(74,5 of 71,6 kDa voor het RIP-M41-KDEL eiwit en 37,7 of 34,8 kDa voor het RIP(M41)-KDEL eiwit).
Figuur 31: Coomassiekleuring van de gel na SDS-PAGE. RM-KDEL staat voor RIP-M41-KDEL en R(M)KDEL staat voor RIP(M41)-KDEL. Per laan werd ongeveer 30µg eiwit geladen, in het midden van de gel
is de ladder te zien.
5.3.1.7.3 Western blot analyse
Op het geëxtraheerde eiwit werd ook een western blot analyse gedaan met anti-His antilichamen
(Figuur 32, links). Deze antilichamen binden met de His-tag die aanwezig is in de verschillende
fusieconstructen. Er is enkel een duidelijk bandje te zien bij de positieve controle. Bij alle andere
lanen zijn wel nog zeer lichte banden te zien, maar aangezien deze zowel bij de wild type BY-2 cellen
als bij de getransformeerde voorkomen kan besloten worden dat dit achtergrondkleuring is. De gel
werd na het blotten ook gekleurd met een coomassieoplossing (Figuur 32, rechts). Alhoewel er
duidelijk eiwit aanwezig was op de gel, zijn er op de coomassiegekleurde gel geen extra banden te
zien bij de extracten van de getransformeerde stalen ten opzichte van stalen van de wild type cellen.
Figuur 32: Western blot analyse van eiwitextracten van de suspensieculturen getransformeerd voor
de heterologe expressie van het RIP-M41-KDEL en het RIP(M41)-KDEL met anti-His antilichamen
(links). Coomassiekleuring van de gel na het blotten (rechts). RM-KDEL staat voor RIP-M41-KDEL en
R(M)-KDEL staat voor RIP(M41)-KDEL. Per laan werd ongeveer 30µg eiwit geladen, in het midden is de
ladder te zien.
Het expressieconstruct bevat ook een gen voor eGFP dat voorzien is van een ER-retentiesignaal
(KDEL). Het RIP-M41-KDEL en het RIP(M41)-KDEL zijn aanwezig in het ER. Om te bewijzen dat met de
gebruikte eiwitextractieprocedure eiwitten uit het ER worden geëxtraheerd werd een western blot
49
analyse uitgevoerd met anti-eGFP antilichamen (Figuur 33). Er zijn telkens bandjes te zien op de
verwachte hoogte. De positieve controle was recombinant eGFP. Er kan dus besloten worden dat er
bij eiwitextractie inderdaad eiwitten uit het ER worden geëxtraheerd.
Figuur 33: Western blot analyse met anti-eGFP. RM-KDEL staat voor RIP-M41-KDEL en R(M)-KDEL
staat voor RIP(M41)-KDEL. Per laan werd ongeveer 30µg eiwit geladen, in het midden van de gel is de
ladder te zien.
5.3.1.7.4 Western blot analyse met HisProbe
Aangezien de His-tag wordt gevolgd door een linker en de sequentie voor de ER-retentie (KDEL) kan
het zijn dat deze His-tag minder beschikbaar is voor interactie met de antilichamen. Daarom werd
ook een western blot analyse met een HisProbe (Thermo Scientific) en ECL detectie uitgevoerd. De
HisProbe is kleiner dan antilichamen en heeft minder last van sterische hinder. Daardoor kan de
HisProbe His-tags binden onafhankelijk van omliggende sequenties. De blot is te zien in Figuur 34,
doch behalve de positieve controle is geen signaal te zien.
Figuur 34: Western blot analyse met HisProbe. RM-KDEL staat voor RIP-M41-KDEL en R(M)-KDEL
staat voor RIP(M41)-KDEL. Per laan werd ongeveer 30µg eiwit geladen, in het midden is de ladder te
zien.
5.3.2 Expressie in E. coli
De bacteriële gastheer E. coli werd getest als alternatief heteroloog expressiesysteem. In dit geval
werd de procedure enkel uitgevoerd met het volledige RIP-M41, waarbij twee verschillende
constructen werden aangemaakt, namelijk de RIP-M41 sequentie met een C-terminale of Nterminale His-tag (Figuur 35).
50
Figuur 35: Schematische weergave van expressieconstructen voor E. coli. A, het RIP-M41 construct
met een C-terminale His-tag. B, Het RIP-M41 construct met een N-terminale His-tag.
Initiëel werden de expressieconstructen in de pCXP34h-vector gekloneerd met als doel om
constitutieve expressie van het RIP construct te bekomen in de bacteriecellen. Deze plasmiden met
de expressieconstructen werden getransformeerd in twee verschillende E. coli stammen, de BL21
stam en de rosetta stam. De rosetta stam is geoptimaliseerd om eukaryote eiwitten tot expressie te
brengen. Aangezien geen heterologe eiwitexpressie werd bekomen gebruik makende van de
constitutieve vector, werd gekozen om expressie te realiseren met een induceerbare
expressievector. De constructen werden na de benodigde PCR-reacties allereerst in de constitutieve
vector (pCXP34h-vector) binnengebracht. Daarna werd gebruik gemaakt van de pCXP34h-vectoren
die de constructen bevatten uit de BL21 E. coli stam om de constructen aan te maken voor de
induceerbare vector.
5.3.2.1 Aanmaak constructen
De coderende sequentie voor het RIP-M41 was beschikbaar in een pJET-vector en kan vanuit deze
vector geamplificeerd en gebruikt worden voor de aanmaak van de twee constructen.
In de eerste PCR werd de RIP-M41 sequentie voorzien van een C-terminale of een N-terminale Histag. Voor de ligatie van de constructen in de vectoren werd gebruik gemaakt van een Gibson
assembly. Deze Gibson assembly vereist dat er specieke DNA-fragmenten aanwezig zijn op het DNA.
Deze specifieke fragmenten werden aangebracht in de tweede PCR. De DNA-fragmenten bekomen
na deze twee PCR-reacties zijn weergegeven in Figuur 36. Bij beide constructen is er een bandje te
zien op de correcte hoogte (het RIP-M41 met de N-terminale His-tag en de C-terminale His-tag
hebben een grootte van ongeveer 1948bp).
51
Figuur 36: Agarosegelelektroforese na PCR voor het aanbrengen van de sequenties voor Gibson
assembly. N-His staat voor RIP-M41 met een N-terminale His-tag. C-His staat voor RIP-M41 met een
C-terminale His-tag. De primers die gebruikt werden voor het RIP-M41 met de C-terminale His-tag in
de eerste PCR zijn P39 en P60. Voor de N-terminale His-tag werden primers P178 en P179 gebruikt.
Voor de tweede PCR-reactie waren de primers voor het N-terminale construct P182 en P183. Voor het
C-terminale construct werd gebruik gemaakt van de primers P184 en P185 in de tweede PCR-reactie.
Beide PCR-reacties bestonden uit 35 cycli, een elongatietijd van 2 minuten en een
annealingstemperatuur van 55°C.
Dit PCR-product werd in een pJET-plasmide geligeerd en vervolgens met behulp van een heat-shock
in competente E. coli cellen ingebracht en uitgeplaat op LB-medium met ampicilline. Met behulp van
een kolonie-PCR werden de kolonies gescreend op de aanwezigheid van het RIP-M41 met de N- of Cterminale His-tag (Figuur 37). Alle kolonies met het RIP construct met de C-terminale His-tag (RIPM41-His) geven een DNA-fragment op de verwachte hoogte van ongeveer 2077bp. Slechts enkele
kolonies werden succesvol getransformeerd met het construct met de N-terminale His-tag (His-RIPM41), namelijk kolonies 1,3 en 8 vertonen een DNA-fragment op de correcte hoogte (ongeveer
2077bp).
Figuur 37: Agarosegel na kolonie-PCR van getransformeerde E. coli na heath-shock. N-His staat voor
RIP-M41 met een N-terminale His-tag (His-RIP-M41). C-His staat voor RIP-M41 met een C-terminale
His-tag (RIP-M41-His). De gebruikte primers zijn primers EVD275 en EVD276. Er werden 30 cycli
uitgevoerd met een elongatietijd van 2 minuten en een annealingstemperatuur van 60°C.
Via een plasmide-extractie werd het plasmide-DNA uit de getransformeerde cellen gehaald en
vervolgens geanalyseerd door middel van DNA-sequencing. Voor het RIP-M41-His construct bevatte
kolonie 2 de juiste sequentie, enkel één nucleotide aan de N-terminus ontbrak. Voor het His-RIP-M41
construct had geen enkele kolonie een insert met een correcte sequentie. Bij kolonie 8 ontbraken de
52
eerste 13 nucleotiden van de N-terminale Gibson-sequentie. Via PCR op de pJET-vector uit de
geselecteerde kolonies werden die laatste 13 nucleotiden opnieuw aangebracht bij het N-terminale
construct en de ontbrekende nucleotide bij het C-terminale construct. Bij deze PCR waren de primers
voor het N-terminale construct P182 en P183. Voor het C-terminale construct waren de primers P184
en P185 gebruikt. Het PCR-programma bestond uit 35 cycli, een elongatietijd van 2 minuten en een
annealingstemperatuur van 55°C.
Na deze PCR werd de Gibson assembly uitgevoerd voor beide constructen. Hierdoor werd het DNA
voor de constructen ingebracht in de pCXP34h-vector. De vectoren werden in E. coli BL21 ingebracht
met behulp van een elektroshock. De bacteriën werden op vast LB-medium met ampicilline
uitgeplaat en de kolonies werden geanalyseerd met een kolonie-PCR (Figuur 38). Er zijn voor zowel
het RIP-M41-His als het His-RIP-M41 DNA-fragmenten geamplificeerd met de correcte lengte. Voor
het His-RIP-M41 zijn er bij kolonies 1, 3, 4, 5, 8 en 10 een DNA-fragment te zien met de correcte
hoogte. Voor het RIP-M41-His zijn bij kolonies 1, 2, 3 en 5 telkens een DNA-fragment te zien met de
juiste grootte (grootte van het DNA is in beide gevallen 1875bp).
Figuur 38: Agarosegelelektroforese van het geamplificeerde DNA na kolonie-PCR op
getransformeerde BL21 E. coli. N-His staat voor RIP-M41 met een N-terminale His-tag. C-His staat
voor RIP-M41 met een C-terminale His-tag. De gebruikte primers waren P186 en P187. Er werden 30
cycli uitgevoerd met een elongatietijd van 2 minuten en een annealingstemperatuur van 55°C.
Aangezien er voor de gibson assembly een PCR-reactie plaats vond, was het nodig om de sequentie
van het insert in de vectoren die in de E. coli gebracht zijn te controleren. De plasmiden werden
geëxtraheerd uit de getransformeerde E. coli. De sequentie van het insert in kolonie 4 voor het HisRIP-M41 was correct. Voor het RIP-M41-His had kolonie 8 de correcte sequentie. Deze kolonies
werden gebruikt om E. coli culturen op te zetten. Er werden geen positieve resultaten bekomen voor
de constitutieve expressie van het recombinant eiwit.
5.3.2.2 Induceerbare expressie
Voor de induceerbare expressie werd gebruik gemaakt van de pET-21a-vector. Voor de klonering in
deze pET-vector zijn andere Gibson-sequenties nodig dan bij de pCXP34h-vector. Voor het RIP-M41
met de N-terminale His-tag werd de opgezuiverde pCXP34h-vector van kolonie 4 uit E. coli BL21 (met
de N-terminale His-tag) gebruikt als template in de PCR-reactie met primers P213 en P214. Voor de
PCR die werd uitgevoerd op het RIP-M41 met de C-terminale His-tag werd de opgezuiverde pCXP34hvector van kolonie 8 uit E. coli BL21 (met de C-terminale His-tag) gebruikt als template. De PCRreactie werd uitgevoerd met primers P215 en P216 bij een elongatietijd van 2 minuten, een
annealingstemperatuur van 55°C en 30 cycli.
53
5.3.2.2.1 E. coli rosetta
De PCR-producten werden via Gibson assembly in de pET-vector geligeerd. Vervolgens werden de
plasmiden getransformeerd in E. coli (rosetta stam) via heat-shock. De bacteriecellen werden
uitgeplaat op vast LB-medium met ampicilline en chlooramphenicol en de kolonies werden
geanalyseerd met behulp van een kolonie-PCR (Figuur 39). Voor het RIP-M41-His had kolonie 5 een
bandje op de correcte hoogte (grootte van het DNA is 1875bp), voor het His-RIP-M41 hadden
kolonies 2, 4, 6 en 8 een bandje op de juiste hoogte (grootte van het DNA is 1948bp).
Figuur 39: Agarosegelelektroferese na kolonie-PCR op getransformeerde rosetta E.coli. N-His staat
voor RIP-M41 met een N-terminale His-tag. C-His staat voor RIP-M41 met een C-terminale His-tag. De
kolonie-PCR voor het RIP-M41 met de C-terminale His-tag werd gedaan met primers P186 en P187.
Voor het RIP-M41 met de N-terminale His-tag werden primers P213 en P214 gebruikt. De kolonie-PCR
had een elongatietijd van 2 minuten, een annealingstemperatuur van 55°C en 27 cycli.
Kolonie 5 werd geselecteerd voor het RIP-M41 met de C-terminale His-tag en kolonie 6 voor het RIPM41 met de N-terminale His-tag. Deze kolonies werden opgegroeid in vloeibaar LB-medium en het
plasmide werd geëxtraheerd. De sequentieanalyse van beide constructen toonde aan dat de
sequenties correct waren.
Kolonie 5 voor het RIP-M41-His en kolonie 6 voor het His-RIP-M41 werden opgegroeid in 250mL
vloeibaar LB-medium met ampicilline en chlooramphenicol. Per construct werden twee
bacterieculturen opgegroeid tot de gewenste celdichtheid en één ervan werd telkens geïnduceerd
met IPTG. Na centrifugatie en sonicatie werd de oplosbare eiwitfractie van de onoplosbare
gescheiden. De oplosbare eiwitfractie werd op een Nikkel-kolom geanalyseerd maar er was amper
eiwit te zien in de elutiefracties.
De onoplosbare eiwitfractie werd gesuspendeerd met behulp van 8M ureum. De onoplosbare fractie
en de oplosbare fractie (deel van de onoplosbare fractie die niet op de Nikkel-kolom was gebracht)
werden op een polyacrylamidegel geladen. Er werd telkens 5µL van de oplosbare fractie geladen in
de corresponderende laantjes. De onoplosbare fractie werd opgelost in ongeveer 8mL van 8M
ureum. Hiervan werd eveneens 5µL in de corresponderende laantjes van de gel gebracht. Na SDSPAGE werd de gel gekleurd met coomassieblauwoplossing (Figuur 40). Na een tweede SDS-PAGE
werd een western blot uitgevoerd. De detectie gebeurde met anti-His antilichamen (Figuur 42). De
gel na het blotten werd gekleurd met coomassieblauwoplossing (Figuur 41).
54
Figuur 40: Coomassiekleuring van de gel na SDS-PAGE met het geëxtraheerde eiwit uit E. coli rosetta.
N-term staat voor het RIP-M41 met de N-terminale His-tag. C-term staat voor het RIP-M41 met de Cterminale His-tag. (+) betekent geïnduceerd met IPTG, (-) is het eiwit uit de niet-geïnduceerde
suspensieculturen.
Figuur 41: Coomassiekleuring van de gel na blotten van de SDS-PAGE met het geëxtraheerde eiwit uit
E. coli rosetta (Figuur 42). N-term staat voor het RIP-M41 met de N-terminale His-tag. C-term staat
voor het RIP-M41 met de C-terminale His-tag. (+) betekent geïnduceerd met IPTG, (-) is het eiwit uit
de niet-geïnduceerde suspensieculturen.
Figuur 42: Western blot analyse met anti-His antilichamen na SDS-PAGE met het geëxtraheerde eiwit
uit E. coli rosetta. N-term staat voor het RIP-M41 met de N-terminale His-tag. C-term staat voor het
RIP-M41 met de C-terminale His-tag. (+) betekent geïnduceerd met IPTG, (-) is het eiwit uit de nietgeïnduceerde suspensieculturen.
55
In Figuur 40 en Figuur 41 is duidelijk een aanrijking aan eiwit te zien in de onoplosbare eiwitfractie
van de E. coli culturen die het RIP-M41 met de C-terminale His-tag tot expressie brengen. De
accumulatie is het hoogst rond de 70kDa, wat correspondeert met de verwachte grootte van het
recombinante eiwit (70,962 kDa). Bij de western blot analyse (Figuur 42) is ook duidelijk een signaal
te zien voor het recombinante eiwit met de C-terminale His-tag ter hoogte van 70kDa in de
onoplosbare eiwitfractie. Bovendien zijn ook duidelijk fragmenten zichtbaar met een grootte van
ongeveer 55kDa, 42,8kDa, 32,6kDa, 26,5kDa, 21,4kDa en 14,7kDa. Dit zijn wellicht afbraakproducten
van het RIP-M41-His eiwit.
56
6 Discussie
Wanneer de genomen en transcriptomen van verschillende planten onderzocht werden, werd
ontdekt dat een groot aantal planten waar tot dan toe geen RIP’s werden gevonden toch RIP-achtige
sequenties tot expressie brengen (Peumans W. J., Van Damme E. 2010, Peumans W. J. et al. 2014,
Shang C. et al. 2014). Daarenboven werden in het genoom van graangewassen (tarwe en rijst) een
aantal genen gevonden die coderen voor RIP-achtige proteïnen met een chimere structuur. Deze
proteïnen bestaan uit een RIP-domein gekoppeld aan een domein met homologie ten opzichte van
de C19-peptidasen (RIP-C19) of met homologie ten opzichte van de M41-peptidasen (RIP-M41).
Indien men de sequentie bekijkt van deze chimere RIP’s is er geen signaalpeptide te vinden. Het werd
dan ook verwacht dat deze proteïnen in het cytoplasma van de cel terechtkomen.
6.1 Lokalisatie
Voor de lokalisatiestudie van de chimere RIP’s in de cel werden epidermiscellen van tabaksbladeren
(Nicotiana benthamiana) transiënt getransformeerd. De efficiëntie van de transiënte transformatie
was steeds laag. Slechts heel weinig cellen waren effectief transiënt getransformeerd. Deze lage
efficiëntie kan te wijten zijn aan de groei van de suspensieculturen. De OD’s van de bacterieculturen
waren telkens vrij hoog, daarom werd gevreesd dat de getransformeerde A. tumefaciens al voorbij
het stationaire groeistadium waren (aangezien de meting van de OD geen verschil maakt tussen
levende en dode cellen). Ook is het mogelijk dat door de lange groeitijd de A. tumefaciens hun
infectiviteit verloren. Zelfs na optimalisatie van het protocol bleef de efficiëntie vrij laag. Een
mogelijke reden is de silencing van het ingebrachte DNA. In het onderzoek van Voinnet et al. (2003)
werd de fluorescentie van GFP gevolgd in tabaksbladeren die transiënt getransformeerd werden met
behulp van A. tumefaciens. Indien ook p25 (inhibitor van silencing) werd ingebracht zag men een
verhoogde fluorescentie op 5 dagen na infiltratie. In een gelijkaardig experiment werd de
hoeveelheid geproduceerd eiwit (Cf-9) gevolgd met of zonder co-infiltratie van het p19 gen (inhibitor
van silencing). Op de eerste twee dagen na infiltratie was geen verschil te zien wanneer er wel of
geen co-infiltratie met p29 gebeurde. Vanaf drie dagen na infiltratie echter verhoogde de
hoeveelheid geproduceerd Cf-9 wanneer wel een co-infiltratie gebeurde terwijl er geen proteïne
meer waar te nemen was wanneer geen co-infiltratie gebeurde. Dit onderzoek wijst op het feit dat
mogelijks de efficiëntie van de transiënte transformatie laag is door silencing. Indien men de foto’s
(Figuur 19) van de cellen die getransformeerd zijn met eGFP vergelijkt met de foto’s van de cellen
getransformeerd met de andere constructen is er duidelijk een indicatie dat alle constructen
cytoplasmatisch gelokaliseerd zijn. Zoals verwacht is er geen verschil tussen de C-terminale en de Nterminale GFP-fusie van de proteïnes. Vrij eGFP is door zijn geringe grootte in staat om via passieve
diffusie in de nucleus te geraken (Seibel N.M. et al. 2007), wat te zien is in Figuur 19 als een een
duidelijk homogeen fluorescentiesignaal ter hoogte van de kern. De maximale grootte van een
proteïne dat de kern kan binnenkomen door passieve diffusie is ongeveer 60 kDa (Gorlich D. 1998,
Mattaj I. W., Englmeier L. 1998, Nigg E. A. 1997, Peters R. 1986, Silver P. A. 1991, Weis K. 2003).
Normaal gezien zouden het RIP-M41 en het RIP-C19 zonder een nucleair lokalisatie signaal niet in
staat zijn om de kern binnen te komen.
Voor colokalisatie werd gebruik gemaakt 4',6-diamidino-2-phenylindole (DAPI). DAPI bindt met DNA
en zal zorgen dat de kern fluorescent wordt. Indien het RIP-M41 en het RIP-C19 in de kern aanwezig
57
zijn zal het signaal van het eGFP (van de fusieconstructen) en het signaal van DAPI overlappen. De
gevolgde procedure was analoog als degene beschreven door Ricardi M. M. et al. (2012). DAPI bindt
specifiek met DNA en zorgt dat de nucleus gekleurd wordt met een blauwachtige fluorescentie. Bij
colokalisatie werden de suspensieculturen slechts overnacht geïncubeerd bij 28°C, dit zorgde voor
lagere OD’s van de suspensieculturen en een verhoogde efficiëntie. Hoewel de efficiëntie hoger was,
waren er toch nog vrij weinig cellen te zien die effectief de eGFP-fusieconstructen tot expressie
brachten. Bij de colokalisatie (Figuur 20) met DAPI is er een duidelijke indicatie dat de fusieproteïnen
in het cytoplasma aanwezig zijn en niet (of slechts zeer weinig) in de kern, aangezien de signalen van
het eGFP (van de fusieconstructen) en het DAPI slechts weinig overlappen in vergelijking met de
overlap in het signaal bij het vrije eGFP en DAPI.
De foto’s van de lokalisatie- en de colokalisatiestudie zijn het resultaat van een Z-projectie van de
verschillende gescande XY-vlakken. Het fluorescentiesignaal in deze foto’s is aldus een som van de
fluorescentiesignalen van de verschillende dwarsdoorsneden. Deze experimenten geven een
indicatie over de lokalisatie. Doordat de intensiteit van de gebruikte laser niet steeds dezelfde was
kunnen geen sluitende conclusies genomen worden. Het is mogelijk om de visuele informatie uit de
foto’s aan de hand van algoritmen en computerprogramma’s te vertalen naar kwantitatieve
informatie. Hierbij zou dus per dwarsdoorsnede de mate van overlap van de verschillende
fluorescentiesignalen gekwantificeerd worden. Met deze kwantitatieve data kunnen vervolgens
sluitende conclusies genomen worden. Er werd geen kwantitatieve analyse gedaan aangezien slechts
weinig foto’s werden genomen van een aantal constructen (door de lage efficiëntie van de transiënte
transformatie). Op basis van de foto’s uit deze thesis kan wel een eerste indicatie van de lokalisatie
afgeleid worden: Het RIP-M41 en het RIP-C19 zijn hoogstwaarschijnlijk louter cytoplasmatisch
gelokaliseerd.
Bij de type 2 RIP’s is het meeste onderzoek gedaan naar ricine. Ricine wordt aangemaakt als een
preproteïne dat bestaat uit een signaalpeptide, de A-keten, een linker (bestaande uit 12 aminozuren)
en de B-keten. Dit proteïne matureert tijdens het transport via het ER en het golgi apparaat naar
proteïneopslag-vacuolen (‘protein bodies’). Slechts na de aankomst in deze ‘protein bodies’ wordt
het ricine actief (Lord J. M. et al. 1994, Van Damme E. J. M. et al. 2001). Het type 2 RIP van Sambucus
nigra is aanwezig in de ‘protein bodies’ van de parenchym cellen van het floëem (Greenwood J. S. et
al. 1986).
Vele type 1 RIP’s worden als preproproteïnen aangemaakt die bestaan uit een signaalpeptide, het
RIP-domein zelf en een C-terminale verlenging (Van Damme E. J. M. et al. 2001). Dankzij
immunolokalisatie is gevonden dat PAP vooral aanwezig is in de matrix van de celwand en een klein
gedeelte in de vacuole in cellen van de bladeren van Phytolacca americana (Ready M. et al. 1986). In
de zaden van Saponaria officinalis is saporine vooral te vinden in de intercellulaire ruimten en in de
vacuole van periplasmatische cellen. In de bladeren is het saporine te vinden in de intercellulaire
ruimten van de parenchymcellen (chlorenchym) (Carzaniga R. et al. 1994). Gypsophilin uit de
Gypsophila elegans is aanwezig in de intercellulaire ruimten en de vacuolen van de cellen in de
bladeren (Yoshinari S. et al. 1997). Pepocine is een RIP uit Cucurbita pepo, dit type 1 RIP is aanwezig
in de intercellulaire ruimten in bladeren en het sarcocarp (Yoshinari S. et al. 1996). Het type 1 RIP
luffine van Luffa cylindrica heeft een verschillende subcellulaire lokalisatie naargelang het
ontwikkelingsstadium van de plant. In rijpe zaden is het luffine te vinden in de ‘protein bodies’ van
het opslagweefsel, terwijl in de volgroeide weefsels (stengel en volgroeide bladeren) het luffine
aanwezig is in de extracellulaire matrix (Di Cola A. et al. 1999). Beetines zijn type 1 RIP’s uit Beta
58
vulgaris. Iglesias R. et al. (2005) toonden aan dat deze RIP’s aanwezig zijn in de apoplast. Ook hier zijn
de RIP’s dus aanwezig op plaatsen weg van de ribosomen. De type 1 RIP’s uit Poaceae bevatten
veelal geen signaalpeptiden. Deze RIP’s zijn dus waarschijnlijk aanwezig in het cytoplasma (Habuka,
N. et al. 1993, Van Damme E. J. M. et al. 2001).
JIP60 is net zoals het RIP-M41 en het RIP-C19 een type 3 RIP en eveneens afkomstig uit een
graangewas. Het JIP60 bezit geen signaalpeptide en is dus waarschijnlijk aanwezig binnenin de cel
(Van Damme E. J. M. et al. 2001). Zoals bewezen door Rustgi S. et al. (2014) kan het JIP60 de
translatie inhiberen. Maar het JIP60 wordt geïnduceerd door jasmonaat, en zal dus niet continu
aanwezig zijn.
Rijst en tarwe zijn leden van de familie van de Poaceae. Net zoals vele type 1 RIP’s uit de Poaceae en
JIP60 hebben het RIP-M41 en het RIP-C19 geen signaalpeptide. In deze thesis werd een indicatie
geleverd dat deze proteïnen naar alle waarschijnlijkheid in het cytoplasma gelokaliseerd zijn. Deze
RIP’s zijn dus aanwezig in hetzelfde compartiment als de ribosomen net zoals verwacht voor vele
type 1 RIP’s uit de Poaceae (Habuka N. et al. 1993, Van Damme E. J. M. et al. 2001). Het is mogelijk
dat de waardeigen ribosomen resistent zijn aan het RIP-M41 en/of het RIP-C19. Een andere
mogelijkheid is dat deze proteïnen meer tot expressie komen in respons op specifieke signalen.
6.2 Heterologe expressie
6.2.1 Heterologe expressie in BY-2 cellen
Om eukaryote eiwitten recombinant aan te maken is het vaak gewenst dit te doen in een eukaryote
gastheer zoals planten of plantencellen. Het gebruik van plantcel-culturen heeft vele voordelen.
Omdat planten eukaryoten zijn, kunnen ze ervoor zorgen dat het proteïne de correcte tertiaire
structuur en de benodigde post-translationele modificaties heeft. Plantcel-culturen zijn minder duur
dan culturen van zoogdiercellen aangezien de plantencellen veel eenvoudigere media en geen serum
nodig hebben om te groeien. Ook zijn plantcel-culturen relatief veiliger om mee te werken aangezien
deze geen pathogenen bevatten die schadelijk zijn voor mens of dier (Doran P. M. 2006a, Hellwig S.
et al. 2004, Ma J. K-C. et al. 2005, Twyman R. M. et al. 2003). Er zijn celculturen beschikbaar van
verschillende planten zoals rijst (Huang, J. et al. 2002), wortel (Aviezer D. et al. 2008), soja (Smith, M.
L. et al. 2002) en andere. De celculturen gemaakt van tabak (bv. BY-2 cellen) zijn het meest populair
door hun vrij snelle groei, goed gekende transformatie methoden (An G. 1985) en de relatief
eenvoudige en goedkope nutritionele eisen (Dhingra A. et al. 2009, Shojima S. et al. 1989).
Voor de aanvang van deze thesis werden reeds suspensieculturen gemaakt die het RIP-M41 en het
RIP-C19 tot expressie brachten. Deze proteïnen bestonden uit het RIP-M41 en het RIP-C19 gefuseerd
met een signaalpeptide dat zorgde voor de secretie van deze eiwitten in het medium. Daarnaast
waren ze ook voorzien van een C-terminale His-tag voor detectie en opzuivering. Indien de eiwitten
aanwezig zijn in het medium van suspensieculturen is de opzuiveringsstap vrij beperkt en relatief
eenvoudig door de geringe aanwezigheid van andere proteïnen in het medium. Er werd echter geen
recombinant eiwit gedetecteerd in het medium. Het is mogelijk dat de proteïnen gedegradeerd
werden door gesecreteerde proteasen en/of geadsorbeerd werden aan de wanden van de
cultuurflessen. Het verlies van gesecreteerd recombinant eiwit geproduceerd in plantcelsuspensieculturen werd al meermaals opgetekend in verschillende onderzoeken (James E. A. et al.
59
2000, Kwon T. H. et al.2003, Lee, S.-Y. et al. 2004, Magnuson N. S. et al. 1996, Sharp J. M., Doran P.
M. 2001, Tsoi B. M-Y., Doran P. M. 2006b).
De degradatie van de recombinante proteïnen door gesecreteerde proteasen is een mogelijke
verklaring voor het verlies aan eiwit. Een mogelijke oplossing om proteolyse te stoppen is het
toedienen van protease inhibitoren aan het medium van de plantencellen, maar deze inhibitoren zijn
echter vrij duur. Een andere manier is het introduceren van knock-out mutaties in de plantcellen
voor de genen van deze proteasen die gesecreteerd worden. Ook kan men samen met de gewenste
proteïnen protease inhibitoren tot expressie brengen in de cellen van deze celcultuur (Doran P. M.
2006a).
De adsorptie (irreversibel) van proteïnen aan de wand van het cultuurvat kan zorgen voor grote
verliezen in de opbrengst. Proteïnen kunnen gemakkelijk adsorberen aan de wand van de
suspensiecultuur (dus aan glas, maar ook aan metaal en plastiek). De heteroloog aangemaakte
proteïnen kunnen beschermd worden tegen absorptie door aanwezigheid van andere proteïnen die
de adsorptieplaatsen innemen. De media die echter gebruikt worden voor plantcel-culturen bevatten
vaak vrij weinig proteïnen. Door de adsorptie zal wellicht niet alle eiwit verdwijnen uit het medium,
zodat niets meer gedetecteerd wordt (Doran P. M. 2006a, Doran P. M. 2006b). Het is echter wel
mogelijk dat het mede verantwoordelijk is (samen met bijvoorbeeld proteolyse en dergelijke) voor
de volledige verdwijning.
Het is mogelijk om het verlies aan heteroloog aangemaakte proteïnen in het medium te beperken
door het toevoegen van bepaalde stabilizerende componenten zoals polyvinylpyrrolidone (PVP),
dimethyl sulfoxide (DMSO), gelatine, albumine en bepaalde zouten (Baur A. et al. 2005, James E. A. et
al. 2000, LaCount W. et al. 1997, Lee J.-H. et al. 2002, Magnuson N. S. et al. 1996, Kwon T. H. et al.
2003, Sharp J. M., Doran P. M. 2001, Soderquist R. G., Lee J. M. 2005, Wahl M. F. et al. 1995
Wongsamuth R., Doran P. M. 1997).
In deze thesis werd geopteerd voor een andere strategie waarbij de proteïnen niet meer
gesecreteerd worden. De proteïnen werden voorzien van een KDEL (lysine-asparaginezuurglutaminezuur-leucine)-signaal. Deze KDEL is noodzakelijk voor proteïnen die in het ER blijven en niet
worden gesecreteerd (Pelham H. R. 1990). Dit signaal werd al vaak gebruikt om recombinant
aangemaakte eiwitten specifiek in het ER te laten accumuleren (Herman E. M. et al. 1990, Wandelt C.
I. et al. 1992). Proteïnen die een ER-retentiesignaal bevatten kunnen nog steeds geglycosyleerd
worden (Nair N. R. et al. 2014). In onderzoek van Nair N. R. et al. (2014) zag men dat de C-terminale
fusie van een KDEL-signaal aan het proteïne dat heteroloog tot expressie werd gebracht een grote
impact had op de hoeveelheid proteïne dat kon worden opgezuiverd in vergelijking met de situatie
waarin men het proteïne secreteerde. De reden hiervoor was waarschijnlijk een tragere degradatie in
het ER (ook geen adsorptie aan het cultuurvat). Hetzelfde fenomeen werd gezien in het onderzoek
van Wandelt C. I. et al. (1992).
Er werden aldus constructen aangemaakt waar het RIP-M41 of het aparte RIP-domein van het RIPM41 voorzien werd van een signaalpeptide, His-tag en ER-retentiesignaal. Deze constructen werden
in BY-2 cellen ingebracht met behulp van A. tumefaciens. Suspensieculturen werden gestart
uitgaande van gepoolde veelbelovende calli. De selectie van calli gebeurde op basis van de
fluorescentie omdat op het ingebrachte DNA ook een gen aanwezig was dat voor de productie van
eGFP zorgt. De fluorescentie (en dus de hoeveelheid eGFP) is een maat voor de expressie van het
ingebrachte DNA. De gevormde suspensieculturen werden geanalyseerd op DNA-, RNA- en eiwit60
niveau. Bij de DNA-screening was duidelijk te zien dat de cellen succesvol getransformeerd waren.
Uit analyse op RNA-niveau bleek dat de constructen ook effectief tot expressie kwamen. Vervolgens
werd eiwit geëxtraheerd en een SDS-PAGE uitgevoerd. Op basis van deze gels na SDS-PAGE werden
western blots uitgevoerd evenals coomassiekleuring. In de coomassiegekleurde gels was in geen
enkel geval een duidelijk extra bandje te zien bij de getransformeerde BY-2 cellen in vergelijking met
de ongetransformeerde suspensiecultuur (wild type suspensiecultuur). Er werd een western blot
analyse gedaan op het opgezuiverde eiwit met anti-His antilichamen. Het anti-His antilichaam zou
moeten binden met de His-tag die aanwezig is in de heteroloog aangemaakte eiwitten. Het
recombinant eiwit, dat al dan niet gevormd was, kon echter niet gedetecteerd worden.
Om te bewijzen dat er wel degelijk eiwitten werden geëxtraheerd uit het ER met het gebruikte
protocol werd een western blot gedaan met antilichamen tegen eGFP. Het eGFP dat mee tot
expressie komt in de getransformeerde cellen is eveneens voorzien van een ER-retentiesignaal. De
western blot analyse toonde duidelijk de aanwezigheid van eGFP aan. Het is dus duidelijk dat er
succesvol proteïnen uit het ER konden geëxtraheerd en gedetecteerd worden.
Omdat het mogelijk is dat de His-tag moeilijk bereikbaar is voor de anti-His antilichamen (doordat het
KDEL-signaal C-terminaal naast de His-tag zit en het open leesraam voor de constructen N-terminaal)
werd een HRP-Nikkel conjugaat gebruikt in plaats van een anti-His antilichaam om het eiwit te
detecteren. Dergelijk systeem zou minder gevoelig moeten zijn aan sterische hindering door het feit
dat het nikkel-conjugaat kleiner is dan een antilichaam.
Er zijn een aantal nadelen geassocieerd met het gebruik van ER-retentie. Zo kan het zijn dat de
tertiare structuur en de post-translationele modificaties verschillen van de normale situatie
(Mikschofsky H. et al. 2009). In het ER zijn er proteolytische pathways die verkeerd gevouwen
proteïnen afbreken. Ongevouwen of verkeerd gevouwen proteïnen kunnen in sommige gevallen
getransporteerd worden naar het cytosol om door het proteasoom afgebroken te worden (ERAD)
(Gomord V. et al. 2010). De afbraak van proteïnen die naar het ER gestuurd werden, werd in
verschillende onderzoeken reeds opgemerkt (Benchabane M. et al. 2009, Schiermeyer A. et al. 2005).
Zo wordt bij het bovien aprotinine de N- en C-termini partieel afgebroken wanneer het proteïne
heteroloog wordt aangemaakt en een ER-retentiesignaal bevat (Badri M. A. et al. 2009). Bij
antilichamen die recombinant werden aangemaakt in planten zag men ook een systematische
processing (De Muynck B. et al. 2009).
Een mogelijke reden voor het falen van dit experiment is dat het eiwit misschien herkend werd als
niet correct gevouwen en werd afgebroken via ERAD. Uit de lokalisatiestudie is er een sterke
indicatie dat zowel het RIP-M41 als het RIP-C19 cytoplasmatische proteïnen zijn. Deze proteïnen zijn
dus aanwezig in de reducerende omgeving van het cytoplasma in tarwe of rijst. Door een
secretiesignaal en een ER-retentiesignaal te bevestigen aan de proteïnen komen deze terecht in het
ER. Doordat het RIP-M41 en het RIP-C19 in het ER terecht komen kunnen er aldus disulfide bruggen
gevormd worden die er niet horen. Door deze disulfide bruggen kunnen de eiwitten verkeerd
worden opgevouwen en herkend worden door ERAD. Een andere reden is dat het eiwit mogelijks in
te lage hoeveelheden wordt geproduceerd.
Het is ook mogelijk dat het eiwit aanwezig is, maar dat de detectie niet correct verloopt. Een
mogelijke oplossing is het gebruik van een andere tag. Mogelijkheden zijn: polyarginine-tag, Flag-tag,
c-myc-tag, strep-tag, SBP-tag, cellulose-bindingsdomein, calmoduline bindend peptide, chitinebindend-domein, glutathione S-transferase-tag, maltose-bindend proteïne (Terpe K. 2002).
61
6.2.2 Heterologe expressie in E. coli
Als alternatief systeem voor de expressie in BY-2 cellen werd de heterologe expressie in E. coli
uitgevoerd. De expressie van proteïnen in E. coli heeft vele voordelen. E. coli heeft een zeer snelle
groei (Sezonov G. et al. 2007). Het is ook mogelijk om vrij gemakkelijk hoge celdensiteiten te behalen.
Een ander voordeel is dat rijke en complexe media te maken zijn met goedkope en makkelijk te
verkrijgen bestanddelen (Rosano G. L., Ceccarelli E. A. 2014). Ook de transformatie van E. coli is
relatief snel en gemakkelijk (heat-shock of electroshock) (Pope B., Kent H. M. 1996, Rosano G. L.,
Ceccarelli E. A. 2014). De recombinante proteïnen kunnen terechtkomen in het cytoplasma of het
periplasma. Het cytoplasma werd in dit geval gekozen omdat dit vaak zorgt voor een hogere
productie (Terpe K. 2006).
In deze thesis werd als test slechts één construct tot expressie gebracht, namelijk het RIP-M41. Het is
mogelijk dat de heterologe expressie in BY-2 cellen mislukte doordat het fout loopt in de detectie van
de His-tag. Aangezien in dit geval geopteerd werd om het proteïne in het cytoplasma te laten
accumuleren was er geen signaalpeptide nodig. Hierdoor was het mogelijk om twee constructen aan
te maken met de His-tag enerzijds C- of N-terminaal om uit te sluiten dat de positie van de His-tag de
detectie beïnvloedt. Voor de expressie werd gebruik gemaakt van de rosetta stam. De rosetta stam is
speciaal gemaakt om eukaryote genen met een afwijkende codon-samenstelling ten opzichte van
prokaryote genen succesvol in E. coli tot expressie te brengen. Aangezien het RIP-M41 zich in het
cytoplasma van de plantencel bevind (zie lokalisatie) wordt er geen extensieve N-glycosylatie van het
proteïne verwacht die noodzakelijk zou zijn voor de functie van het proteïne en geen disulfide
bruggen.
De coderende sequentie voor het RIP-M41 met de N- of C-terminale His-tag werd in de pCXP34hvector ingebracht. De pCXP34h-vector zorgt voor een constitutieve expressie van het ingebrachte
insert. Het experiment met de constitutieve vector leverde geen resultaten op.
De constitutieve expressie van RIP’s in bacteriën kan problematisch zijn door de mogelijke toxiciteit.
Het is duidelijk dat de actieve site van het RIP-domein aanwezig is in het RIP-M41 waardoor er dus
RIP-activiteit kan zijn. Het werd al eerder beschreven dat sommige RIP’s toxisch zijn voor
prokaryoten. Dianthine en PAP bijvoorbeeld zijn in staat om de prokaryotische ribosomen te
inactiveren (Hartley M. R. et al. 1991). Bij de heterologe expressie van type 1 RIP’s in bacteriën zijn er
reeds problemen opgetekend (Vepachedu R. et al. 2005). MAP (Mirabilis antiviral protein, een type 1
RIP) bijvoorbeeld werd tot expressie gebracht in E. coli, maar dit resulteerde in slechte opbrengsten
en een vertraging van de groei (Kataoka J. et al. 1991). Wanneer het ME1 (RIP uit Miribalis expensa)
(Vepachedu R. et al. 2005) of het b-32 RIP (pro-RIP en de actieve sequentie) (Hey T. D. et al. 1995) tot
expressie werden gebracht in E. coli werd geen toxiciteit opgemerkt. Het is dus afhankelijk van RIP
tot RIP of de heterologe expressie ervan mogelijk is in E. coli. De mogelijke oplossing is het gebruik
van induceerbare expressie van het RIP om eventuele toxiciteit tijdens de groei te vermijden.
Hierdoor kunnen de bacteriën groeien tot een hoge celdensiteit alvorens de expressie van het
potentieel toxische proteïne geïnduceerd wordt. Ook kan het proteïne naar het periplasma worden
gebracht, weg van de ribosomen in het cytoplasma (Rosano G. L., Ceccarelli E. A. 2014). In dit geval
werd gekozen voor induceerbare expressie.
De expressie van eukaryote eiwitten in E. coli kan problemen geven. Één van deze redenen is het niet
overeenkomen van de codonfrequentie in het gen met de codonfrequentie van de gastheer. Dit
betekent dat er in het gen codons aanwezig zijn waarvan het tRNA zeldzaam is in de gastheer.
62
Wanneer het mRNA van dat gen dan wordt vertaald zullen al deze zeldzame tRNA’s worden
opgebruikt en zal een tekort ontstaan. Door dit tekort kan vervolgens bij de vertaling van het mRNA
de verkeerde aminozuren worden geïncorporeerd (Gustafsson C. et al. 2004, Rosano G. L., Ceccarelli
E. A. 2014). Ook kan door het tekort van de tRNA’s de translatie zeer traag gaan, vroegtijdig stoppen
en leiden tot een translationele frameshift (Kurland C., Gallant J. 1996). In Figuur 45 (bijlage) is het
open leesraam voor RIP-M41 weergegeven, in kleur zijn de zeldzame tRNA’s (in E. coli) aangeduid
(UCLA 2012). Er zijn twee strategieën die worden gebruikt om dit probleem (zijnde het verschil in
codonfrequentie in het ingebrachte DNA en de gastheer voor recombinante expressie) op te lossen.
De eerste strategie is de codon-optimalisatie van het transgen. Hierbij worden de problematische
codons vervangen door codons die wel een hoge frequentie hebben in de gastheer en die coderen
voor hetzelfde aminozuur (Burgess-Brown N. A. et al. 2008, Menzella H. G. 2011, Welch M. et al.
2009). Dit proces is eerder omslachtig en kost veel geld (Rosano G. L., Ceccarelli E. A. 2014). Een
andere oplossing is het aanpassen van de gastheer (Sorensen H. P., Mortensen K. K. 2005). Hierbij zal
een plasmide met extra kopieën van de genen voor de zeldzame tRNA’s worden ingebracht in de
gastheer (Rosano G. L., Ceccarelli E. A. 2014). Aangezien er een vermoeden was dat de translatie in E.
coli problemen kan geven door het niet voldoende aanwezig zijn van een aantal tRNA’s die nodig zijn
voor de translatie van het RIP-M41 mRNA, werd de rosetta stam gebruikt voor de heterologe
expressie. De rosetta stam is afgeleid van de BL21 stam maar bevat extra genen voor zeldzame
codons zoals: ata, agg, aga, cgg, cta, ccc en gga (Terpe K. 2006).
Door bovenstaande redenen werd de heterologe expressie van het RIP-M41 met de N- of Cterminale His-tag uitgevoerd in de rosetta stam met een induceerbare vector. De vector die werd
gebruikt was de pET-21a-vector. De CDS voor het RIP-M41 met de N- of C-terminale His-tag werd in
de vector gebracht. Deze vector werd vervolgens in E. coli rosetta ingebracht. Wanneer de OD bij
600nm tussen 0,5 en 0,8 bedroeg werd de productie van het RIP-M41 geïnduceerd met 1mM IPTG.
Zoals te zien is in Figuur 40, Figuur 41 en Figuur 42 is er duidelijk heteroloog aangemaakt RIP-M41 te
vinden in de onoplosbare fractie van de E. coli rosetta met het open leesraam voor het RIP-M41 met
de C-terminale His-tag.
De reden waarom het RIP-M41 onoplosbaar is, kan te vinden zijn in de codonfrequentie van de
gastheer. Het veranderen van codons, zelfs al codeert het codon voor hetzelfde aminozuur kan een
duidelijk effect hebben op het proteïne in kwestie (Angov E. et al. 2008). Zo kan het veranderen van
een niet-frequent gebruikt codon naar een frequent gebruikt codon een negatief effect hebben op
de enzymatische activiteit (Komar A. A. et al. 1999). Ook zou het veranderen van een frequent codon
naar een zeldzaam codon in gebieden met veel frequent voorkomende codons aanleiding kunnen
geven tot een veranderde substraatspecificiteit (Kimchi-Sarfaty C. et al. 2007). Iets gelijkaardigs kan
optreden wanneer een gen tot expressie komt in een andere gastheer. Deze gastheer kan andere
codonfrequenties hebben dan de originele gastheer. Soortspecifieke verschillen in codonfrequentie
kunnen aan de basis liggen van heel wat problemen in heterologe expressie van proteïnen, onder
andere niet-functioneel of onoplosbaar proteïne wat veroorzaakt kan worden door niet correct
gevouwen eiwit (Adzhubei A. A. et al. 1996, Kurland C., Gallant J. 1996, Lindsley D. et al. 2003). In E.
coli heeft men de DNA-sequentie van genen vergeleken met de proteïne-sequentie. Daar werd
gevonden dat groepen van zeldzamere codons vaak geassocieerd waren met de sequenties tussen de
domeinen (Thanaraj T. A., Argos P. 1996a). Doordat tussen deze domeinen infrequente codons
aanwezig zijn zal het ribosoom de sequentie tijdelijk trager vertalen, hierdoor kunnen de domeinen
al (geheel of gedeeltelijk) op zichzelf vouwen (Angov E. et al. 2008). Door eukaryote genen in te
63
brengen in E. coli verandert de codonfrequentie van het gen. Hierdoor kunnen deze gebieden tussen
de domeinen dan wel frequente codons bevatten en kunnen de domeinen niet meer individueel
opvouwen. Dit kan leiden tot verkeerde vouwing. Rosano G. L. en Ceccarelli A. (2009) hebben
onderzoek gedaan waarbij plantproteïnen tot expressie werden gebracht in E. coli. In dat onderzoek
werd gebruik gemaakt van twee stammen, een normale E. coli stam en een E. coli stam waarbij een
aantal codons een verhoogde frequentie hadden. Wanneer genen met een relatief groot aantal
(meer dan 5%) codons die waren aangerijkt in de aangepaste stam tot expressie werden gebracht in
de aangepaste stam, waren de corresponderende proteïnen meer onoplosbaar dan wanneer ze in de
niet-aangerijkte stam tot expressie werden gebracht. Proteïnen afkomstig van genen met een kleiner
aantal van deze codons waren oplosbaar bij expressie in beide stammen. De rosetta stam is ook
aangerijkt aan een aantal zeldzame codons. Hierdoor is het dus mogelijk dat de gebieden tussen de
domeinen niet meer zorgen voor een vertraging in de translatie en dat de domeinen niet meer
(geheel of gedeeltelijk) individueel kunnen opvouwen. Dit kan op zijn beurt zorgen voor een
onvolledige vouwing en aggregatie van de recombinante proteïnen in ‘inclusion bodies’ (onoplosbare
eiwitfractie). Een andere reden voor het onoplosbaar zijn van de eiwitten kan te vinden zijn in de Histag. Zhu S. et al. (2012) zagen in experimenten dat de incorporatie van een His-tag kan zorgen voor
een onoplosbaar eiwit. Het natieve eiwit was steeds oplosbaar maar het eiwit met de His-tag kwam
vaker in de onoplosbare fractie terecht (afhankelijk van de driedimensionale structuur van het eiwit).
Het is vaak gewenst om oplosbaar eiwit te bekomen. Om het eiwit oplosbaar te maken kan er aan
het eiwit een polypeptide gefuseerd worden dat zeer oplosbaar is zoals bijvoorbeeld thioredoxine of
GST. Een andere mogelijkheid is de translocatie naar het periplasma (Novagen 2003). De translocatie
naar het periplasma is in dit geval een weinig interessante oplossing aangezien het periplasma de
vorming van disulfidebruggen in de hand werkt, en het RIP-M41 een cytoplasmatisch proteïne is.
Wanneer proteïnen heteroloog worden aangemaakt is er in vele gevallen een zeer hoge productie
van dit proteïne. Zo een hoge productie kan ervoor zorgen dat het cytosol vol raakt en de
kwaliteitscontrole mechanismen van de cel overbelast (Carrio M. M., Villaverde A. 2002). Het
vertragen van de eiwitexpressie is daarom een andere optie om meer oplosbaar eiwit te bekomen.
De inductie bij lagere temperaturen is zo een mogelijkheid om meer oplosbaar recombinant eiwit te
bekomen, de gebruikte temperaturen liggen dan vaak tussen 15-25°C (Rosano G. L., Ceccarelli A.
2014). Vaak wordt de eiwitexpressie geïnduceerd wanneer de bacteriën in de mid-log groeifase zijn,
wanneer de bacteriën zeer snel groeien en de proteïnesynthese maximaal is. Maar inductie in de
vroege stationaire fase zou in sommige gevallen tot meer oplosbaar eiwit kunnen leiden, omdat de
eiwitsynthese vertraagd is op dat moment (Galloway C. A. et al. 2003, Ou J. et al. 2004). Ook kunnen
extra chaperones samen met het eiwit tot expressie gebracht worden (Carrio M. M., Villaverde A.
2001, de Marco A., De Marco V. 2004).
Een andere aanpak om oplosbaar, actief eiwit te bekomen is het terug opvouwen van de proteïnen.
In sommige onderzoeken is de vorming van ‘inclusion bodies’ gewenst. Een voordeel van ‘inclusion
bodies’ is een hoge productie van het recombinante eiwit. Deze ‘inclusion bodies’ zijn gemakkelijk af
te scheiden door hun hoge densiteit. Er is ook een verlaagde degradatie van het recombinante
proteïne. De proteïnen in ‘inclusion bodies’ zijn in vele gevallen ook al vrij zuiver. Om vanuit
‘inclusion bodies’ terug actief eiwit te krijgen zijn twee stappen essentieel, namelijk het oplosbaar
maken en de hervouwing van de eiwitten. Eerst kunnen de ‘inclusion bodies’ gescheiden worden van
het celmateriaal door gebruik te maken van centrifugatie met een lage snelheid na de lyse van de
cellen (Singh S. M., Panda A. K. 2005). De eiwitten worden dan weer oplosbaar gemaakt met behulp
64
van hoge concentraties aan chaotropische agentia zoals ureum, guanidine hydrochloride en andere
(Fischer B. et al. 1993, Rudolph R. et al. 1997). Hierbij kan ook β-mercaptoethanol worden
toegevoegd of een ander reducerend agens (Fischer B. et al. 1993). Vervolgens hervouwen de
proteïnen zich tijdens het verwijderen van het chaotropische agens (Clark E. D. 2001, Fischer B. et al.
1993, Mayer M., Buchner J. 2004, Misawa S., Kumagai I. 1999, Rudolph R. et al. 1997, Vallejo L. F.
Rinas U. 2004). Na het hervouwen kan er nog een opzuiveringsstap plaatsvinden om de nog
eventueel aanwezige contaminanten te verwijderen. Er bestaan verschillende varianten op dit
protocol (Singh S. M., Panda A. K. 2005).
65
7 Conclusie en
onderzoek
ideeën
voor
verder
In deze thesis werd onderzoek gedaan naar een tot nu toe vrij weinig beschreven klasse van RIP’s
namelijk de type 3 RIP’s. Met behulp van lokalisatie- en colokalisatiestudies werd een sterke indicatie
geleverd dat het RIP-M41 en RIP-C19 zich in het cytoplasma van de cel bevinden. Dit resultaat kan
een eerste indicatie leveren naar de fysiologische functies van deze proteïnen. Aangezien ze in het
cytoplasma vertoeven is het logisch om te veronderstellen dat respectievelijk de ribosomen van
tarwe en rijst en bij uitbreiding eventueel de Poaceae of planten in het algemeen tolerant zijn
tegenover deze RIP’s. Het is ook mogelijk dat de expressie van deze RIP’s wordt opgereguleerd als
respons op een bepaalde vorm van stress en dat de waardeigen ribosomen niet resistent zijn. Het feit
dat deze eiwitten in het cytoplasma aanwezig zijn is in overeenstemming met een mogelijke rol ervan
in de plantenbescherming. Zo zouden deze RIP’s toxisch kunnen zijn voor fytofage insecten,
bacteriën of virussen die de plant aanvallen. Of de RIP’s kunnen de planten beschermen tegen
abiotische stress.
De ER-retentie strategie voor het recombinant aanmaken van de eiwitten was niet succesvol. De
problemen met de expressie in BY-2 cellen zijn waarschijnlijk niet te verklaren door mogelijke
toxiciteit aangezien de proteïnen in het ER aanwezig zijn (dankzij het ER-retentiesignaal), weg van de
ribosomen. Ook werd geen vertraagde groei of silencing opgemerkt. Voor de expressie in BY-2 cellen
kan een andere tag gebruikt worden, bijvoorbeeld de veelgebruikte FLAG-tag.
Het RIP-M41 werd heteroloog aangemaakt met behulp van een induceerbare vector en de rosetta
stam van E. coli en zal accumuleren in het cytoplasma. Het heteroloog aangemaakte proteïne was
aanwezig in de onoplosbare fractie. Om actief eiwit te bekomen moet het eiwit oplosbaar gemaakt
worden. Dit kan gebeuren door het hervouwen van het eiwit uit de onoplosbare fractie. Een andere
mogelijkheid is het aanpassen van de cultuurcondities om het eiwit toch in een oplosbare vorm te
kunnen aanmaken. Gelijkaardige constructen moeten ook worden gemaakt voor het RIP-C19, waarna
dit ook tot expressie kan worden gebracht.
Het heteroloog aangemaakte proteïne kan gebruikt worden om de biologische activiteit van het RIP
te analyseren. De RIP-activiteit van de RIP-domeinen kan getest worden alsook de protease-activiteit
van de protease-domeinen. De RIP-activiteit kan geanalyseerd worden met ribosomen van
verschillende oorsprong, zoals ribosomen van zoogdieren, insecten, planten, fungi en prokaryoten.
De cytotoxiciteit van de type 3 RIP’s kan getest worden op dierlijke cellen en cellen van insecten. Er
kan nagegaan worden of het protease-domein de cytotoxiciteit verhoogt of niet. Het opgezuiverde
proteïne zou ook aan insecten gevoed kunnen worden in een zogenaamde ‘feeding assay’ om de
eventuele toxiciteit te meten tegen insecten.
Transgene planten die de eiwitten tot overexpressie brengen kunnen eveneens gemaakt worden.
Deze planten kunnen geïnfecteerd worden met prokaryoten, virussen, fungi en insecten. De
symptomen van deze infecties kunnen worden vergeleken met een analyse op ongetransformeerde
planten. Ook zou men kunnen nagaan of de overexpressie van de type 3 RIP’s een verhoogde
tolerantie geeft tegenover abiotische stress. Om een fysiologische functie te bepalen kan het
interessant zijn om te bestuderen hoe het expressieniveau van de RIP’s varieert in tarwe en rijst in
functie van bepaalde vormen van stress.
66
8 Referenties
Addgene (2015). pET-21a(+)-T-protein. https://www.addgene.org/12652/ (geraadpleegd op 28/05/2015).
Adzhubei, A. A., Adzhubei, I. A., Krasheninnikov, I. A., Neidle, S. (1996). Non-random usage of ‘degenerate’
codons is related to protein three-dimensional structure. FEBS Letters 399(1), 78-82.
Aerts, D., Verhaeghe, T., De Mey, M., Desmet, T., Soetaert, W. (2011). A constitutive expression system for
high-throughput screening. Engineering in Life Sciences, 11(1), 10-19.
Akiyama, Y., Ito, K., Ogura, T. (2004). FtsH protease. Elsevier, Handbook of Proteolytic Enzymes 2 pp. 794-798.
Amessou, M., Fradagrada, A., Falguières, T., Lord J. M., Smith, D. C., Roberts, L. M., Lamaze, C., Johannes, L.
(2007). Syntaxin 16 and syntaxin 5 are required for efficient retrograde transport of several exogenous and
endogenous cargo proteins. Journal of Cell Science 120(8), 1457-1468.
An, G. (1985). High efficiency transformation of cultured tobacco cells. Plant Physiology 79(2): 568-570.
Angov, E., Hillier, C. J., Kincaid, R. L., Lyon, J. A. (2008). Heterologous protein expression is enhanced by
harmonizing the codon usage frequencies of the target gene with those of the expression host. PLoS One 3(5),
e2189.
Au, T. K., Collins, R. A., Lam, T. L., Ng, T. B., Fong, W. P., Wan, D. C. C. (2000). The plant ribosome inactivating
proteins luffin and saporin are potent inhibitors of HIV-1 integrase. FEBS Letters 471(2), 169-172.
Aviezer, D., Almon-Brill, E., Shaaltiel, Y., Galili, G., Chertkoff, R., Hashmueli, S., Galun, E., Zimran, A. (2008). 6.
Novel enzyme replacement therapy for Gaucher disease: On-going phase III clinical trial with recombinant
human glucocerebrosidase expressed in plant cells. Molecular Genetics and Metabolism, 93(2), 15.
Badri, M. A., Rivard, D., Coenen, K., Michaud, D. (2009). Unintended molecular interactions in transgenic plants
expressing clinically useful proteins: the case of bovine aprotinin traveling the potato leaf cell secretory
pathway. Proteomics 9(3), 746-756.
Bagga, S., Seth, D., Batra, J. K. (2002). The Cytotoxic Activity of Ribosome-inactivating Protein Saporin-6 Is
Attributed to Its rRNA N-Glycosidase and Internucleosomal DNA Fragmentation Activities. Journal of Biological
Chemistry 278(7), 4813-4820.
Balconi, C., Lanzanova, C., Conti, E., Triulzi, T., Forlani, F., Cattaneo, M., Lupotto, E. (2007). Fusarium head blight
evaluation in wheat transgenic plants expressing the maize b-32 antifungal gene. European Journal of Plant
Pathology 117(2), 129-140.
Barbieri, L., Battelli, M. G., Stirpe, F. (1993). Ribosome inactivating proteins from plants. Biochimica et
Biophysica Acta (BBA)-Reviews on Biomembranes 1154(3), 237-282.
Barbieri, L., Brigotti, M., Perocco, P., Carnicelli, D., Ciani,M., Mercatali, L. Stirpe, F. (2003) Ribosome-inactivating
proteins depurinate poly(ADP-ribosyl)ated poly(ADP-ribose) polymerase and have transforming activity for 3T3
fibroblasts. FEBS Letters 538(1), 178-182.
Barbieri, L., Ferreras, J. M., Barraco, A., Ricci, P., Stirpe, F. (1992). Some ribosome-inactivating proteins
depurinate ribosomal RNA at multiple sites. Biochemical Journal 286, 1-4.
Barbieri, L., Gorini, P., Valbonesi, P., Castiglioni, P., and Stirpe, F. (1994). Unexpected activity of saporins.
Nature 372(6507), 624.
Barbieri, L., Polito, L., Bolognesi, A., Ciani, M., Pelosi, E., Farini, V., Jha, A., Sharma, N., Vivanco, J. M., Chambery,
A., Parente, A., Stirpe, F. (2006). Ribosome-inactivating proteins in edible plants and purification and
characterization of a new ribosome-inactivating protein from Cucurbita moschata. Biochimica et Biophysica
Acta (BBA)-General Subjects 1760(5), 783-792.
Barbieri, L., Valbonesi, P., Bonora, E., Gorini, P., Bolognesi, A., Stirpe, F. (1997). Polynucleotide:adenosine
glycosidase activity of ribosome-inactivating proteins: effect on DNA, RNA and poly(A). Nucleic Acids Research
25(3), 518-522.
Barbieri, L., Valbonesi, P., Bondioli, M., Lugo Alvarez, M., Dal, Monte P., Landini, M. P., Stirpe, F. (2001).
Adenine glycosylase activity in mammalian tissues: an equivalent of ribosome-inactivating proteins. FEBS
Letters 505(1), 196-197.
67
Barbieri, L., Valbonesi, P., Govoni, M., Pession, A., Stirpe, F. (2000). Polynucleotide:adenosine glycosidase
activity of saporin- L1: effect on various forms of mammalian DNA. Biochimica et Biophysica Acta (BBA)-Protein
Structure and Molecular Enzymology 1480(1), 258-266.
Battelli, M. G. (2004). Cytotoxicity and toxicity to animals and humans of ribosome-inactivating proteins. Mini
reviews in Medicinal Chemistry 4(5), 513-521.
Baur, A., Reski, R., Gorr, G. (2005). Enhanced recovery of a secreted recombinant human growth factor using
stabilizing additives and by co-expression of human serum albumin in the moss Physcomitrella patens. Plant
Biotechnology Journal 3(3), 331-340.
Becker, W., Apel, K. (1992). Isolation and characterization of a cDNA clone encoding a novel jasmonate-induced
protein of barley (Hordeum vulgare L.). Plant Molecular Biology 19(6), 1065-67.
Benchabane, M., Saint-Jore-Dupas, C., Bardor, M., Faye, L., Michaud, D., Gomord, V. (2009). Targeting and posttranslational processing of human α1-antichymotrypsin in BY-2 tobacco cultured cells. Plant Biotechnology
Journal 7(2), 146-160.
Bio-Rad Laboratories, Inc. (2015). iScript™ cDNA Synthesis Kit. http://www.bio-rad.com/enus/product/reverse-transcription-reagents/iscript-cdna-synthesis-kit (geraadpleegd op 22/02/2015).
Brigotti, M., Alfieri, R., Sestili, P., Bonelli, M., Petronini, P., Guidarelli, A., Barbieri, L., Stirpe, F., Sperti, S. (2002).
Damage to nuclear DNA induced by Shiga toxin 1 and by ricin in human endothelial cells. The FASEB Journal
16(3), 365-372.
Brigotti, M., Carnicelli, D., Alvergna, P., Pallanca, A., Lorenzetti, R., Denaro, M., Sperti, S., Montanaro, L. (1995).
3’-immature tRNA(Trp) is required for ribosome inactivation by gelonin, a plant RNA N-glycosidase. Biochemical
Journal 310, 249-253
Brigotti, M., Carnicelli, D., Pallanca, A., Rizzi, S., Accorsi, P., Sperti, S., Montanaro, L. (1999). Identity elements in
bovine tRNA(Trp) required for the specific stimulation of gelonin, a plant ribosome-inactivating protein. RNA
5(10), 1357-1363.
Brigotti, M., Carnicelli, D., Alvergna, P., Pallanca, A., Sperti, S., Montanaro, L. (1996). tRNA(Trp) as cofactor of
gelonin, a ribosome-inactivating protein with RNAN- glycosidase activity. Features required for the cofactor
activity. IUBMB Life 40(1), 181-188.
Brigotti, M., Keith, G., Pallanca, A., Carnicelli, D,. Alvergna, P., Dirheimer, G., Montanaroa, L., Sperti, S. (1998).
Identification of the tRNAs which up-regulate agrostin, barley RIP and PAP-S, three ribosome-inactivating
proteins of plant origin. FEBS Letters 431(2), 259-262.
Bruckner, R. C., Gunyuzlu, P. L., Stein, R. L. (2003). Coupled kinetics of ATP and peptide hydrolysis by Escherichia
coli FtsH protease. Biochemistry 42(36), 10843-10852.
Burgess-Brown, N. A., Sharma, S., Sobott, F., Loenarz, C., Oppermann, U., Gileadi, O. (2008). Codon
optimization can improve expression of human genes in Escherichia coli: a multi-gene study. Protein Expression
and Purification 59(1), 94-102.
Carnicelli, D., Brigotti, M., Montanaro, L., Sperti, S. (1992). Differential requirement of ATP and extra-ribosomal
proteins for ribosome inactivation by eight RNA N-glycosidases. Biochemical and Biophysical Research
Communications 182(2), 579-82.
Carrio, M. M., Villaverde, A. (2002). Construction and deconstruction of bacterial inclusion bodies. Journal of
Biotechnology 96(1), 3-12.
Carrio, M. M., Villaverde, A. (2001). Protein aggregation as bacterial inclusion bodies is reversible. FEBS Letters
489(1), 29-33.
Carzaniga, R., Sinclair, L., Fordham-Skelton, A. P., Harris, N., Croy, R. R. D. (1994). Cellular and subcellular
distribution of saporins, type- ribosome-inactivating proteins in soapwort (Saponaria officinalis L.). Planta
194(4), 461-470.
Cavallaro, U., Nykjaer, A., Nielsen, M., Soria, M. (1995). α2-Macroglobulin receptor mediates binding and
cytotoxicity of plant ribosome-inactivating proteins. European Journal of Biochemistry 232(1), 165-171.
Chaudhry, B., Müller-Uri, F., Cameron-Mills, V., Gough, S., Simpson, D., Skriver, K., Mundy, J. (1994). The barley
60 kDa jasmonate-induced protein (JIP60) is a novel ribosome-inactivating protein. The Plant Journal J 6(6),
815-824.
68
Chen, J. K., Hung, C. H., Liaw Y. C., Lin, J. Y. (1997). Identification of amino acid residues of abrin-a A chain is
essential for catalysis and reassociation with abrin-a B chain by site-directed mutagenesis. Protein Engineering
10(7), 827-833.
Chen, Y., Peumans, W. J, Van Damme, E. J. (2002). The Sambucus nigra type-2 ribosome-inactivating protein
SNA-I' exhibits in planta antiviral activity in transgenic tobacco. FEBS Letters 516(1), 27-30.
Chen, H., Wang, Y., Yan, M. G., Yu, M. K., Yao, Q. Z. (1996). The phosphatase activity of five ribosomeinactivating proteins. Chinese Biochemal Journal 12, 125-129.
Chen, Z., White, R. F., Antoniw, J. F., Lin, Q. (1991). Effect of pokeweed antiviral protein (PAP) on the infection
of plant viruses. Plant Pathology 40(4), 612-620.
Choudhary, N. L., Yadav, O. P., Lodha, M. L. (2008a). Cloning and expression of antiviral/ribosome-inactivating
protein from Bougainvillea xbuttiana. Journal of Biosciences 33(1), 91-101.
Choudhary, N. L., Yadav, O. P., Lodha, M. L. (2008b). Ribonuclease, deoxyribonuclease, and antiviral activity of
Escherichia coli expressed Bougainvillea xbuttiana antiviral protein 1. Biochemistry (Moscow) 73(3), 273-277.
Clark, E. D. B. (2001). Protein refolding for industrial processes. Current Opinion in Biotechnology 12(2), 202207.
Coleman, W. H., Roberts, W. K. (1982). Inhibitors of animal cell-free protein synthesis from grains. Biochimica
et Biophysica Acta (BBA)-Gene Structure and Expression 696(3), 239-244.
Correll, C. C., Munishkin, A., Chan, Y. L., Ren, Z., Wool, I. G., Steitz, T. A. (1998). Crystal structure of the
ribosomal RNA domain essential for binding elongation factors. Proceedings of the National Academy of
Sciences 95(23), 13436-13441.
Dai, W. D., Bonos, S., Guo, Z., Meyer, W. A., Day, P. R., Belanger, F. C. (2003). Expression of pokeweed antiviral
proteins in creeping bentgrass. Plant Cell Reports 21(5), 497-502.
Day, P. J., Ernst, S. R., Frankel, A. E., Monzingo, A. F., Pascal, J. M., Molina-Svinth, M. C., Robertus, J. D. (1996).
Structure and activity of an active site substitution of ricin A chain. Biochemistry. 35(34), 11098-11103.
de Marco, A., De Marco, V. (2004). Bacteria co-transformed with recombinant proteins and chaperones cloned
inindependent plasmids are suitable for expression tuning. Journal of Biotechnology 109(1), 45-52.
De Muynck, B., Navarre, C., Nizet, Y., Stadlmann, J., Boutry, M. (2009). Different subcellular localization and
glycosylation for a functional antibody expressed in Nicotiana tabacum plants and suspension cells. Transgenic
Research 18(3), 467-482.
de Virgilio, M., Lombardi, A., Cliandro, R., Fabbrini, M. S. (2010). Ribosome-inactivating proteins: from plant
defense to tumor attack. Toxins 2(11), 2966-2737.
Deeks, E. D., Cook, J. P., Day, P. J., Smith, D. C., Roberts, L. M., Lord, J. M. (2002). The low lisine content of ricin
A chain reduces the risk of proteolytic degradation after translocation from the endoplasmic reticulum to the
cytosol. Biochemistry 41(10), 3405-3413.
Desvoyes, B., Proyet, J. L., Schlik, J. L., Adami, P., Jouvenot, M., Dulieu, P. (1997). Identification of a biological
inactive complex from a pokeweed antiviral protein. FEBS Letters 410(2), 303-308.
Dhingra, A., James, V. A., Koop, H. U., Mok, M. C., De Paepe, R., Gallo, M., Folta, K. M. (2009). Transgenic
plantation crops, ornamentals and Turf grasses: Tobacco. In C. Kole, T. Hall (Eds.), Compendium of transgenic
crop plants. John Wiley and sons, VS.
Di Cola, A., Marcozzi, G., Balestrini, R., Spano, L. (1999). Localization of the type I ribosome-inactivating protein,
luffin, in adult and embryonic tissues of Luffa cylindrica L. Roem. Journal of Experimental Botany 50(334), 573579.
Domashevskiy, A., V., Goss, D., J. (2015). Pokeweed antiviral protein, a ribosome inactivating protein: activity,
inhibition and prospects. Toxins 7(2), 274-298.
Doran, P. M. (2006a). Foreign protein degradation and instability in plants and plant tissue cultures. Trends in
Biotechnology 24(9), 426-432.
Doran, P. M. (2006b). Loss of secreted antibody from transgenic plant tissue cultures due to surface adsorption.
Journal of Biotechnology 122(1), 39-54.
Dowd, P. F., Holmes, R. A., Pinkerton, T. S., Johnson, E. T., Lagrimini, L. M., Boston, R. S. (2006). Relative activity
of a tobacco hybrid expressing high levels of a tobacco anionic peroxidase and maize ribosome inactivating
69
protein against Helicoverpa zea and Lasioderma serricorne. Journal of Agricultural and Food Chemistry 54(7),
2629-2634.
Dowd, P. F., Johnson, E. T., Price, N. P. (2012). Enhanced pest resistance of maize leaves expressing monocot
crop plant-derived ribosome-inactivating protein and agglutinin. Journal of Agricultural and Food Chemistry
60(43):10768-10775.
Dowd, P. F., Zuo, W. N., Gillikin, J. W., Johnson, E. T., Boston, R. S. (2003). Enhanced resistance to Helicoverpa
zea in tobacco expressing an activated form of maize ribosome-inactivating protein Journal of Agricultural and
Food Chemistry 51(12), 3568-3574.
EMBL-EBI (2015). Clustal Omega. http://www.ebi.ac.uk/Tools/msa/clustalo/ (geraadpleegd op 22/02/2015).
Endo, Y., Gluck, A., Wool, I. G. (1991). Ribosomal RNA identity elements for ricin A-chain recognition and
catalysis. Journal of Molecular Biology 221(1), 193-207.
Endo, Y., Mitsui, K., Motizuki, M., Tsurugi, K. (1987). The mechanism of action of ricin and related toxic lectins
on eukaryotic ribosomes. The site and the characteristics of the modification in 28S ribosomal RNA caused by
the toxins. Journal of Biological Chemistry 262(12), 5908-5912.
Endo, Y., Tsurugi, K. (1987). RNA N-glycosidase activity of ricin A-chain. Mechanism of action of the toxic lectin
ricin on eukaryotic ribosomes. Journal of Biological Chemistry 262(17), 8128-8130.
Endo, Y., Tsurugi, K. (1988). The RNA N-glycosidase activity of ricin A-chain: the characteristics of the enzymatic
activity of ricin A-chain with ribosomes and with rRNA. Journal of Biological Chemistry 263(18), 8735-8739.
Endo, Y., Tsurugi, K., Franz, H. (1988). The site of action of the A-chain of mistletoe lectin I on eukaryotic
ribosomes: the RNA N-glycosidase activity of the protein. FEBS Letters 231(2), 378-380.
Fischer, B., Sumner, I., Goodenough, P. (1993). Isolation, renaturation and formation of disulfide bonds of
eukaryotic proteins expressed in E. coli as inclusion bodies. Biotechnology and Bioengineering 41(1), 3-13.
Foyer, C. H., Noctor, G. (2005). Redox homeostasis and antioxidant signaling: a metabolic interface between
stress perception and physiological responses. The Plant Cell Online 17(7), 1866-1875.
Fracasso, G., Stirpe, F., Colombatti, M. (2010) Ribosome-inactivating protein-containing conjugates for
therapeutic use. Toxic Plant Proteins. Springer Science & Business Media, Duitsland, pp. 225-263.
Galloway, C. A., Sowden, M. P., and Smith, H. C. (2003). Increasing the yield of soluble recombinant protein
expressed in E. coli by induction during late log phase. Biotechniques 34(3), 524-526, 528, 530.
Gatehouse, A., Barbieri, L., Stirpe, F., Croy, R. R. D. (1990). Effects of ribosome inactivating proteins on insect
development— differences between Lepidoptera and Coleoptera. Entomologia Experimentalis et Applicata
54(1), 43-51.
Girbes, T., Barbieri, L., Ferreras, M., Arias, F. J., Rojo, M. A., Iglesias, R., Alegre, C., Escarmis, C., Stirpe, F. (1993).
Effects of ribosome-inactivating proteins on Escherichia coli and Agrobacterium tumefaciens translation
systems. Journal of Bacteriology 175(20), 6721- 6724.
Girbés, T., de Torre, C., Iglesias, R., Ferreras, J. M, Méndez, E. (1996). RIP for viruses. Nature 379, 777-778.
Girbés, T., Ferreras, J. M., Arias, F. J., Stirpe, F. (2004). Description, distribution, activity and phylogenetic
relationship of ribosome-inactivating proteins in plants, fungi and bacteria. Mini reviews in Medicinal Chemistry
4(5), 461-476.
Gomord, V., Fitchette, A. C., Menu-Bouaouiche, L., Saint-Jore-Dupas, C., Plasson, C., Michaud, D., Faye, L.
(2010). Plant-specific glycosylation patterns in the context of therapeutic protein production. Plant
Biotechnology Journal 8(5), 564-587.
Gorlich, D. (1998). Transport into and out of the cell nucleus. The EMBO Journal 17(10), 2721-2727.
Görschen, E., Dunaeva, M., Hause, B., Reeh, I., Wasternack, C., Parthier, B., (1997). Expression of the ribosomeinactivating protein JIP60 from barley in transgenic tobacco leads to an abnormal phenotype and alterations on
the level of translation. Planta 202(4), 470-478.
Greenwood, J. S., Stinissen, H. M., Peumans, W. J., Chrispeels, M. T. (1986). Sambucus nigra agglutinin is
located in protein bodies in the phloem parenchyma of bark. Planta 167(2), 275-278.
Gustafsson, C., Govindarajan, S., Minshull, J. (2004). Codon bias and heterologous protein expression. Trends in
Biotechnology 22(7), 346-353.
70
Gutell, R. R., Gray, M. W., Schnare, M. N. (1993). A compilation of large subunit (23S and 23S-like) ribosomal
RNA structures: 1993. Nucleic Acids Research 21(13), 3055-3074.
Habuka, N., Kataoka, J., Miyano, M., Tsuge, H., Ago, H., Noma, M. (1993). Nucleotide sequence of a genomic
gene encoding tritin, a ribosome-inactivating protein from Triticum aestivum. Plant Molecular Biology 22(1),
171-176.
Habuka, N., Miyano, M., Kataoka, J., Noma, M. (1991). Escherichia coli ribosome is inactivated by Mirabilis
antiviral protein which cleaves the N-glycosidic bond at A2660 of 23S ribosomal RNA. Journal of Molecular
Biology 221(3), 737-743.
Hartley, M. R., Chaddock, J. A., Bonness, M. S. (1996). The structure and function of ribosome-inactivating
proteins. Trends in Plant Science 1(8), 252.
Hartley, M. R., Legname, G., Osborn, R., Chen, Z., Lord, J. M. (1991). Singlechain ribosome-inactivating proteins
from plants depurinate Escherichia coli 23S ribosomal RNA. FEBS Letters 290(1), 65-68.
Hartley, M. R, Lord, J. M. (1993). Structure, function and applications of ricin and related cytotoxic proteins.
Biosynthesis and manipulation of plant products. Springer, Nederland, pp. 210-239.
Hasegawa, N., Kimura, Y., Oda, T., Komatsu, N., Muramatsu, T. (2000). Isolated ricin B-chain-mediated
apoptosis in U937 cells. Bioscience, Biotechnology, and Biochemistry 64(7), 1422-1429.
Hassoun, E., Wang, X. (2000). Ricin-induced toxicity in the macrophage J744A.1 cells: the role of TNF-alpha and
the modulation effects of TNF-alpha polyclonal antibody. Journal of biochemical and molecular toxicology
14(2), 95-101.
Hellwig, S., Drossard, J., Twyman, R. M., Fischer, R. (2004). Plant cell cultures for the production of recombinant
proteins. Nature Biotechnology 22(11), 1415-1422.
Helmy, M., Lombard, S., Pieroni, G. (1999). Ricin RCA60: evidence of its phospholipase activity. Biochemical and
Biophysical Research Communications 258(2), 252-255.
Herman, E. M., Tague, B. W., Hoffman, L. M., Kjemtrup, S. E., Chrispeels, M. J. (1990). Retention of
phytohemagglutinin with carboxy terminal tetrapeptide KDEL in the nuclear envelope and the endoplasmic
reticulum. Planta, 182(2), 305-312.
Hey, T. D., Hartley, M., Walsh, T. A. (1995). Maize ribosome-inactivating protein (b-32). Homologs in related
species, effects on maize ribosomes, and modulation of activity by pro-peptide deletions. Plant Physiology
107(4), 1323-1332.
Huang, J., Wu, L., Yalda, D., Adkins, Y., Kelleher, S., Crane, M., Lonnerdal, B., Rodriguez, R. L., Huang N. (2002).
Expression of functional recombinant human lysozyme in transgenic rice cell culture. Transgenic Research,
11(3), 229-239.
Hudak, K. A., Dinman, J. D., Tumer, N. E. (1999). Pokeweed antiviral protein accesses ribosomes by binding to
L3. Journal of Biological Chemistry 274(6), 3859-3864.
Hudak, K. A., Wang, P., Tumer, N. E. (2000). A novel mechanism for inhibition of translation by pokeweed
antiviral protein: depurination of the capped RNA template. RNA 6(3), 369-380.
Iglesias, R., Pérez, Y., de Torre, C., Ferreras, J. M., Antolín, P., Jiménez, P., Rojo, M. A., Méndez, E., Girbés, T.
(2005). Molecular characterization and systemic induction of single-chain ribosome-inactivating proteins (RIPs)
in sugar beet (Beta vulgaris) leaves. Journal of Experimental Botany 56(416), 1675-1684.
Invitrogen Corporation (2003). Gateway® Technology A universal technology to clone DNA sequences for
functional analysis and expression in multiple systems Catalog Numbers 12535-019 and 12535-027.
Invitrogen Corporation (2012). Gateway® pDONR™ Vectors Catalog numbers 12536-017 and 12535-035.
Iordanov, M. S., Pribnow, D., Magun, J. L., Dinh, T. H., Pearson, J. A., Chen, S. L., Magun, B. E. (1997). Ribotoxic
stress response: activation of the stress-activated protein kinase JNK1 by inhibitors of the peptidyl transferase
reaction and by sequence-specific RNA damage to the alpha-sarcin/ricin loop in the 28S rRNA. Molecular and
Cellular Biology 17(6), 3373-3381.
Irvin, J. D. (1983). Pokeweed antiviral protein. Pharmacology & Therapeutics 21(3), 371-387.
Ishizaki, T., Megumi, C., Komai, F., Masuda, K., Oosawa, K. (2002). Accumulation of a 31-kDa glycoprotein in
association with the expression of embryogenic potential by spinach callus in culture. Physiologia Plantarum
114(1), 109-115.
71
James, E .A., Wang, C., Wang, Z., Reeves, R., Shin, J. H., Magnuson, N. S., Lee, J. M. (2000). Production and
characterization of biologically active human GM-CSF secreted by genetically modified plant cells. Protein
Expression and Purification 19(1), 131-138.
Jiang, S. Y., Bhalla, R., Ramamoorthy, R., Luan, H. F., Venkatesh, P. N., Cai, M., Ramachandran, S. (2012). Overexpression of OSRIP18 increases drought and salt tolerance in transgenic rice plants. Transgenic Research 21(4),
785-795.
Jiang, S. Y., Ramamoorthy, R., Bhalla, R., Luan, H. F., Venkatesh, P. N., Cai, M., Ramachandran, S. (2008).
Genome-wide survey of the RIP domain family in Oryza sativa and their expression profiles under various
abiotic and biotic stresses. Plant Molecular Biology 67(6), 603-614.
Kataoka, J., Habuka, N., Furuno, M., Miyano, M., Takanami, Y., Koiwai, A. (1991). DNA sequence of Mirabilis
antiviral protein (MAP), a ribosome-inactivating protein with an antiviral property, from Mirabilis jalapa L. and
its expression in Escherichia coli. Journal of biological Chemistry 266(13), 8426-8430.
Katiyar, S. P., Bakkiyaraj, D., Pandian S. K. (2011). Role of aromatic stack pairing at the catalytic site of gelonin
protein. Biochemical and Biophysical Research Communications 410(1), 75-80.
Kaur, I., Gupta, R. C., Puri, M. (2011). Ribosome inactivating proteins from plants inhibiting viruses. Virologica
sinica 26(6), 357-365.
Kaur, I., Puri, M., Ahmed, Z., Blanchet, F. P., Mangeat, B., Piguet, V., (2013). Inhibition of HIV-1 Replication by
Balsamin, a Ribosome Inactivating Protein of Momordica balsamina. PLos One 8(9), e73780.
Kimchi-Sarfaty, C., Oh, J. M., Kim, I. W., Sauna, Z. E., Calcagno, A. M., Ambudkar, S. V., Gottesman, M. M.
(2007). A ‘‘silent’’ polymorphism in the MDR1 gene changes substrate specificity. Science 315(5811), 525-528.
Kodama, T., Doukas, A. G., Hamblin, M. R. (2003). Delivery of ribosome-inactivating protein toxin into cancer
cells with shock waves. Cancer Letters 189(1), 69-75.
Komar, A. A., Lesnik, T., Reiss, C. (1999). Synonymous codon substitutions affect ribosome traffic and protein
folding during in vitro translation. FEBS Letters 462(3), 387-391.
Komatsu, N., Oda, T., Muramatsu, T. (1998). Involvement of both caspase-like proteases and serine proteases
in apoptotic cell death induced by ricin, modeccin, diphtheria toxin, and pseudomonas toxin. Journal of
Biochemistry 124(5), 1038-1044.
Kowalski, M., Guindon, J., Brazas, L., Moore, C., Entwistle, J., Cizeau, J., Jewet, M. A., Macdonald, G. C. (2012). A
phase II study of oportuzumab monatox: an immunotoxin therapy for patients with noninvasive urothelial
carcinoma in situ previously treated with bacillus Calmette- Guérin. The Journal of Urology 188(5), 1712-1718.
Kurland, C., Gallant, J. (1996). Errors of heterologous protein expression. Current Opinion in Biotechnology 7(5),
489-493.
Kwon, T. H., Seo, J. E., Kim, J., Lee, J. H., Jang, Y. S., Yang, M. S. (2003). Expression and secretion of the
heterodimeric protein interleukin-12 in plant cell suspension culture. Biotechnology and Bioengineering 81(7),
870-875.
LaCount, W., An G., Lee, J. M. (1997). The effect of polyvinylpyrrolidone (PVP) on the heavy chain monoclonal
antibody production from plant suspension cultures. Biotechnology Letters 19(1), 93-96.
Landy, A. (1989). Dynamic, Structural, and Regulatory Aspects of Lambda Site-specific Recombination. Annual
Review of Biochemistry 58(1), 913-941.
Lapadula, W. J., Sánchez Puerta, M. V., Juri Ayub, M. (2013). Revising the taxonomic distribution, origin and
evolution of ribosome inactivating protein genes. PLoS One. 8(9):e72825.
Lee, J.-H., Kim, N. S., Kwon, T. H., Jang, Y. S., Yang, M. S. (2002). Increased production of human
granulocytemacrophage colony stimulating factor (hGM-CSF) by the addition of stabilizing polymer in plant
suspension cultures. Journal of Biotechnology 96(3), 205-211.
Lee, S.-Y., Kim, Y.-H., Roh, Y.-S., Myoung, H.-J., Lee, K.-Y., Kim, D.-I. (2004). Bioreactor operation for transgenic
Nicotiana tabacum cell cultures and continuous production of recombinant human granulocyte-macrophage
colony-stimulating factor by perfusion culture. Enzyme and Microbial Technology 35(6), 663-671.
Lee-Huang, S., Huang, P. L., Bourinbaiar, A. S., Chen, H. C., Kung, H. F. (1995). Inhibition of the integrase of
human immunodeficiency virus (HIV) type 1 by anti-HIV plant proteins MAP30 and GAP31. Proceedings of the
National Academy of Sciences 92(19), 8818-8822.
72
Li, M. X., Yeung, H. W., Pan, L. P., Chan, S. I. (1991). Trichosanthin, a potent HIV-1 inhibitor, can cleave
supercoiled DNA in vitro. Nucleic Acids Research 19(22), 6309-6312.
Li, S., Spooner, R. A., Allen, S. C., Guise, C. P., Ladds, G., Schnöder, T., Schmitt, M. J., Lord J. M., Roberts, L. M.
(2010). Folding-competent and folding-defective forms of ricin A chain may have different fates after
retrotranslocation from the endoplasmic reticulum. Molecular Biology of the Cell 21(15), 2543-2554.
Li, X. D., Liu, W. Y., Niu, C. L. (1996). Purification of a new ribosome-inactivating protein from the seeds of
Cinnamomum porrectum and characterization of the RNA N-glycosidase activity of the toxic protein. Biological
Chemistry 377(12), 825-831.
Lin, J. Y., Tserng, K. Y., Chen, C. C., Lin, L. T., Tung, T. C. (1970). Abrin and ricin: new anti-tumour substances.
Nature 227, 292-293.
Lindsley, D., Gallant, J., Guarneros, G. (2003). Ribosome bypassing elicited by tRNA depletion. Molecular
Microbiology 48(5), 1267-1274.
Litvak-Greenfeld, D., Benhar, I. (2012). Risks and untoward toxicities of antibody-based immunoconjugates.
Advanced Drug Delivery Reviews 64(15), 1782- 1799.
Lodge, J. K., Kaniewski, W. K., Tumer, N. E. (1993). Broad-spectrum virus resistance in transgenic plants
expressing pokeweed antiviral protein. Proceedings of the National Academy of Sciences 90(15), 7089-7093.
Lombardi, A., Marshall, R. S., Savino, C., Fabbrini, M. S., Ceriotti, A. (2010). Type I ribosome-inactivating
proteins from Saponaria officinalis. Toxic Plant Proteins. Springer Science & Business Media, Duitsland, p. 5578.
Lorberboum-Galski, H., (2011). Human toxin-based recombinant immunotoxins/ chimeric proteins as a drug
delivery system for targeted treatment of human diseases. Expert Opinion on Drug Delivery 8(5), 605-621.
Lord, J. M., Roberts, L. M. (1998). Toxin entry: retrograde transport through the secretory pathway. The Journal
of Cell Biology 140(4), 733-736.
Lord, J. M., Roberts, L. M., Robertus, J. D. (1994). Ricin: structure, mode of action, and some current
applications. The FASEB journal 8(2), 201-208.
Ma, J. K-C., Drake, P. M., Chargelegue, D., Obregon, P., Prada, A. (2005). Antibody processing and engineering in
plants, and new strategies for vaccine production. Vaccine 23(15), 1814-1818.
Madan, S., Ghosh, P. C. (1991). Interaction of gelonin with macrophages. Effect of lysosomotropic amines.
Experimental Cell Research 198(1), 52-58.
Madin, K., Sawasaki, T., Ogasawara, T., Endo, Y. (2000). A highly efficient and robust cell-free protein synthesis
system prepared from wheat embryos: plants apparently contain a suicide system directed at ribosomes.
Proceedings of the National Academy of Sciences 97(2), 559-64.
Magnuson, N. S., Linzmaier, P. M., Gao, J. W., Reeves, R., An, G., Lee, J. M. (1996). Enhanced recovery of a
secreted mammalian protein from suspension culture of genetically modified tobacco cells. Protein Expression
and Purification 7(2), 220-228.
Marshall, R. S., D’Avila, F., Di Cola, A., Traini, R., Spanò, L., Fabbrini, M. S., Ceriotti, A. (2010). Signal peptideregulated toxicity of a plant ribosome inactivating protein during cell stress. The Plant Journal, 65(2), 218-229.
Massiah, A. J., Hartley, M. R. (1995). Wheat ribosome-inactivating proteins: seed and leaf forms with different
specificities and cofactor requirements. Planta 197(4), 633-640.
Mattaj, I. W., Englmeier, L. (1998). Nucleocytoplasmic transport: the soluble phase. Annual Review of
Biochemistry 67(1), 265-306.
Mayer, M., Buchner, J. (2004). Refolding of inclusion body proteins. Molecular diagnosis of infectious diseases.
Humana Press, VS, pp. 239-254.
Mayerhofer, P. U., Cook J. P., Wahlman, J., Pinheiro, T. T., Moore, K. A., Lord, J. M., Johnson, A. E., Roberts, L.
M. (2009). Ricin A chain insertion into endoplasmic reticulum membranes is triggered by a temperature
increase to 37 ºC. Journal of Biological Chemistry 284(15), 10232-10242.
McGrath, M. S., Hwang, K. M., Caldwell, S. E., Gaston, I., Luk, K. C., Wu, P., Ng, V. L., Crowe, S., Daniels, J.,
Marsh, J., Deihart, T., Lekas, P. U., Uennaari, J. C., Yeung, H. W., Lifson, J. F. (1989). GLQ223: an inhibitor of
human immunodeficiency virus replication in acutely and chronically infected cells of lymphocyte and
mononuclear phagocyte lineage. Proceedings of the National Academy of Sciences 86(8), 2844-2848.
73
Meng, Y., Liu, S., Li, J., Meng, Y., Zhao, X. (2012). Preparation of an antitumor and antivirus agent: chemical
modification of a-MMC and MAP30 from Momordica charantia L. with covalent conjugation of polyethylene
glycol. International Journal of Nanomedicine, 7, 3133.
Menzella, H. G. (2011). Comparison of two codon optimization strategies to enhance recombinant protein
production in Escherichia coli. Microbial Cell Factories 10,15.
Mikschofsky, H., Schirrmeier, H., Keil, G. M., Lange, B., Polowick, P. L., Keller, W., Broer, I. (2009). Pea-derived
vaccines demonstrate high immunogenicity and protection in rabbits against rabbit haemorrhagic disease virus.
Plant Biotechnology Journal 7(6), 537-49.
Misawa, S., Kumagai, I. (1999). Refolding of therapeutic protein produced in Escherichia coli as inclusion bodies.
Biopolymers-Peptide Science Section 51(4), 297-307.
Mock, J. W., Ng, T. B., Wong, R. N., Yao, Q. Z., Yeung, H. W., Fong, W. P. (1996). Demonstration of ribonuclease
activity in the plant ribosome-inactivating proteins alpha- and betamomorcharins. Life Sciences 59(22), 18531859.
Mundy, J., Leah, R., Boston, R., Endo, Y., Stirpe, F. (1994). Genes encoding ribosome- inactivating proteins. Plant
Molecular Biology Reporter 12(2), S60-62.
Nair, N. R., Chidambareswaren, M., Manjula, S. (2014). Enhanced heterologous expression of biologically active
human granulocyte colony stimulating factor in transgenic tobacco BY-2 cells by localization to endoplasmic
reticulum. Molecular Biotechnology 56(9), 849-862.
Nicolas, E., Beggs, J. M., Haltiwanger, B. M., Taraschi, T. F. (1997). Direct evidence for the deoxyribonuclease
activity of the plant ribosome-inactivating protein gelonin. FEBS Letters 406(1), 162-164.
Nicolas, E., Beggs, J. M., Haltiwanger, B. M., Taraschi, T. F. (1998). A new class of DNA
glycosylase/apurinic/apyrimidinic lyases that act on specific adenines in single-stranded DNA. Journal of
Biological Chemistry 273(27), 17216-17220.
Nicolas, E., Beggs, J. M., Taraschi, T. F. (2000). Gelonin is an unusual DNA glycosylase that removes adenine
from singlestranded DNA, normal base pairs and mismatches. Journal of Biological Chemistry 275(40), 3139931406.
Nielsen, K., Boston, S. R. (2001). Ribosome-Inactivating Proteins: a plant perspective. Annual Review of Plant
Biology 52(1), 785-816.
Nigg, E. A. (1997). Nucleocytoplasmic transport: signals, mechanisms and regulation. Nature 386, 779-87.
Novagen (2003). pET System Tutorial.
http://www.yrbio.com/bioresource/sites/yrbio.com.bioresource/files/document/vector/226411/c183-001.pdf
(geraadpleegd op 11/05/2015).
Oda, T., Iwaoka, J., Komatsu, N., Muramatsu, T. (1999). Involvement of N-acetylcysteine- sensitive pathways in
ricininduced apoptotic cell death in U937 cells Bioscience, Biotechnology, and Biochemistry 63(2), 341-348.
Oda, T., Komatsu, N., Muramatsu, T. (1998). Diisopropylfluorophosphate (DFP) inhibits ricin-induced apoptosis
of MDCK cells. Bioscience, Biotechnology, and Biochemistry 62(2), 325-333.
Olsnes, S. , Pihl, A. (1982). Chimeric toxins. Pharmacology & Therapeutics 15(3), 355-381.
Orita, M., Nishikawa, F., Shimayama, T., Taira, K., Endo, Y., Nishikawa, S. (1993). High-resolution NMR study of a
synthetic oligoribonucleotide with a tetranucleotide GAGA loop that is a substrate for the cytotoxic protein,
ricin. Nucleic Acids Research 21(24), 5670-5678.
Ou, J., Wang, L., Ding, X., Du, J., Zhang, Y., Chen, H., Xu, A. (2004). Stationary phase protein overproduction is a
fundamental capability of Escherichia coli. Biochemical and Biophysical Research Communications 314(1), 174180.
Pallanca, A., Mazzaracchio, R., Brigotti, M., Carnicelli, D., Alvergna, P., Sperti, S., Montanaro, L. (1998).
Uncompetitive inhibition by adenine of the RNA-N-glycosidase activity of ribosome-inactivating proteins.
Biochimica et Biophysica Acta (BBA)-Protein Structure and Molecular Enzymology 1384(2), 277- 284.
Parikh, B. A., Tumer, N. E. (2004). Antiviral activity of ribosome inactivating proteins in medicine. Mini Reviews
in medicinal chemistry 4(5), 523-543.
Pelham, H. R. (1990). The retention signal for soluble proteins of the endoplasmic reticulum. Trends in
Biochemical Sciences, 15(12), 483-486.
74
Peters, R. (1986). Fluorescence microphotolysis to measure nucleocytoplasmic transport and intracellular
mobility. Biochimica et Biophysica Acta (BBA)-Reviews on Biomembranes 864(3), 305-359.
Peumans, W. J., Hao, Q., Van Damme, E. J. M. (2001). Ribosome-inacyivating proteins from plants: more than
RNA N-glycosidases? The FASEB journal 15(9), 1493-1506.
Peumans, W. J., Van Damme, E. (2010). Evolution of plant ribosome inactivating proteins. Toxic plant proteins.
Springer Science & Business Media, Duitsland, pp. 1-26.
Peumans, W. J., Shang, C., Van Damme., E. J. M. (2014). Updated model of the molecular evolution of RIP
genes. Ribosome-inactivating Proteins: Ricin and Related Proteins. John Wiley & Sons, VS, pp. 134-150.
Pope, B., Kent, H. M. (1996). High efficiency 5 min transformation of Escherichia coli. Nucleic Acids Research
24(3), 536-537.
Prestle, J., Schönfelder, M., Adam, G., Mundry, K. W. (1992). Type 1 ribosome-inactivating protein depurinate
plant 25S rRNA without species specificity. Nucleic Acids Research 20(12), 3179-3182.
Qian, Q., Huang, L., Yi, R., Wang, S., Ding, Y. (2012). Enhanced resistance to blast fungus in rice (Oryza sativa L.)
by expressing the ribosome-inactivating protein α-momorcharin. Plant Science 217, 1-7.
Rapak, A., Falnes, P. O., Olsnes, S. (1997). Retrograde transport of mutant ricin to the endoplasmic reticulum
with subsequent translocation to cytosol. Proceedings of the National Academy of Sciences 94(8), 3783-3788.
Ready, M., Brown, D. T., Robertus, J. D. (1986). Extracellular localization of pokeweed antiviral protein.
Proceedings of the National Academy of Sciences 83(14), 5053-5056.
Reinbothe, C., Springer, A., Samol, I., Reinbothe, S. (2009). Plant oxylipins: Role of jasmonic acid during
programmed cell death, defence and leaf senescence. FEBS Journal 276(17), 4666-4681.
Reinbothe, S., Reinbothe, C., Lehmann, J., Becker, W., Apel, K., Parthier, B. (1994). JIP60, a methyl jasmonateinduced ribosome-inactivating protein involved in plant stress reactions. Proceedings of the National Academy
of Sciences 91(15), 7012-7016.
Reinbothe, S., Reinbothe, C., Parthier, B. (1993). Methyl jasmonate-regulated translation of nuclear-encoded
chloroplast proteins in barley (Hordeum vulgare L. cv. Salome). Journal of Biological Chemistry 268(14), 1060610611.
Remi Shih, N. R., McDonald, K. A., Jackman, A. P., Girbes, T., Iglesias, R. (1997). Bifunctional plant defense
enzymes with chitinase and ribosome-inactivating activities from Trichosanthes kirilowii cell cultures. Plant
Science 130(2), 145-150.
Rhoads, R. E. (2009). eIF4E: New family members, new binding partners, new roles. Journal of Biological
Chemistry 284(25), 16711-16715.
Ricardi, M. M., Guaimas, F. F., González, R. M., Burrieza, H. P., López-Fernández, M. P., Jares-Erijman, E. A.,
Estévez, J. M., Iusem, N. D. (2012). Nuclear Import and Dimerization of Tomato ASR1, a Water Stress-Inducible
Protein Exclusive to Plants. PLoS ONE 7(8): e41008.
Rippmann, J. F., Michalowski, C. B., Nelson, D. E., Bohnert, H. J.(1997). Induction of a ribosome-inactivating
protein upon environmental stress. Plant Molecular Biology 35(6), 701-709.
Roberts, L. M., Lord, J. M. (2004). Ribosome-inactivating proteins: entry into mammalian cells and intracellular
routing. Mini Reviews in Medicinal Chemistry 4(5), 505-512.
Roncuzzi, L., Gasperi-Campani, A. (1996). DNA-nuclease activity of the single-chain ribosome-inactivating
proteins dianthin 30, saporin 6 and gelonin. FEBS Letters 392(1), 16-20.
Roos, W. P., Kaina, B. (2006). DNA damage-induced cell death by apoptosis. Trends in Molecular Medicine
12(9), 440-450.
Rosano, G. L., Ceccarelli, E. A. (2009). Rare codon content affects the solubility of recombinant proteins in a
codon bias-adjusted Escherichia coli strain. Microbial Cell Factories 8(1), 41.
Rosano, G. L., Ceccarelli, E. A. (2014). Recombinant protein expression in Escherichia coli: advances and
challenges. Frontiers in Microbiology 5, 172.
Rudolph, R., Böhm, G., Lilie, H., Jaenicke, R. (1997). Folding proteins. Protein function: A practical approach, IRL
Press, VK, p. 57-99.
75
Rustgi, S., Pollmann, S., Buhr, F., Springer, A., Reinbothe, C., von Wettstein, D., Reinbothe, S. (2014). JIP60mediated, jasmonate- and senescence-induced molecular switch in translation toward stress and defense
protein synthesis. Proceedings of the National Academy of Sciences 111(39), 14181-14186.
Saikawa, N., Ito, K., Akiyama, Y. (2002). Identification of glutamic acid 479 as the gluzincin coordinator of zinc in
FtsH (HflB). Biochemistry 41(6), 1861-1868.
Sandvig, K., Grimmer, S., Lauvrak, U., Torgersen, M. L., Skretting, G., van Deurs, B., Iversen, T. G. (2002).
Pathways followed by ricin and Shiga toxin into cells. Histochemistry and Cell Biology 117(2), 131-141.
Sandvig, K., van Deurs, B. (1996). Endocytosis, intracellular transport, and cytotoxic action of Shiga toxin and
ricin. Physiological Reviews 76(4), 949-966.
Sandvig, K., van Deurs B. (2000). Entry of ricin and Shiga toxin into cells: molecular mechanisms and medical
perspectives. The EMBO Journal 19(22), 5943-5950.
Sandvig, K., van Deurs, B. (2002). Transport of protein toxins into cells: pathways used by ricin, cholera toxin
and Shiga toxin. FEBS Letters 529(1), 49-53.
Schiermeyer, A., Schinkel, H., Apel, S., Fischer, R., Schillberg, S. (2005). Production of Desmodus rotundus
salivary plasminogen activator α1 (DSPAalpha1) in tobacco is hampered by proteolysis. Biotechnology and
Bioengineering 89(7), 848-858.
Seibel, N. M., Eljouni, J., Nalaskowski, M. M., Hampe W. (2007). Nuclear localization of enhanced green
fluorescent protein homomultimers. Analytical Biochemistry 368(1), 95-99.
Sezonov, G., Joseleau-Petit, D., D’Ari, R. (2007). Escherichia coli physiology in Luria-Bertani broth. Journal of
Bacteriology 189(23), 8746-8749.
Sestili, P., Alfieri, R., Carnicelli, D., Martinelli, C., Barbieri, L., Stirpe, F., Bonelli, M., Petronini, P. G. Brigotti, M.
(2005). Shiga toxin 1 and ricin inhibit the repair of H2O2-induced DNA single strand breaks in cultured
mammalian cells. DNA Repair 4(2), 271-277.
Shahidi-Noghabi, S., Van Damme, E. J., Smagghe, G., (2009). Expression of Sambucus nigra agglutinin (SNA-I’)
from elderberry bark in transgenic tobacco plants results in enhanced resistance to different insect species.
Transgenic Research 18(2), 249-259.
Shang, C., Peumans, W. J., Van Damme, E. J. M. (2014). Occurrence and taxonomical distribution of ribosomeinactivating proteins belonging to the ricin/shiga toxin superfamily. Ribosome-inactivating Proteins: Ricin and
Related Proteins. John Wiley & Sons, VS, pp.11-27.
Sharma, N., Park, S. W., Vepachedu, R., Barbieri, L., Clani, M., Stirpe, F., Savary, B. J., Vivanco, J. M. (2004).
Isolation and characterization of an RIP (ribosome-inactivating protein)-like protein from tobacco with dual
enzymatic activity. Plant Physiology 134(1), 171-181.
Sharp, J. M., Doran, P. M. (2001). Strategies for enhancing monoclonal antibody accumulation in plant cell and
organ cultures. Biotechnology Progress 17(6), 979-992.
Shojima, S., Nishizawa, N. K., Fushiya, S., Nozoe, S., Kumashiro, T., Nagata, T., Ohata, T., Mori, S. (1989).
Biosynthesis of nicotianamine in the suspension-cultured cells of tobacco (Nicotiana megalosiphon). Biology of
Metals, 2(3), 142-145.
Silver, P. A. (1991). How proteins enter the nucleus. Cell 64(3), 489-497.
Singh, S. M., Panda, A. K. (2005). Solubilization and refolding of bacterial inclusion body proteins. Journal of
Bioscience and Bioengineering 99(4), 303-310.
Słomińska-Wojewódzka, M., Sandvig, K. (2013). Ricin and Ricin-Containing Immunotoxins: Insights into
Intracellular Transport and Mechanism of action in Vitro. Antibodies, 2(2), 236-269.
Smallshaw, J. E., Ghetie, V., Rizo, J., Fulmer, J. R., Trahan, L. L., Ghetie, M. A., Vitetta, E. S. (2003). Genetic
engineering of an immunotoxin to eliminate pulmonary vascular leak in mice. Nature Biotechnology 21(4), 387391.
Smith, M. L., Mason, H. S., Shuler, M. L. (2002). Hepatitis B surface antigen (HBsAg) expression in plant cell
culture: Kinetics of antigen accumulation in batch culture and its intracellular form. Biotechnology and
Bioengineering, 80(7), 812-822.
Soderquist, R. G., Lee, J. M. (2005). Enhanced production of recombinant proteins from plant cells by the
application of osmotic stress and protein stabilization. Plant Cell Reports 24(2), 127-132.
76
Song, S. K., Choi, Y., Moon, Y. H., Kim, S.G., Choi, Y. D., Lee, J. S. (2000). Systemic induction of a Phytolacca
insularis antiviral protein gene by mechanical wounding, jasmonic acid, and abscisic acid. Plant Molecular
Biology 43(4), 439-450.
Sorensen, H. P., Mortensen, K. K. (2005). Advanced genetic strategies for recombinant protein expression in
Escherichia coli. Journal of Biotechnology 115(2), 113-128.
Spooner, R. A., Hart, P. J., Cook, J. P., Pietroni, P., Rogon, C., Höhfeld, J., Roberts, L. M., Lord, J. M. (2008).
Cytosolic chaperones influence the fate of a toxin dislocated from the endoplasmic reticulum. Proceedings of
the National Academy of Sciences 105(45), 17408-17413.
Spooner, R. A., Watson, P. D., Marsden, C. J., Smith, D. C., Moore, K. A., Cook, J. P., Lord, J. M., Roberts, L. M.
(2004). Protein disulphide-isomerase reduces ricin to it’s A and B chains in the endoplasmic reticulum.
Biochemical Journal 383, 285-293.
Stirpe, F. (2004) Ribosome-inactivating proteins. Toxicon 44,371-383.
Stirpe, F. (2005). Ribosome-inactivating proteins. Molecular Neurosurgery With Targeted Toxins. Humana Press
Inc., VS, pp. 9-29
Stirpe, F. (2013). Ribosome inactivating proteins : from toxins to useful proteins. Toxicon 67, 12-16.
Stirpe, F., Barbieri, L., Battelli, M. G., Soria, M., Lappi, D. A. (1992). Ribosome-inactivating proteins from plants:
present status and future prospects. Nature Biotechnology 10(4), 405- 412.
Stirpe, F., Barbieri, L., Gorini, P., Valbonesi, P., Bolognesi, A., Polito, L. (1996). Activities associated with the
presence of ribosome-inactivating proteins increase in senescent and stressed leaves. FEBS Letters 382(3), 309312.
Stirpe, F., Battelli, M. G. (2006). Ribosome-Inactivating Proteins: progress and problems. Cellular and Molecular
Life Sciences 63(16), 1850-1866.
Tabashnik, B. E., Brévault, T., Carrière, Y. (2013). Insect resistance to Bt crops: lessons from the first billion
acres. Nature Biotechnology 31(6), 510-521.
Thanaraj, T. A., Argos, P. (1996a). Protein secondary structural types are differentially coded on messenger
RNA. Protein Science 5(10), 1973-1983.
Thanaraj, T. A., Argos, P. (1996b). Ribosome-mediated translational pause and protein domain organization.
Protein Science 5(8), 1594-1612.
Taylor, B. E., Irvin, J. D. (1990). Depurination of plant ribosomes by pokeweed antiviral protein. FEBS Letters
273(1), 144- 146.
Terpe, K. (2002). Overview of tag protein fusions: from molecular and biochemical fundamentals to commercial
systems. Applied Microbiology and Biotechnology 60(5), 523-533.
Terpe, K. (2006). Overview of bacterial expression systems for heterologous protein production: from
molecular and biochemical fundamentals to commercial systems. Applied Microbiology and Biotechnology
72(2), 211-222.
The Board of Regents of the University of Wisconsin System (2015).
http://www.uwstructuralgenomics.org/cloning.htm (geraadpleegd op 19/02/2015).
cDNA
Thermo
Fisher
Scientific
Inc.
(2015a).
CloneJET
PCR
Cloning
https://www.lifetechnologies.com/order/catalog/product/K1231 (geraadpleegd op 19/03/2015) .
Cloning.
Kit
Thermo Fisher Scientific Inc. (2015b). Ethidium Bromide (EtBr) Dye for DNA and RNA Detection.
http://www.lifetechnologies.com/be/en/home/life-science/dna-rna-purification-analysis/nucleic-acid-gelelectrophoresis/dna-stains/etbr.html (geraadpleegd op 19/02/2015).
Thermo
Fisher
Scientific
Inc.
(2015c).
MassRuler
DNA
Ladder
Mix,
ready-to-use.
http://www.lifetechnologies.com/order/catalog/product/SM0403?ICID=search-product (geraadpleegd op
19/02/2015).
Thermo Fisher Scientific Inc. (2015d). MassRuler Low Range DNA Ladder, ready-to-use.
https://www.lifetechnologies.com/order/catalog/product/SM0383?ICID=search-product (geraadpleegd op
19/02/2015).
Thermo Fisher Scientific Inc. (2015e). Vector NTI. https://www.lifetechnologies.com/be/en/home/lifescience/cloning/vector-nti-software.html (geraadpleegd op 19/05/2015).
77
Tsai, B., Ye, Y. and Rapoport, T. A. (2002). Retro-translocation of proteins from the endoplasmic reticulum into
the cytosol. Nature reviews Molecular Cell Biology 3(4), 246-255.
Tsoi, B. M-Y., Doran, P. M. (2002). Effect of medium properties and additives on antibody stability and
accumulation in suspended plant cell cultures. Biotechnology and Applied Biochemistry 35(3), 171-180.
Twyman, R. M. Stoger, E., Schillberg, S., Christou, P., Fischer, R. (2003). Molecular farming in plants: host
systems and expression technology. TRENDS in Biotechnology 21(12), 570-578.
UCLA (2012). Rare Codon Calculator (RaCC). http://nihserver.mbi.ucla.edu/RACC/ (geraadpleegd op
6/04/2015).
Vallejo, L. F. Rinas, U. (2004). Strategy for recovery of active protein through refolding of bacterial inclusion
body proteins. Microbial Cell Factories 3(1), 2-12.
Van Damme, E. J. M., Hao, Q., Barre, A., Vandenbussche, F., Desmyter, S., Rouge, P., Peumans, W. J. (2001).
Ribosome-inactivating proteins: a family of plant proteins that do more than inactivate ribosomes. Critical
Reviews in Plant Sciences 20(5), 395-465.
Vandenbussche, F., Peumans, W. J., Desmyter, S., Proost, P., Ciani, M., Van Damme, E. J. (2004). The type 1 and
type 2 ribosome-inactivating proteins from Iris confer transgenic tobacco plants local but not systemic
protection against viruses. Planta 220(2), 211-221.
Vater, C. A., Bartle, L. M., Leszyk, J. D., Lambert, J. M., Goldmacher, V. S. (1995). Ricin A chain can be chemically
cross-linked to the mammalian ribosomal proteins L9 and L10e. Journal of Biological Chemistry 270(21), 1293312940
Vepachedu, R., Park, S. W., Sharma, N., Vivanco, J. M. (2005). Bacterial expression and enzymatic activity
analysis of ME1, a ribosome-inactivating protein from Mirabilis expansa. Protein Expression and Purification
40(1), 142-151.
Vivanco, J. M., Savary, B. J., Flores, H. E. (1999). Characterization of two novel type I ribosome-inactivating
proteins from the storage roots of the Andean crop Mirabilis expansa. Plant Physiology 119(4), 1447-1456.
Voinnet, O., Rivas, S., Mestre, P., Baulcombe, D. (2003). An enhanced transient expression system in plants
based on suppression of gene silencing by the p19 protein of tomato bushy stunt virus. The Plant Journal 33(5),
949-956.
Wahl, M .F., An G., Lee, J. M. (1995). Effects of dimethyl sulfoxide on heavy chain monoclonal antibody
production from plant cell culture. Biotechnology Letters 17(5), 463-468.
Walsh, M. J., Dodd, J. E., Hautbergue, G. M. (2013). Ribosome-inactivating proteins: Potent poisons and
molecular tools. Virulence 4(8), 774-784.
Wandelt, C. I., Khan, M. R. I., Craig, S., Schroeder, H. E., Spencer, D., Higgins, T. J. (1992). Vicilin with carboxyterminal KDEL is retained in the endoplasmic reticulum and accumulates to high levels in the leaves of
transgenic plants. The Plant Journal 2(2), 181-192.
Wang, P., Tumer, N. E. (2000). Virus resistance mediated by ribosome inactivating proteins. Advances in Virus
Research 55, 325-355.
Wang, S., Zhang, Y., Liu, H., He, Y., Yan, J., Wu, Z., Ding, Y. (2012). Molecular cloning and functional analysis of a
recombinant ribosome-inactivating protein (alpha-momorcharin) from Momordica charantia. Applied
Microbiology and Biotechnology 96(4), 939-950.
Wasternack, C. (2007). Jasmonates: An update on biosynthesis, signal transduction and action in plant stress
response, growth and development. Annals of Botany 100(4), 681-697.
Weis, K. (2003). Regulating access to the genome: nucleocytoplasmic transport throughout the cell cycle. Cell
112(4), 441-451.
Welch, M., Govindarajan, S., Ness, J. E., Villalobos, A., Gurney, A., Minshull, J., Gustafsson, C. (2009). Design
parameters to control synthetic gene expression in Escherichia coli. PLoS ONE 4(9), e7002.
Wong, R. N. S., Mak, N. K. Choi, W. T., Law, P. T. W. (1995). Increased accumulation of trichosanthin in
Trichosanthes kirilowii induced by microorganisms. Journal of Experimental Botany 46(3), 355-358.
Wongsamuth, R., Doran, P. M. (1997). Production of monoclonal antibodies by tobacco hairy roots.
Biotechnology and Bioengineering 54(5), 401-415.
78
WTSI (2014a). MEROPS Blast Server. http://merops.sanger.ac.uk/cgi-bin/blast/submitblast/merops/advanced
(geraadpleegd op 2/11/2014).
WTSI (2014b). Family C19. http://merops.sanger.ac.uk/cgi-bin/famsum?family=c19 (geraadpleegd op
2/11/2014).
WTSI (2014c). Family M41. http://merops.sanger.ac.uk/cgi-bin/famsum?family=m41 (geraadpleegd op
2/11/2014).
Xinying S., Prashant K. K., Karissa, Y. S., Simpson J. (2012). Functional Role of the Sarcin-Ricin Loop of the 23S
rRNA in the Elongation Cycle of Protein Synthesis. Journal of Molecular Biology 419(3), 125-138.
Yamasaki, C., Nishikawa, K., Zeng, X. T., Katayama, Y., Natori, Y., Komatsu, N., Oda, T., Natori, Y. (2004).
Induction of cytokines by toxins that have an identical RNA N-glycosidase activity: Shiga toxin, ricin, and
modeccin. Biochimica et Biophysica Acta (BBA)-General Subjects 1671(1), 44-50.
Yan, X., Hollis, T., Svinth, M., Day, P., Monzingo, A. F., Milne, G. W., Robertus, J. D. (1997). Structure-based
identification of a ricin inhibitor. Journal of Molecular Biology 266(5), 1043-1049.
Yoshinari S., Koresawa S., Yokota S., Sawamoto H., Tamura M., Endo Y. (1997). Gypsophilin, a new type 1
ribosome-inactivating protein from Gypsophila elegans: purification, enzymatic characterization, and
subcellular localization. Bioscience, Biotechnology, and Biochemistry 61(2), 324-331.
Yoshinari, S., Yokota, S., Sawamoto, H., Koresawa, S., Tamura, M., Endo Y. (1996). Purification, characterization
and subcellular localization of a type-1 ribosome-inactivating protein from the sarcocarp of Cucurbita pepo.
European Journal of Biochemistry 242(3), 585-591.
Zang, Z., Xu, H., Yu, L., Yang, D., Xie, S., Shi, Y., Li, Z., Li, J.,Wang, J., Li, M., Guo, Y., Gu, F. (2000). Intravesical
immunotoxin as adjuvant therapy to prevent the recurrence of bladder cancer. Chinese Medical Journal
113(11), 1002-1006.
Zarling, J. M., Moran, P. A., Haffar, O., Sias, J., Richman, D. D., Spina, C. A., Myers, D. E., Kuebelbeck, V.,
Ledbetter, J. A., Uckun, F. M. (1990). Inhibition of HIV replication by pokeweed antiviral protein targeted to
CD4+ cells by monoclonal antibodies. Nature 347, 92-95
Zhang, C. Y., Gong, Y. X., Ma, H., An, C. C., Chen, D. Y. (2000). Trichosanthin induced calcium-dependent
generation of reactive oxygen species in human choriocarcinoma cells. Analyst 125(9), 1539-1542.
Zhu, S., Gong, C., Ren, L., Li X., Song, D., Zheng, G. (2012). A simple and effective strategy for solving the
problem of inclusion bodies in recombinant protein technology: His-tag deletions enhance soluble expression.
Applied Microbiology and Biotechnology 97(2), 837-845.
Zou, L. B., Zhan J. B. (2005). Purification and anti-cancer activity of ricin. Zhejiang da xue xue bao. Yi xue ban.
Journal of Zhejiang University. Medical Sciences 34(3), 217-219.
Zoubenko, O., Uckun, F., Hur, Y., Chet, I., Tumer, N. (1997). Plant resistance to fungal infection induced by
nontoxic pokeweed antiviral protein mutants. Nature Biotechnology 15(10), 992- 996.
79
9 Bijlagen
9.1 Gebruikte primers
Tabel 6: Gebruikte primers bij de verschillende PCR-reacties.
Primer
Sequentie
Opmerkingen
EVD002
GGGGACAAGTTTGTACAAAAAAGCAG
GCT
Complementair aan het eerste gedeelte van de
attB1-site en brengt het tweede gedeelte van
de attB1-site aan
EVD004
GGGGACCACTTTGTACAAGAAAGCTG
GGT
Complementair aan het eerste gedeelte van de
attB2-site en brengt het tweede gedeelte van
de attB2-site aan
EVD275
GCCTGAACACCATATCCATCC
Forward primer complementair aan de pJETvector
EVD276
GCAGCTGAGAATATTGTAGGAGATC
Reverse primer complementair aan de pJETvector
EVD386
GTAAAACGACGGCCAG
M13 forward primer
EVD387
CAGGAAACAGCTATGAC
M13 reverse primer
EVD472
GAAACCTCCTCGGATTCCAT
Forward primer complementair
sequentie van de 35S promotor
EVD607
5’AAAAAGCAGGCTTCACCATGACGAG
AGTGTTAGCAATATACT’
Forward primer complementair aan het
signaalpeptide en een gedeelte voor het
aanbrengen van het eerste deel van de attB1site.
EVD667
GGACTTGAAGAAGTCGTGCTG
Reverse primer die complementair is aan de
sequentie voor het eGFP
EVD668
ACTTCAAGATCCGCCACAAC
Forward primer die complementair is aan de
sequentie voor het eGFP
EVD805
AGAGTGTTAGCAATATACATTACTCTC
GCATTTAGCCTCTTTCTCTGTGG
Forward primer die complementair is aan het
laatste deel van het signaalpeptide
P1
AGGTCACTGGATTTTGGTTT
Reverse primer complementair
sequentie van de 35S terminator
P29
CTGTCCATAGATGGCCCAAT
Forward primer complementair aan het M41
gedeelte van het RIP-M41
P30
CCCAAGAAGGATCATCCAAA
Forward primer die complementair is aan het
RIP-gedeelte van het RIP-M41
P39
GGGGAAGCAGTAATGGAGCA
Forward primer die complementair is aan het
begin van het open leesraam voor het RIP-M41
P60
ATGATGATGATGTCCTCCTCCACAGTA
TAATACCAATTTTTGGGCA
Reverse primer voor het adheren van de linker
en His-tag aan het RIP-M41
80
aan
aan
de
de
P118
AAAAAGCAGGCTTCACCATGGAGCAA
GGGAGAGGG
Forward primer RIP-M41 (C- en N-terminale
fusie) complementair aan het eerste deel van
het RIP-M41 en brengt het eerste gedeelte van
de attB1-site aan
P119
AGAAAGCTGGGTGACAGTATAATACC
AATTTTTGGGCA
Reverse primer RIP-M41 (C-terminale fusie)
complementair aan het laatste deel van het
RIP-M41 en brengt het eerste gedeelte van de
attB2-site aan
P120
AGAAAGCTGGGTGTCAACAGTATAAT
ACCAATTTTTGGGCA
Reverse primer RIP-M41 (N-terminale fusie)
complementair aan het laatste deel van het
RIP-M41 en brengt het eerste gedeelte van de
attB2-site aan
P121
AAAAAGCAGGCTTCACCATGGGGAAG
AAGGAGGCC
Forward primer RIP-C19 (C- en N-terminale
fusie) complementair aan het eerste deel van
het RIP-C19 en brengt het eerste gedeelte van
de attB1-site aan
P122
AGAAAGCTGGGTGTTTTTCATTTTTATT
TGCCTTCC
Reverse primer RIP-C19 (C-terminale fusie)
complementair aan het laatste deel van het
RIP-C19 en brengt het eerste gedeelte van de
attB2-site aan
P123
AGAAAGCTGGGTGTCATTTTTCATTTTT
ATTTGCCTTCC
Reverse primer RIP-C19 (N-terminale fusie)
complementair aan het laatste deel van het
RIP-C19 en brengt het eerste gedeelte van de
attB2-site aan
P134
TTATAGCTCATCTTTACCGCCTCCATGA
TGATGATGATGATGTCC
Reverse primer complementair aan de His-tag
en zal het KDEL-signaal aanbrengen.
P135
AGAAAGCTGGGTGTTATAGCTCATCTT
TACCGCCTCC
Reverse primer complementair aan het KDELsignaal en brengt het eerste deel attB2-site aan
P178
ATGCACCATCACCATCACCATGGTGGT
GGTGAGCAAGGGAGAGGGAAG
Forward primer complementair aan het eerste
gedeelte van het RIP-M41, voor het
aanbrengen van de N-terminale His-tag en
linker aan het RIP-M41
P179
CTAACAGTATAATACCAATTTTTGGGC
A
Reverse primer die complementair is aan het
achterste gedeelte van het RIP-M41
P182
CGAATTCGGAGGAAACAAAGATGCAC
CATCACCATCACCATG
Forward primer complementair aan het eerste
deel van het RIP-M41 met de N-terminale Histag en brengt de N-terminale sequentie voor de
Gibson assembly aan voor de pCXP34h-vector
P183
CCCATATGGTCGACCTGCAGTCAACAG
TATAATACCAATTTTTGGGCA
Reverse primer complementair aan het laatste
deel van het RIP-M41 met de N-terminale Histag en brengt de C-terminale sequentie voor de
Gibson assembly aan voor de pCXP34h-vector
P184
CGAATTCGGAGGAAACAAAGATGGAG
CAAGGGAGAGGG
Forward primer complementair aan het eerste
deel van het RIP-M41 met de C-terminale Histag en brengt de N-terminale sequentie voor de
81
Gibson assembly aan voor de pCXP34h-vector
P185
CCCATATGGTCGACCTGCAGTCAATGA
TGATGATGATGATGTCC
Reverse primer complementair aan het laatste
deel van het RIP-M41 met de C-terminale Histag en brengt de C-terminale sequentie voor de
Gibson assembly aan voor de pCXP34h-vector
P186
GAGCAAGGGAGAGGGAAG
Forward primer voor het RIP-M41 open
leesraam zonder start codon
P187
ACAGTATAATACCAATTTTTGGGCA
Reverse primer voor het RIP-M41 open
leesraam zonder stop codon
P213
TTAAGAAGGAGATATACGGGATGCAC
CATCACCATCACCATG
Forward primer complementair aan het eerste
deel van het RIP-M41 met de N-terminale Histag en brengt de N-terminale sequentie voor de
Gibson assembly aan voor de pET-vector
P214
GCTTTGTTAGCAGCCGGATCCTAACAG
TATAATACCAATTTTTGGGCA
Reverse primer complementair aan het laatste
deel van het RIP-M41 met de N-terminale Histag en brengt de C-terminale sequentie voor de
Gibson assembly aan voor de pET-vector
P215
TTAAGAAGGAGATATACGGGATGGAG
CAAGGGAGAGGG
Forward primer complementair aan het eerste
deel van het RIP-M41 met de C-terminale Histag en brengt de N-terminale sequentie voor de
Gibson assembly aan voor de pET-vector
P216
GCTTTGTTAGCAGCCGGATCTCAATGA
TGATGATGATGATGTCC
Reverse primer complementair aan het laatste
deel van het RIP-M41 met de C-terminale Histag en brengt de C-terminale sequentie voor de
Gibson assembly aan voor de pET-vector
82
9.2 DNA sequenties RIP-M41 en RIP-C19
Figuur 43: cDNA-sequentie van het open leesraam voor het RIP-M41. Het startcodon is aangeduid in
het geel, het stopcodon in het groen.
Figuur 44: cDNA-sequentie van het open leesraam voor het RIP-C19. Het startcodon is aangeduid in
het geel, het stopcodon in het groen.
83
Figuur 45: Codons voor zeldzame tRNA’s in E. coli in het open leesraam voor het RIP-M41. In rood zijn
de zeldzame codons voor arginine te zien, in het groen het zeldzame codon voor leucine, in het blauw
het zeldzame codon voor isoleucine en het zeldzame proline codon in oranje (UCLA 2012).
9.3 Vectoren
9.3.1 Lokalisatie en colokalisatie
9.3.1.1 Entry clones
Figuur 46: ‘Entry clone’ van het RIP-M41 voor de N-terminale eGFP fusie (vector: pDonr221) (Thermo
Fisher Scientific Inc. 2015e).
84
Figuur 47: ‘Entry clone’ van het RIP-M41 voor de C-terminale eGFP fusie (vector: pDonr221) (Thermo
Fisher Scientific Inc. 2015e).
Figuur 48: ‘Entry clone’ van het RIP-C19 voor de N-terminale eGFP fusie (vector: pDonr221) (Thermo
Fisher Scientific Inc. 2015e).
85
Figuur 49: ‘Entry clone’ van het RIP-C19 voor de C-terminale eGFP fusie (vector: pDonr221) (Thermo
Fisher Scientific Inc. 2015e).
9.3.1.2 Expression clones
Figuur 50: ‘Expression clone’ van het RIP-M41 met een N-terminale eGFP fusie (vector: pK7WGF2)
(Thermo Fisher Scientific Inc. 2015e).
86
Figuur 51: ‘Expression clone’ van het RIP-M41 met een C-terminale eGFP fusie (vector: pK7FWG2)
(Thermo Fisher Scientific Inc. 2015e).
Figuur 52: ‘Expression clone’ van het RIP-C19 met een N-terminale eGFP fusie (vector: pK7WGF2)
(Thermo Fisher Scientific Inc. 2015e).
87
Figuur 53: ‘Expression clone’ van het RIP-C19 met een C-terminale eGFP fusie (vector: pK7FWG2)
(Thermo Fisher Scientific Inc. 2015e).
9.3.2 Heterologe expressie in BY-2 cellen
9.3.2.1 Entry clones
Figuur 54: ‘Entry clone’ van het RIP-M41-KDEL (vector: pDonr221) (Thermo Fisher Scientific Inc.
2015e).
88
Figuur 55: ‘Entry clon’e van het RIP(M41)-KDEL (vector: pDonr221) (Thermo Fisher Scientific Inc.
2015e).
9.3.2.2 Expression clones
Figuur 56: ‘Expression clone’ van het RIP-M41-KDEL (vector: pK7WG2D) (Thermo Fisher Scientific Inc.
2015e).
89
Figuur 57: ‘Expression clone’ van het RIP-M41-KDEL (vector: pK7WG2D) (Thermo Fisher Scientific Inc.
2015e).
9.3.3 Heterologe expressie in E. coli
9.3.3.1 pCXP34h-vector
Figuur 58: De pCXP34h-vector. PXX staat voor P34 (Aerts D. et al. 2011).
90
9.3.3.2 pET-21a-vector
Figuur 59: De pET-21a-vector (Addgene 2015).
91
9.4 Foto’s lokalisatie en colokalisatie
9.4.1 Lokalisatie in blad van N. benthamiana
Figuur 60: Lokalisatie van eGFP, ingespoten OD = 0,1.
92
Figuur 61: Lokalisatie van het RIP-M41 C-terminale construct, ingespoten OD = 0,01.
93
Figuur 62: Lokalisatie van het RIP-M41 N-terminale construct, ingespoten OD = 0,01.
Figuur 63: Lokalisatie van het RIP-C19 N-terminale construct, ingespoten OD = 0,1.
94
Figuur 64: Lokalisatie van het RIP-C19 N-terminale construct, ingespoten OD = 0.1.
Figuur 65: Lokalisatie van het RIP-C19 N-terminale construct, ingespoten OD = 0,05.
95
Figuur 66: Lokalisatie van het RIP-C19 C-terminale construct, ingespoten OD = 0,1.
Figuur 67: Lokalisatie van het RIP-C19 C-terminale construct, ingespoten OD = 0,2.
96
9.4.2 Colokalisatie in blad van N. benthamiana
Figuur 68: Colokalisatie van eGFP, ingespoten OD = 0,1.
97
Figuur 69: Colokalisatie van het RIP-M41 N-terminale construct, ingespoten OD = 0,1.
98
Figuur 70: Colokalisatie van het RIP-M41 C-terminale construct, ingespoten OD = 0,1.
Figuur 71: Colokalisatie van het RIP-M41 C-terminale construct, ingespoten OD = 0,05.
99
Figuur 72: Colokalisatie van het RIP-C19 N-terminale construct, ingespoten OD = 0,1.
100
Figuur 73: Colokalisatie van het RIP-C19 N-terminale construct, ingespoten OD = 0,2.
Figuur 74: Colokalisatie van het RIP-C19 C-terminale construct, ingespoten OD = 0,2.
101
Download