veiligheids

advertisement
VEILIGHEIDS -
VOORSCHRIFTEN
EN TIPS VOOR
VEILIG WERKEN
Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie
VEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN
EN TIPS VOOR VEILIG WERKEN
Stichting voor Fundamenteel Onderzoek der Materie
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
1
Voorwoord
Veilig, gezond en prettig werken bij FOM? Dat kan en dat moet ook! Als werkgever moet
FOM zorgen dat dit mogelijk is. Toch bent u er, samen met uw leidinggevende, ook zelf
verantwoordelijk voor.
De overheid heeft regels voor veiligheid, gezondheid en welzijn op de werkplek vastgelegd in wetgeving op het gebied van arbeidsomstandigheden. Dat is mooi, maar veel belangrijker is hoe FOM als werkgever en u als werknemer daar in de praktijk mee omgaan.
Daar gaat dit boekje over.
Omdat veilig en gezond werken ieders verantwoordelijkheid is, raad ik u aan deze uitgave
goed te lezen en op uw dagelijkse werkplek onder handbereik te hebben. Heeft u toch nog
vragen? Aarzel dan niet om uw leidinggevende of de arbocoördinator in uw omgeving te
raadplegen.
Mochten zich op uw werkplek omstandigheden voordoen, die voor uw veiligheid en gezondheid beter zouden moeten? Laat het uw leidinggevende weten. Alleen dan kunnen we
immers de werkplek veilig en gezond maken en houden.
Uitgave
Stichting FOM
Postbus 3021, 3502 GA Utrecht
Telefoon (030) 600 12 60
E: [email protected]
I: www.fom.nl
Een gedrukte versie, zoals dit boekje, dat in 2015 geheel is herzien door de Arbo adviescommissie van FOM, geeft een momentopname. Arbozaken blijven continu in beweging.
Actuele wijzigingen worden daarom bijgehouden op de FOM website www.fom.nl/arbo. Ik
raad u aan ook deze regelmatig te bezoeken.
Dr.ir. Christa Hooijer
Directeur Stichting FOM
Druk
April 2015
Onder redactie van
Arbo-adviescommissie Stichting FOM
Eindredactie
Centrale arbocoördinator Stichting FOM
2
S t i c h t i n g v o o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
3
Inleiding
Inhoudsopgave
Voorwoord
3
Inleiding
5
Hoofdstuk 1
Algemene veiligheidsvoorschriften
11
Hoofdstuk 2
Brand en ongevallen
13
Hoofdstuk 3
Beeldschermwerk
17
Hoofdstuk 4
Risicobeoordeling nieuwe proefopstellingen
21
Hoofdstuk 5
Arbeidsmiddelen en machines
25
Hoofdstuk 6
Hijsen, heffen en transport
29
Hoofdstuk 7
Werken op hoogte
33
Hoofdstuk 8
Elektriciteit
37
Hoofdstuk 9
Gevaarlijke stoffen
41
Hoofdstuk 10
Carcinogene, mutagene en reproductietoxische stoffen
47
Hoofdstuk 11
Synthetische nanomaterialen
53
Hoofdstuk 12
Gassen en gascilinders
57
Hoofdstuk 13
Cryogene vloeistoffen
63
Hoofdstuk 14
Vacuüm
67
Hoofdstuk 15
Ioniserende straling
71
Hoofdstuk 16
Niet ioniserende straling
77
Hoofdstuk 17
Werken met lasers
83
Hoofdstuk 18
Persoonlijke beschermingsmiddelen
89
Hoofdstuk 19
Milieubescherming
95
Hoofdstuk 20
FOM-Arbobeleid
99
Meer weten?
102
Samenstelling FOM Arbo Adviescommissie
103
Bijlage
4
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Veilig gezond en prettig werken
Veilig, gezond en prettig werken bij FOM? Dat kan en dat moet zelfs! FOM wil hiervoor
zorgen, maar u heeft hierin ook uw eigen verantwoordelijkheid.
Het draait allemaal om arbeidsomstandigheden ofwel de zorg voor veiligheid, gezondheid en welzijn in de werksituatie. De verplichtingen hiervoor zijn vastgelegd in de Arbeidsomstandighedenwet (Arbowet).
De overheid ging er tot begin jaren ‘80 van uit dat veiligheid het beste met regels afgedwongen kon worden. Inmiddels hebben andere inzichten de overhand gekregen. De terugtredende overheid geeft in principe alleen de hoofdlijnen aan en laat voor een groot
deel de invulling over aan de Sociale Partners (werkgevers- en werknemers vertegenwoordiging). Dit betekent dat goede arbeidsomstandigheden veel meer maatwerk is dan
voorheen.
De overheid treedt niet helemaal terug maar blijft, via de Inspectie SZW, over de schouder meekijken of en hoe iedereen zich aan de spelregels houdt. De Inspectie SZW kan
waar nodig corrigerend optreden. Het is goed dat er wetgeving is, maar het is veel belangrijker, hoe men in de praktijk met arbeidsomstandigheden omgaat (veiligheidscultuur).
Dit boekje maakt onderdeel uit van het maatwerk van Stichting FOM. De hoofdstukken 1 t/m 4
hoort iedereen te lezen. De rest van dit boekje bevat informatie en tips over allerlei zaken,
soms algemeen en soms gedetailleerd. Haal er die informatie uit die voor u belangrijk is.
U bent medeverantwoordelijk
Een veilige werkplek is ook voor u geen vrijblijvende zaak!
Alle werknemers zijn zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van het beleid in hun eigen
werksituatie, dus ook u en uw collega’s.
De basisgedachte van de Arbowet is namelijk dat goede arbeidsomstandigheden alleen
van de grond komen als er een goede samenwerking is tussen leidinggevenden en werknemers. Iedereen heeft daarin zijn eigen rechten en plichten.
De werkgever
De werkgever dient te zorgen voor een goed arbobeleid en randvoorwaarden om dat beleid uit te voeren. Dat houdt onder andere in dat ieders taken duidelijk moeten zijn en er
voldoende tijd en middelen beschikbaar zijn om de uitvoering van het arbobeleid mogelijk
te maken. Ook dient hij beleid te voeren met betrekking tot het beschermen van werknemers tegen psychosociale arbeidsbelasting (onder andere werkdruk, discriminatie en
ongewenst gedrag).
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
5
De werknemer
Kinderwens en zwangerschap
Als werknemer heeft u rechten en plichten. U heeft recht op:
• voorlichting en onderricht over de risico’s op uw werkplek
• informatie over de op de werkplek noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen en beschermingsmiddelen
• informatie over hoe de voorgeschreven (persoonlijke) beschermingsmiddelen goed
te gebruiken
• het bespreken van de (ervaren) arbeidsomstandigheden (bijv. op het werkoverleg)
• (periodiek) arbeidsgezondheidskundig onderzoek, begeleiding en advies indien er
sprake is van gezondheidsrisico’s ten gevolge van het werk
• het bezoeken van de bedrijfsarts bij het vermoeden van ziekte als gevolg van het
werk (het arbeidsomstandighedenspreekuur)
• het indienen van klachten over onveilige of ongezonde werksituaties
• het onderbreken van het werk wanneer er acuut gevaar dreigt.
Sommige werkzaamheden kunnen een verhoogd risico voor u en/of uw (ongeboren) kind
vormen. Bij Stichting FOM wordt een “Checklist zwangerschap, kinderwens of lactatietijd” gebruikt. Het doel van de checklist is om mogelijke risico’s voor de werknemer en
kind vroegtijdig in kaart te brengen. Vraag naar de checklist bij uw leidinggevende of
veiligheidscontactpersoon. Maak zo snel mogelijk een afspraak met uw leidinggevende
over eventuele aanpassingen van uw dagelijkse werkzaamheden. Dit is uw wettelijk recht,
maak er gebruik van!
Tot uw plichten behoren dat u:
• werkzaamheden veilig uitvoert en de gezondheid van uzelf en van anderen niet in gevaar brengt
• de veiligheidsvoorschriften daadwerkelijk naleeft
• aangebrachte beveiligingen en veiligheidsvoorzieningen op de juiste manier gebruikt
en ongemoeid laat
• persoonlijke beschermingsmiddelen gebruikt wanneer dit verplicht is
• meewerkt aan voorlichting en onderricht
• direct aan de leidinggevende acuut onveilige/ongezonde werksituaties meldt.
Voorlichting en instructie
Een goed begin is het halve werk. Zorg dat u wanneer u in dienst van FOM komt snel op de
hoogte bent van essentiële zaken als:
• naam en contactgegevens van de veiligheidscontactpersoon op uw locatie
• alarmnummers (voor deskundige hulp bij verwondingen en het melden
van brand)
• wat er van u verwacht wordt tijdens een calamiteit
• het ontruimingssignaal en andere mogelijke alarmsignalen
• vluchtroutes en nooduitgangen
• veiligheidsvoorschriften voor uw eigen werkplek.
Iedere werknemer krijgt bij indiensttreding voorlichting en instructie over locatie gebonden veiligheidsregels. Vraag er naar als dit uitblijft. Stel u ook op de hoogte van eventuele
risico’s van de naastgelegen afdelingen.
6
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Psychosociale Arbeidsbelasting
De werkgever moet er voor zorgen dat psychosociale arbeidsbelasting (PSA) geen gevaar oplevert voor de veiligheid en gezondheid van werknemers.
Een werkomgeving met weinig psychosociale arbeidsbelasting bevat o.a.:
• voldoende uitdaging in het werk zodanig dat uw eigen ontwikkeling wordt
gestimuleerd
• zo weinig mogelijk monotone arbeid
• een prettige en doelmatige communicatie met leidinggevende en collega’s
• het ontbreken van structurele stress of hoge werkdruk ten gevolge van het werk,
de arbeidsomstandigheden of de organisatie
• het niet tolereren van (seksuele) intimidatie, agressie, geweld of pesten.
Risico’s inventariseren
Eén van de hoofdpijlers binnen de Arbowet is dat ieder bedrijf met meer dan vijfentwintig
personen in dienst verplicht is een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) te maken.
In een RI&E worden de voor de werkplek aanwezige gevaren beschreven en de maatregelen die genomen worden om het gevaar weg te nemen of te beperken. De RI&E is een
continu proces waarin steeds naar verbetering van de arbeidsomstandigheden wordt gezocht. Daarbij wordt rekening gehouden met de stand van de wetenschap en die van de
professionele dienstverlening.
Een onderdeel van de RI&E is het “plan van aanpak” (PvA). Hierin worden de concrete
doelstellingen en de veiligheidsmaatregelen beschreven die binnen een aangegeven
periode zullen worden gerealiseerd. De voortgang van dit PvA wordt besproken met de
werknemersvertegenwoordiging. De werkgever is verplicht een exemplaar van de RI&E
en PvA aan de werknemersvertegenwoordiging ter beschikking te stellen en iedere werknemer de gelegenheid te geven er kennis van te nemen.
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
7
Deskundige ondersteuning
De Arbowet maakt onderscheid in ondersteuning door werknemers van de eigen organisatie en ondersteuning door externen. De wet vraagt de werkgever de preventieve taken
zoveel mogelijk te laten uitvoeren door werknemers van het eigen bedrijf. Voor sommige
taken is ondersteuning door gecertificeerde arbodeskundigen een vereiste. Stichting
FOM laat zich zoveel mogelijk door eigen (gecertificeerde) arbodeskundigen adviseren.
Afhankelijk van uw werkplek zal dit betekenen dat:
• er een veiligheidscontactpersoon (arbocoördinator) is aangesteld waar u terecht
kunt voor de dagelijkse ondersteuning en vragen
• er in uw directe werkomgeving werknemers zijn die de taak hebben om toe te zien op
de veiligheid in uw werkomgeving: ruimtetoezichthouders, labverantwoordelijken
etc.
• u, voor uw persoonlijke gezondheid in relatie tot het werk, terecht kunt bij de bedrijfsarts of een andere arbodeskundige. Wie dit is kunt u vragen bij uw leidinggevende, uw
personeelsfunctionaris of uw arbocoördinator. Bij deze deskundigen kunt u terecht
met onderwerpen als ziekteverzuimbegeleiding, Periodiek Arbeidsgezondheidskundig Onderzoek (PAGO) en werkgerelateerde gezondheidsklachten. De bedrijfsarts
zal niet de taak van uw huisarts overnemen.
Wanneer u het lastig vindt om de juiste persoon te vinden, dan kunt u uw vraag altijd mailen naar [email protected]. Wij proberen u dan zo goed mogelijk te helpen.
Nu de praktijk
Dit boekje is slechts een handreiking. U heeft, heel in het kort, kennis gemaakt met de opzet van de Arbowet. Samenwerking en medeverantwoordelijkheid zijn de pijlers waarop
de Arbowet steunt en dat is ook hoe FOM er mee om wil gaan. Het arbobeleid van FOM is
op hoofdlijnen beschreven in de Nota FOM-Arbobeleid. Meer informatie is ook te vinden
op www.fom.nl/arbo.
Belangrijker nog dan feitenkennis is echter de juiste instelling ten aanzien van de veiligheid: de mentaliteit van waaruit ‘veilig wordt gedacht’ en ‘veilig wordt gehandeld’. Wanneer u vanuit deze mentaliteit de veiligheidstips die in dit boekje worden beschreven,
leest en toepast, zal dat de veiligheid en het veilig werken in belangrijke mate bevorderen.
Als u denkt dat het werk veiliger, gezonder en prettiger kan laat het dan weten?
°
8
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
9
Hoofdstuk
1
Algemene veiligheidsvoorschriften
1.
Gezond verstand staat voorop. Neem alle maatregelen die redelijkerwijs genomen
moeten worden om de veiligheid voor uzelf en voor anderen te waarborgen.
2. De leidinggevende dient ervoor te zorgen en er op toe te zien dat de teamleden veilig
(kunnen) werken. Nieuwe werknemers krijgen daarom, onder zijn verantwoordelijkheid,
voorafgaand aan de werkzaamheden instructie over mogelijke gevaren en de geldende
werkvoorschriften.
3. Alle werknemers moeten veilig werken en de (overwerk)regels kennen die gelden op de
werkplek.
4. Maak gebruik van de op de werkplek voorgeschreven veiligheidsvoorschriften en persoonlijke beschermingsmiddelen. Deze zijn vaak te herkennen aan de pictogrammen bij
het betreden van de ruimte.
5. Onderneem actie wanneer u ernstige gevaren of nalatigheden waarneemt, zodanig dat
het gevaar wordt weggenomen! Meld onveilige werkmethoden en werksituaties, die
niet onmiddellijk verbeterd kunnen worden, meteen bij uw leidinggevende of arbocoördinator.
6. Het is veiliger om niet alleen te werken bij werkzaamheden met verhoogd risico.
U bent verplicht dit, waar mogelijk, te voorkomen. Dit is te bereiken door werkplekinrichting, overleg en afspraken. In geval van een calamiteit kan dan hulp worden geboden
of worden ingeroepen.
7.
Zorg bij het ontwerpen van apparatuur en installaties dat deze veilig zijn, geen (brand)
gevaar kunnen opleveren en “fail-safe” zijn. De FOM Richtlijn “Veiligheid en Milieu bij
nieuwe wetenschappelijke projecten” kan hiervoor gebruikt worden.
8. Het overbruggen en uitschakelen van beveiligingen is verboden.
9. Aan het eind van uw werkdag moet u er zeker van zijn, dat de onder uw verantwoordelijkheid staande apparatuur geen gevaar voor anderen kan opleveren. Apparatuur mag
alleen zonder toezicht aan blijven staan als er is aangegeven hoe er in geval van een
calamiteit gehandeld moet worden (afsluiters, contactpersoon etc.). Informeer hoe één
en ander op uw werkplek georganiseerd is.
10. Zet elektrische apparatuur die niet wordt gebruikt ‘UIT’.
10
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
11
Hoofdstuk
2
Brand en ongevallen
O
p elke locatie waar FOM-werknemers werken bevindt zich een bedrijfshulpverleningsorganisatie. In geval van een calamiteit zullen de bedrijfshulpverleners instructies
geven die opgevolgd dienen te worden. Weet hoe u moet handelen en hoe u veilig het gebouw kunt verlaten in geval van een calamiteit. Meldt ongevallen zodat van de oorzaak
geleerd kan worden.
Inleiding
Een calamiteit is nooit leuk en kan flinke impact hebben op alle betrokkenen. Om calamiteiten zoveel mogelijk te voorkomen, risico’s op brand en ongevallen te beperken en om
na een calamiteit te leren van wat mis is gegaan, is op alle FOM-locaties een bedrijfshulpverleningsorganisatie actief.
Denk altijd om uw eigen veiligheid en die van uw collega’s. Vraag hulp. Bel hiervoor het
calamiteitennummer of waarschuw de bedrijfshulpverleners.
Brandinstructie
Brand is een proces waarbij vuur zichzelf in stand houdt. Als dit beheerst plaatsvindt,
hoeft het niet direct gevaarlijk te zijn. Er is sprake van gevaar als een verbrandingsproces
ongewenst optreedt en ongecontroleerd om zich heen grijpt.
Wat moet u doen bij brand?:
• meldt altijd eerst de brand (alarm slaan)
• handel volgens de instructie die overal in het hele gebouw hangt. Lees deze instructie regelmatig goed door: bij brand is daar geen tijd voor!
• evacueer vervolgens de mensen die in de buurt van de brand zijn
• denk altijd aan uw eigen veiligheid en die van uw collega’s wanneer u een beginnende
brand wilt bestrijden. Gebruik een brandblusser die het dichtst bij de brand hangt.
Deze is, als het goed is, het meest geschikt. Gebruik van een brandslang is voorbehouden aan de BHV-ploeg
• verlaat het gebouw op aanwijzing van de BHV volgens de aangegeven vluchtroutes
(volg de groene ontruimingsborden) naar de (nood)uitgang.
Blusmiddelen
Er zijn verschillende soorten blusmiddelen. Niet elk blusmiddel is geschikt voor elke type
brand. Zorg ervoor dat het blusmiddel geschikt is om de betreffende brand te blussen. De
bedrijfshulpverlener is hiervoor geïnstrueerd.
12
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
13
De meest voorkomende blusmiddelen
in een onderzoekomgeving zijn:
• brandblussers: koolzuursneeuwblusser,
poederblussers of AFFF-blussers
• brandslang
• blusdeken
Een blusdeken kan worden gebruikt om in brand
staande kleding of beginnende brandjes te doven
door de vlammen af te dekken.
Preventie van brand
Het doel van preventie is te zorgen, dat mensen
gezond blijven door hun gezondheid te bevorderen en te beschermen. Ook heeft preventie tot
doel om te anticiperen op risicofactoren en te
ageren wanneer de eerste signalen zich ontwikkelen dat een probleem aan het ontstaan is.
Wat verwachten wij van u met betrekking
tot brandpreventie:
• iedereen is verplicht de werkzaamheden (dus
ook bij het experiment) zodanig te verrichten,
dat het veiligheidsrisico en het brandgevaar
tot een minimum worden beperkt
• werk bij brandbare, ontvlambare of explosieve stoffen met minimale gebruikshoeveelheden en maak indien mogelijk gebruik van (gas)
detectie
• bij het werken met brandgevaarlijke stoffen,
las- of branderwerkzaamheden moet altijd
een geschikt brandblusapparaat binnen handbereik zijn
• bewaar geen brandbaar verpakkingsmateriaal (b.v. tempex en karton) in kamers en gangen
• meldt onveilige situaties zo snel mogelijk bij
leidinggevende of arbocoördinator om de onveilige situatie “weg te nemen”
• breng, waar mogelijk, veiligheidsbescherming
aan.
14
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Arbeidsongeval
Een arbeidsongeval is een aan de werknemer in verband met het verrichten werk overkomen ongewilde, plotselinge gebeurtenis, die schade aan de gezondheid tot vrijwel onmiddellijk gevolg heeft gehad en heeft geleid tot ziekteverzuim, of de dood.
Wat verwachten wij van u, wanneer u betrokken bent geweest bij een
(bijna)ongeval:
• meldt ieder (bijna) ongeval bij uw leidinggevende en/of arbocoördinator. Samen met
u worden daarna maatregelen getroffen om de oorzaak weg te nemen of om het risico te verkleinen waardoor herhaling voorkomen kan worden
• van ieder ongeval stelt de arbocoördinator, in overleg met de betrokkenen, een ongevalsrapportage op voor het ongevalsregister van uw instituut en van de FOM-organisatie
• de FOM-werkgroepleider informeert Stichting FOM via de FOM personeelsfunctionaris
• van ernstige ongevallen (ziekenhuisopname, kans op blijvend geestelijk of lichamelijk letsel of overlijden) zal de arbocoördinator direct (telefonisch, per e-mail of per
fax) de Inspectie SZW op de hoogte brengen. Ook wordt hierbij de ongevalslocatie
afgezet en veiliggesteld voor onderzoek.
MEER WETEN?
•
•
•
•
•
•
www.fom.nl/arbo
www.arbokennisnet.nl-->kennisdossiers-->BHV
www.arbokennisnet.nl-->kennisdossiers-->Brandbestrijding
www.arbokennisnet.nl-->kennisdossiers-->Ongevalsonderzoek
ArboInformatieblad10-Bedrijfshulpverlening-ennoodorganisatie,SduUitgevers
ArboInformatieblad43-Ongevallenanalyse,SduUitgevers
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
15
Hoofdstuk
Beeldschermwerk
°
3
H
et werken met beeldschermen is een vanzelfsprekend verschijnsel geworden in onze
samenleving. Door veelvuldig beeldschermwerk kunnen gezondheidsklachten ontstaan,
waarvan RSI (Repetitive Strain Injury) de bekendste is. Indien niet tijdig maatregelen worden getroffen, kunnen incidentele klachten leiden tot chronische aandoeningen.
Risico’s
Beeldschermwerk kan vele lichamelijke klachten teweegbrengen. RSI of CANS (Complaints of Arms Neck and Schoulders) is een verzamelnaam van klachten aan hand, pols,
elleboog, schouder of nek als gevolg van een verkeerde houding, herhaalde bewegingen,
of juist het ontbreken van beweging (statische houding).
RSI ontstaat hoofdzakelijk door langdurig en herhaaldelijk een bepaalde “verkeerde” beweging te maken in combinatie met hoge werkdruk en stressvolle situaties. De bekendste
situatie waarin RSI ontstaat, is het langdurig achter een computer zitten in een houding
waardoor de arm-, nek- en schouderspieren voortdurend gespannen zijn.
Mogelijke oorzaken
Factoren die een rol kunnen spelen bij het voorkomen / veroorzaken van RSI zijn:
Werktaken
• werkdruk
• takenpakket
Werkplek
• beeldscherm, toetsenbord en muis
• stoel, bureau en accessoires
• indeling van de werkplek
Werksituatie
• zithouding
• werktechniek
Werkomgeving
• licht, verlichting
• klimaat
Privésituatie
RSI blijkt vooral voor te komen na een kortdurende hoge werkbelasting, en niet zozeer
na een langdurige lage werkbelasting. Stress/werkdruk is een belangrijke factor van het
ontstaan van RSI. Belangrijker dan de kwaliteit van de werkplekinrichting.
16
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
17
Voorkomen van klachten
Werkhouding
Voldoende afwisseling in het werk en het beperken van piekdrukte zijn van doorslaggevend
belang bij het voorkomen van lichamelijke klachten. Wat kunt u zelf doen:
• zorg voor een ontspannen werkbeleving en werkhouding
• probeer langdurig intensief werken met het beeldscherm zoveel mogelijk te voorkomen (ook thuis) onderbreek het werk regelmatig voor een korte pauze
• sla deze pauzes niet over, ook niet als de werkdruk hoog is
• sta regelmatig op om naar bijvoorbeeld de printer, het magazijn of de koffieautomaat
te lopen
• vraag deskundig advies over specifieke software en zoek hulp bij softwarebelemmeringen.
Een goede lichaamshouding verlicht de lichaamsbelasting. Hier volgen enkele tips voor
een goede lichaamshouding tijdens beeldschermwerk:
• de rug heeft een actieve houding en de wervels staan recht op elkaar
• het hoofd staat recht op de rug en neigt niet naar voren
• de hoek van onderbenen met bovenbenen is groter dan of gelijk aan 90°. Ditzelfde
geldt voor de boven- en onderarmen
• tijdens het typen zijn de vingers ontspannen (het toetsenbord heeft een lichte aanslag)
• de polsen en handen zijn ontspannen en de handen vormen geen hoek met de armen
(pootjes van het toetsenbord zijn ingeklapt, geen polssteun in gebruik)
• wissel de werkhouding af.
Werkplekonderzoek
Voor iedereen die met een computer werkt is het belangrijk dat er door de preventiemedewerker beeldschermwerk een werkplekonderzoek wordt gedaan. Bij voorkeur al bij in
dienst treden en niet pas bij klachten. Bij een werkplekonderzoek wordt gekeken naar:
• een voor u juiste instelling van stoel, bureau en beeldscherm
• de werkplekinrichting (verlichting, daglicht, spiegelingen, zonwering)
• toepassen van accessoires (documenthouder, ergonomisch toetsenbord
of speciale muis)
• werkhouding (armondersteuning, voetensteun).
Bij gebruik van een laptop of notebook op de werkplek langer dan twee uur per dag is het
beter gebruik te maken van een docking-station of een laptopstandaard, een los scherm,
toetsenbord en muis.
Beeldschermbril
Bij hoofdpijnklachten, onscherp zien of andere oogklachten bij beeldschermwerk zou een
beeldschermbril mogelijk uitkomst bieden. Deze bril heeft een andere focusafstand (50
tot 70 cm) dan een leesbril. Het gebruik van een lees- of multifocale bril kan nekklachten
veroorzaken. De aanschaf van een beeldschermbril wordt (deels) vergoed door FOM.
Contact
Voor vragen over RSI en de inrichting van uw werkplek kunt u terecht bij de RSI-preventiemedewerkers of de arbocoördinator. Wanneer u al RSI-klachten heeft, dan kunt u met uw
medische vragen terecht op het arbeidsomstandighedenspreekuur van de bedrijfsarts.
De centrale personeelsdienst van FOM ([email protected]) kan u vertellen hoe u de bedrijfsarts
voor uw locatie kunt bereiken.
De ideale beeldschermwerkplek
Niet elke persoon is even lang, of heeft dezelfde lichaamsmaten. Het instellen van de
beeldschermwerkplek is maatwerk. Toch zijn er een aantal basisregels voor het instellen
van de beeldschermwerkplek:
• stoel, bureau en beeldscherm zijn goed ingesteld
• de werkruimte is zonder obstakels op of onder het werkblad
• de bureaustoel staat recht voor het beeldscherm
• de afstand van ogen naar beeldscherm, toetsenbord, concepthouder en leeswerk is
ongeveer 50 tot 70 cm
• er is weinig contrast in verlichtingssterkte tussen het beeldscherm en de omgeving
• er zijn geen spiegelingen in het beeldscherm door buiten- of binnenverlichting.
MEER WETEN?
www.fom.nl/arbo
www.wvoi.nl-->arbocatalogus-->beeldschermwerkenRSI
www.arbokennisnet.nl-->kennisdossiers-->RSIenBeeldschermwerk
ArboInformatieblad2-Werkenmetbeeldschermen,SduUitgevers
•
•
•
•
°
18
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
19
Hoofdstuk
4
Risicobeoordeling nieuwe proefopstellingen
V
oor het uitvoeren van wetenschappelijk onderzoek worden regelmatig nieuwe opstellingen gebouwd om bepaalde hypothesen te testen. Soms kan hiervoor standaard
apparatuur worden aangeschaft die voorzien is van CE markering (veiligheidskeurmerk).
Echter in veel gevallen zal standaard apparatuur worden in- of omgebouwd of wordt door
werknemers zelf of door de eigen instrumentmakerij een opstelling vervaardigd. In die
gevallen is de werknemer tot fabrikant geworden en is de onderzoeksgroep verantwoordelijk voor de veiligheidsaspecten van de (samengestelde) apparatuur.
Wetenschappelijke opstelling
Het is erg lastig om een scherpe definitie te geven van (proef)opstellingen. Over het algemeen kan het werken aan of met opstellingen en arbeidsmiddelen, worden onderverdeel
in de volgende twee categorieën:
1. opstellingen en werkzaamheden waaraan gevaren verbonden zijn, maar waarvan de risico’s door de aanwezigheid van standaard veiligheidsvoorzieningen (zoals normale lab
en hygiëneregels) tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden teruggebracht (werken
met kleine hoeveelheden gevaarlijke stoffen, werken met eenvoudige gereedschappen
en machines)
2. opstellingen en werkzaamheden die nieuw zijn en/of waaraan gevaren verbonden zijn
waarvan de risico’s niet door de aanwezigheid van eenvoudige standaard veiligheidsvoorzieningen tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden teruggebracht. Als gevolg
daarvan mogen deze opstellingen of werkzaamheden slechts worden uitgevoerd nadat
aanvullende veiligheidsmaatregelen zijn getroffen (voorbeelden: bewegende/snijdende delen, blootstelling aan (grotere hoeveelheden van) gevaarlijke stoffen, lasers, zeer
giftige stoffen, hete delen, hoge geluidsniveaus, hoge druk, etc.).
Daarnaast worden opstellingen vanwege het experimentele karakter nogal eens gewijzigd, waardoor het gecompliceerd kan zijn om te voldoen aan alle wettelijke veiligheidseisen.
Risico-inventarisatie
De Arbowet vereist een risico-inventarisatie en –evaluatie van opstellingen voorafgaand
aan het gebruik. Dit betekent dat voor het bouwen van nieuwe opstellingen of het in werking stellen van aangekochte of overgenomen opstellingen:
• de risico’s systematisch beoordeeld moeten worden
• waar nodig aanvullende maatregelen getroffen moeten worden en
• vastgesteld moet worden of de restrisico’s aanvaardbaar zijn.
20
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
21
Door in een vroeg stadium aandacht te besteden aan veiligheid en eisen voor vergunningen (o.a. milieu, werken met GGO, Kernenergiewet) kunnen risico’s zoveel mogelijk bij de
bron worden aangepakt en kan er tijdig gestart worden met de aanvraag van de vergunning. Al in de planningsfase worden de risico’s geïnventariseerd en maatregelen vastgesteld om de risico’s te verlagen. Hierdoor kunnen de veiligheidsmaatregelen worden aangepakt vóórdat er uitvoering gegeven wordt aan de het project.
Doel
Door al vanaf de planning van een proefopstelling aandacht te schenken aan veiligheid en
milieuaspecten (-eisen) wordt bereikt dat:
• er minder of geen vertraging optreedt door tijdig kennis te nemen van de wettelijke
verplichtingen (waardoor bijvoorbeeld vroegtijdig vergunningen worden aangevraagd)
• de veiligheid in de arbeidssituatie verbetert, waardoor risico’s voor ongevallen afneemt
• de benodigde kosten voor veiligheid en milieu van tevoren in de begroting meegenomen wordt
• de kans dat het onderzoek vanuit veiligheidsoverwegingen stilgelegd wordt, vermindert
• er daardoor minder kosten voor arbeidsomstandigheden achteraf gemaakt worden
en de bedrijfszekerheid toeneemt.
Door structureel en multidisciplinair de mogelijke risico’s verbonden aan de proefopstelling in kaart te brengen, wordt verwacht, dat risico’s al in een vroeg stadium bij de bron
aangepakt kunnen worden. Door dit structureel voor alle nieuwe proefopstellingen te
doen, bouw je als organisatie een stuk expertise op en kun je leren van voorgaande evaluaties.
Binnen de FOM-instituten is een procedure aanwezig voor het in kaart brengen van mogelijke risico’s van nieuwe wetenschappelijke projecten. Ook bij diverse onderzoeksgroepen
aan universiteiten is het gangbaar om de risico’s vooraf aan de werkzaamheden in kaart
te brengen en deze te bespreken met de arbocoördinator.
TIPS
• wijs voor elk wetenschappelijk project een projectverantwoordelijke voor
veiligheid en milieu aan. Dit gebeurt door de eindverantwoordelijke van de
onderzoeksgroep of in opdracht van het management team
• stel de arbocoördinator van ieder project in kennis, zodra het project in
gang wordt gezet. De arbocoördinator adviseert en ondersteunt de
projectverantwoordelijke
• maak de projectleider/werkgroepleider verantwoordelijk voor implementatie
van de veiligheid- en milieumaatregelen
• zeer giftige, explosieve of zeer reactieve chemicaliën mogen slechts in
speciaal daarvoor bestemde ruimten gebruikt worden
• geef aan of er risico’s ontstaan door bijzondere omstandigheden, zoals
storingen in elektriciteitsvoorziening, water toevoer, ventilatievoorziening
etc.
• stem indien nodig te nemen preventieve en repressieve maatregelen af met de
bewakingsdienst en de bedrijfshulpverlening
• ga na of de voorzieningen in de beoogde onderzoeksruimte geschikt zijn om de
betreffende proefopstellingen te bouwen. Denk hierbij aan noodvoorzieningen, opslag van gevaarlijke stoffen, explosieveilige elektrische voorzieningen, voldoende ventilatie, toegang van onbevoegden etc.
22
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
MEER WETEN?
•
•
•
www.fom.nl/arbo
ProcedureVeiligheidenMilieubijnieuwewetenschappelijkeprojecten,
StichtingFOM2012
Checklistvoortechnischeproefopstellingenen/ofprojecten,GoodPractice6,
ArbocatalogusNederlandseUniversiteiten(VSNU);
°
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
23
Hoofdstuk
5
Arbeidsmiddelen en machines
O
nder arbeidsmiddelen vallen in wezen alle apparatuur en hulpmiddelen die gebruikt
worden voor het uitvoeren van onderzoek. Het gebruik van deze middelen is aan bepaalde
veiligheidsregels gebonden. Een veilig ontworpen machine is een goed begin, maar daarnaast moet er ook veilig mee gewerkt kunnen worden. Het werken met machines is alleen
toegestaan als u de vereiste deskundigheid bezit. Laat het anders aan anderen over of
laat u eerst voorlichten.
Inleiding
Het hanteren van arbeidsmiddelen en machines brengt diverse veiligheidsrisico’s met
zich mee. De belangrijkste algemene risico’s zijn:
• stroomdoorgang door het lichaam bij contact met elektrische stroomvoerende delen
• lichamelijk letsel door contact met bewegende delen: knellen, pletten en snijden
• geluidsbelasting
• verbranding, brand en explosie door warmteontwikkeling en vonkvorming.
Voor het veilig gebruiken van arbeidsmiddelen en machines zijn een aantal voorschriften
belangrijk:
• bewegende delen die een gevaar op kunnen leveren (knellen, pletten, snijden) moeten
worden afgeschermd
• het is verplicht om de machine te voorzien van een noodstop
• de machine mag na (stroom)uitval niet vanzelf in bedrijf kunnen komen
• bestaande afscherming en beveiligingen mogen niet onklaar gemaakt of verwijderd
worden.
Nieuwe machines moeten voldoen aan de minimale Europese veiligheidseisen (de Machinerichtlijn) en zijn voorzien van een CE-markering, iets waar de fabrikant of importeur
verantwoordelijk voor is. Zelfgebouwde of voor eigen gebruik aangepaste machines
moeten uiteraard voldoen aan dezelfde veiligheidseisen maar hoeven geen CE-markering
te krijgen. Bij machines moet een handleiding in de Nederlandse taal en het constructiedossier van de machine beschikbaar zijn.
Kledingvoorschriften
Een goed begin is het halve werk. Draag daarom passende kleding. Dit betekent:
• draag goed sluitende kleding
• werk niet met loshangende kledingstukken (wijde trui, open vest, riem)
• draag in (mechanische) werkplaatsen degelijke gesloten schoeisel (geen gympjes of
sandalen). Vraag om veiligheidsschoenen bij uw leidinggevende of uw Arbocoördinator.
24
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
25
Veiligheidsregels
Vooral in de werkplaats en instrumentmakerij worden verschillende materiaalbewerkingen uitgevoerd. Het gebruik van de verschillende machines en het uitvoeren van las- en
spuitwerkzaamheden brengt uiteraard specifieke risico’s met zich mee. Daarnaast kan
er bij deze werkzaamheden sprake zijn van blootstelling aan een aantal algemene risico’s,
zoals: verontreinigde lucht (lassen, snijolie, vacuümpompen), straling (o.a. licht en warmte) lichamelijke belasting (tillen, langdurig staan) en geluidsbelasting.
Bij het werken met en aan machines gelden daarom een aantal basisregels.
• laat onderhoud aan machines en installaties uitvoeren door daartoe bevoegde en geschoolde personen
• pleeg nooit onderhoud aan een draaiende machine
• zet bij reparatiewerkzaamheden of het verwisselen van snaren of tandwielen de machine zo uit dat ongewenst inschakelen niet mogelijk is
• draaiende machineonderdelen dienen afgeschermd te zijn
• bij slijpmachines moet de slijpsteen voldoende afgeschermd zijn. Zorg dat de ruimte
tussen leunspaan en steen ten hoogste 3 mm bedraagt
• gebruik bij het slijpen van kleine werkstukken nooit handschoenen of een poetslap
• houd de ruimte rond machines schoon en opgeruimd
• gebruik opspangereedschap bij het boren in een werkstuk
• gebruik een spaanhaak voor het verwijderen van metaalspanen
• maak machines en onderdelen schoon met een kwast. Gebruik liever geen persluchtpistool. Weggespoten metaalsplinters kunnen het oog van uw collega treffen.
Bovendien is de kans groot dat u de spaantjes juist tussen de lagers spuit in plaats
van er tussen uit! Daarnaast is het geluidsniveau dat geproduceerd wordt door een
persluchtpistool ver boven de 85 dB(A) en dus schadelijk voor het gehoor
• bedien de machine volgens de gebruiksaanwijzing en gebruik de voorgeschreven
persoonlijke beschermingsmiddelen
• meld storingen of gebreken direct aan uw leidinggevende, ook als u ze zelf op kunt
lossen.
Persoonlijke bescherming
• draag altijd afgesloten beschermende kleding en een geschikte veiligheidsbril
• bescherm lang haar voor ronddraaiende delen. Draag een haarnetje of maak een
paardenstaart
• draag geen sieraden (ringen, kettingen) om beknelling te voorkomen
• draag (bij werkzaamheden) in de mechanische werkplaats altijd een veiligheidsbril
• gebruik behalve de op de slijpmachine aangebrachte oogbeveiliging ook een veiligheidsbril
• draag bij hinderlijk of schadelijk geluid gehoorbescherming.
26
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
MEER WETEN?
• www.fom.nl/arbo
• www.arbokennisnet.nl-->kennisdossiers-->machineveiligheid
• ArboInformatieblad11-Machineveiligheid:afschermingenenbeveiligingen,
SduUitgevers
• ArboInformatieblad58-Machineveiligheidbijaanschafeningebruiknamevan
nieuweengebruiktemachines,SduUitgevers
°
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
27
Hoofdstuk
6
Hijsen, heffen en transport
I
n dit hoofdstuk worden beknopt richtlijnen en regels gegeven voor het horizontaal en
verticaal verplaatsen van lasten. Er worden strenge eisen gesteld aan veiligheidsvoorzieningen, onderhoud en testen en controleren van hijs- en heftoestellen, transportmiddelen
en benodigde hulpmiddelen. Deze worden in dit hoofdstuk beknopt weergegeven. Werken met hijstoestellen of hefmiddelen is alleen toegestaan als men hiervoor een (interne)
opleiding gevolgd heeft en vervolgens officieel toestemming van de leidinggevende heeft
gekregen.
Inleiding
Hijs- en hefmiddelen worden gebruikt om lasten verticaal te verplaatsen. Dit verticaal
verplaatsen gebeurt altijd onder invloed van de zwaartekracht. Het gevaar dat de last
tijdens het verticale transport onverwacht valt, is vanwege de zwaartekracht altijd aanwezig. Dit vallen kan veroorzaakt worden door:
• defecten aan hijs- en hefmiddelen
• verkeerd gebruik van hijs- en hefmiddelen
• onvoldoende draagvermogen van hijs- en hefmiddelen
• uitbreken van de last of delen van de last
• instabiliteit van de last tijdens het verplaatsen
• instabiliteit van de dragende delen (ondergrond/kraanbaan)
• weersinvloeden.
Om te voorkomen dat een of meer van deze gebeurtenissen plaatsvinden, heeft de wetgever, vanuit ervaringen uit het verleden, een aantal wettelijke eisen opgesteld.
Algemene regels voor omstanders
Aan het betreden of passeren van werkplekken waar men bezig is met het verplaatsen
van lasten kunnen ook voor omstanders en passanten risico’s verbonden zijn. Waar moet
u op letten:
• let op veiligheidsborden en loop niet door afgezette werkplekken
• loop nooit onder een hangende last door
• volg de aanwijzingen van de hijsbevoegde op
• voor hijsinformatie kunt u terecht bij uw arbocoördinator.
28
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
29
Hijsen
Keuring en onderhoud
De basis tot veilig werken met hijs- en hefmiddelen ligt in de keuze van het hijs- en hefmiddel. Probeer van tevoren in te schatten wat de risico’s van de werkzaamheden zijn en
neem maatregelen om deze risico’s te minimaliseren. De keuze van het hijs- of hefmiddel
volgt hieruit. Houdt bij hijsen rekening met het volgende:
• volg altijd de plaatselijke procedures op
• let op de maximale belasting van de toestellen en de hulpstukken
• gebruik het hijstoestel en de hulpstukken uitsluitend waarvoor ze bedoeld zijn
• let op uw eigen veiligheid. Gebruik altijd de voorgeschreven veiligheidshulpmiddelen
en persoonlijke beschermingsmiddelen zoals helmen, schoenen, handschoenen
• waarborg de veiligheid van omstanders, bijvoorbeeld met behulp van afzettingen en
veiligheidssignalering
• markeer geopende (hijs)luiken. Zet voor het openen de omgeving af of gebruik veiligheidssignaleringen
• indien de werkzaamheden niet uitgevoerd kunnen worden volgens de geldende procedures, stel dan een aangepaste procedure vast, waarbij de veiligheid van iedereen
gewaarborgd blijft
• zelf ontworpen hulpmiddelen dienen voor gebruik te worden gekeurd en beproefd
• controleer voor aanvang van het werk of het hijsgereedschap in goede staat verkeert en meld gebreken of twijfel over de juiste staat ervan bij uw leidinggevende
• zorg voor regelmatige vervanging van hulpstukken zoals hijsstroppen, hijsbanden,
hijsjukken, klemmen, kettingen en sluitingen
• de hijsmiddelen en hulpstukken dienen periodiek gekeurd te worden. Gebruik alleen
goedgekeurde hijsmiddelen.
Arbeidsmiddelen en dus ook hijs- en hefmiddelen moeten tijdens het gebruik veilig blijven. Een periodieke keuring moet uitwijzen of dat ook daadwerkelijk zo is:
• controleer als gebruiker vooraf aan het gebruik, of het in te zetten middel veilig te
gebruiken is
• sommige middelen moeten periodiek aan de hand van normen gekeurd worden door
een daarvoor opgeleide deskundige
• bij een keuring wordt een waardeoordeel uitgesproken over de bruikbaarheid van
het middel tot het moment waarop de volgende keuring plaatsvindt
• let bij gebruik van het middel of door middel van een markering is aangegeven wanneer het middel voor het laats gekeurd of geïnspecteerd is. Van middelen die niet in
een periodiek keuring en onderhoudsschema zijn opgenomen, is niet altijd te garanderen dat het middel veilig te gebruiken is.
Heffen
Voor veilig heffen zijn de volgende aandachtspunten van belang:
• gebruik deugdelijk en voor het werk geschikt hefmateriaal zoals: palletwagen, heftruck, heftafel en mobiele hijsbok
• deze apparatuur moet regelmatig worden onderhouden en gekeurd.
Transport
Voor veilig intern transport zijn de volgende aandachtspunten van belang:
• gebruik deugdelijk, passend en goedgekeurd transportmateriaal
• bij gebruik van een heftruck moet de bestuurder in het bezit zijn van een heftruckbewijs
• stapel het te transporteren materiaal veilig op en voorkom dat delen uitsteken
• pas uw snelheid aan de situatie aan en houd rekening met het gewicht van de lading
• een palletwagen mag niet als personenvervoermiddel gebruikt worden.
MEER WETEN?
• www.fom.nl/arbo
• www.arbokennisnet.nl-->kennisdossiers-->werkplekinrichting:transportmiddelen
• ArboInformatieblad–17,Hijs-enhefmiddelen,SduUitgevers
°
30
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
31
Hoofdstuk
Werken op hoogte
7
W
e spreken over werken op hoogte wanneer er vanaf 2,5 meter boven de grond gewerkt wordt.
Het grootste risico van werken op hoogte is valgevaar. Dit risico kan worden verkleind
door het aanbrengen van obstakels (hekwerken, leuningen) en door het gebruik van goed
onderhouden en gekeurde hulpmiddelen (steigers, ladders, valbeveiliging).
Inleiding
Soms moet er vanwege de omvang van het experiment, of voor het bereiken van de technische ruimten en bordessen gewerkt worden op hoogte. De risico’s van het werken op
hoogte kunnen verkleind of weggenomen worden door goed gebruik te maken van de
juiste hulpmiddelen en het maken van goede werkafspraken.
Algemene regels klimmateriaal
•
•
•
•
controleer voor gebruik het klimmateriaal op mankementen
zorg voor regelmatig onderhoud en keuring door deskundigen
zorg dat het klimmaterieel op een stabiele, vlakke ondergrond staat
let op bij werkzaamheden in de buurt van niet-geïsoleerde spanningsbronnen. Zet
het klimmateriaal daar minstens twee meter vandaan
• draag veilig schoeisel, bij voorkeur schoenen met profielzolen
• gebruik een veiligheidshelm wanneer de kans groot is om het hoofd te stoten
• gebruik een veiligheidsgordel bij onvoldoende te beveiligen, hooggelegen werkplekken.
Trappen
• zorg dat de trap maximaal uitgeklapt staat
• gebruik de bovenste treden niet als u zich niet veilig vast kunt houden
• een trap met platform moet voorzien zijn van een steunbeugel van minimaal 60 cm en
gebruik deze ook.
32
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
33
Staande ladders
Een ladder is geen werkplek maar slechts een
hulpmiddel om een hoger gelegen plaats te bereiken. Indien het werk langdurig of veelomvattend is
gebruik dan een hoogwerker.
• een ladder mag tot een maximale hoogte van
tien meter gebruikt worden
• zorg dat de ladder een hoek van ongeveer 70°
met het grondvlak maakt
Simpel gezegd: ga rechtop staan, tenen tegen
de ladder. Met uitgestrekte armen moet u de
ladder net vast kunnen pakken
• borg een ladder tegen het wegglijden (ladder
opstelplaats) of gebruik een ladder met ladderschoenen
• zet een ladder tegen een stevig dragend vlak
• leun niet te ver opzij; werk binnen uw reikwijdte
• een ladder moet minimaal één meter uitsteken
boven de plaats waar u gaat werken
• het optrektouw van een meerdelige ladder
moet zijn vastgezet aan een sport. De overlap
van de twee delen moet tenminste twee sporten bedragen
• ga bij een driedelige reformladder, die als gewone trap wordt gebruikt, nooit op het derde
ladderdeel boven het scharnierpunt staan.
De voornaamste risico’s van steigerwerk:
• iemand kan van een hoogte vallen bij het betreden of verlaten van de steiger
• iemand kan door een opening van een werkvloer (van de steiger) vallen
• de steiger kan bezwijken door overbelasting
• de steiger kan omvallen vanwege een ongelijke of instabiele ondergrond, maar ook
door onvoldoende verankering (aan vloer en muur).
Werken op platte daken
De dakrandbeveiliging van platte daken kan achterwege blijven indien het werk op meer
dan vier meter afstand vanaf de dakrand wordt uitgevoerd en de werkzone en de weg
daarnaartoe duidelijk zijn gemarkeerd. Wanneer op platte daken binnen vier meter van
de dakrand gewerkt moet worden, moeten er veiligheidsvoorzieningen getroffen worden.
Dit kan zijn:
• aanbrengen van een balustrade of permanent hekwerk
• aanbrengen van een tijdelijk hekwerk
• aanbrengen van veiligheidslijnen en aanhaken met een veiligheidsgordel.
Wanneer platte daken buiten langs via een ladder betreden moeten worden, zorg dan
voor en ladderopstelplaats, waarbij de ladder tegen wegschuiven en omvallen geborgd is.
Steigers
Steigers (met of zonder wielen) bestaan uit stalen
pijpen of frames die onderling met elkaar verbonden zijn. Steigers mogen alleen worden opgebouwd door bevoegde personen.
Let in verband met de stabiliteit van de steiger op
de ondergrond, op het borgen van de wielen en op
de omgeving (deuren, langslopende voorbijgangers) en gebruik de stabilisatiehulpstukken.
Betreed en verlaat de steiger alleen aan de binnenzijde en via de luiken in de werkvloeren.
34
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
MEER WETEN?
•
•
•
•
•
•
•
www.fom.nl/arbo
ArboInformatieblad–15,Veiligwerkenopdaken,SduUitgevers
ArboInformatieblad–21,Rolsteigers,SduUitgevers
A-bladSteigerbouw,StichtingArbouw
A-bladRolsteigers,StichtingArbouw
A-bladLaddersentrappen,StichtingArbouw
A-bladPlattedaken,StichtingArbouw
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
35
Hoofdstuk
Elektriciteit
8
E
lektriciteit is niet weg te denken uit ons leven. Geen enkele organisatie of bedrijf kan
zonder. Elk bedrijf beschikt over elektrische installaties of door elektriciteit aangedreven machines en apparaten. Elektriciteit is een vorm van energie die zich leent voor veilig
gebruik. Toch brengt het toepassen van elektrische energie risico’s met zich mee. Bijna
alle gevaren van elektriciteit zijn weg te nemen door goede voorzorgsmaatregelen. Daarom worden er eisen gesteld aan de installaties en aan het te verrichten werk aan de installaties. Tot de elektrische installaties wordt alles gerekend vanaf de hoofdzekering tot en
met het stopcontact. Alle materialen en middelen die gekoppeld zijn na het stopcontact
worden gerekend tot de elektrische arbeidsmiddelen.
Risico’s
Het werken met elektriciteit kan een aantal risico’s met zich meebrengen. De voornaamste risico’s zijn;
• letsel of dood als gevolg van stroom door het lichaam
• vlambogen en brand door kortsluiting
• brand als gevolg van overbelasting.
Elektrische installaties
Elektrische installaties en elektrische voorzieningen moeten voldoen aan de wettelijke voorschriften (NEN 1010 ontwerp en aanleg van laagspanningsinstallaties en NENEN-50110 en NEN-EN3140 ‘Bedrijfsvoering van elektrische installaties’). Werkzaamheden
met elektriciteit aan gebouwgebonden installaties (en apparatuur) mogen uitsluitend
worden uitgevoerd door daarvoor opgeleid personeel. Bij een veilige installatie is aanraking van spanningvoerende delen onmogelijk.
Keuringen
Onder elektrische arbeidsmiddelen wordt verstaan alle apparatuur, die gebruikt wordt
op de werkplek met een stekker en dus wordt aangesloten aan de elektrische installatie.
Alle elektrische arbeidsmiddelen dienen te zijn voorzien van de CE-markering. Dit geeft
o.a. aan dat het arbeidsmiddel voldoet aan de laagspanningsrichtlijn. Arbeidsmiddelen,
die geproduceerd zijn voor 1994, zijn niet voorzien van een CE-markering. Deze dienen te
voldoen aan de Arbeidsmiddelenrichtlijn.
Elektrische apparatuur is gevaarlijk als metalen delen door een defect onder spanning
komen te staan. Daarom moeten elektrische arbeidsmiddelen een veiligheidstest ondergaan. Vraag uw arbocoördinator naar de frequentie ervan. Op handgereedschap moet de
eerstvolgende keuringsdatum aangegeven zijn. De keuringsmethoden zelf zijn beschreven in
de norm NEN 3140. Ook experimentele opstellingen moeten voldoen aan de norm NEN 3140.
36
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
37
De frequentie van de inspectie wordt berekend op basis van:
• de staat van het arbeidsmiddel
• frequentie van gebruik
• deskundigheid van de gebruiker
• de omgeving waarin het arbeidsmiddel gebruikt wordt.
Veiligheidsregels
• aanpassingen aan elektrische installaties mogen uitsluitend worden uitgevoerd door
specialisten: de installatieverantwoordelijke
• elke opstelling dient zo te zijn uitgevoerd dat niemand in aanraking kan komen met
spanning voerende delen
• indien het werken met ‘open’ spanning voerende delen onvermijdelijk is (bijvoorbeeld
bij reparatie) moet door middel van afscherming én attentieborden het aanrakingsgevaar doeltreffend beperkt worden
• overtuig u ervan dat een elektrisch toestel op de juiste wijze gezekerd is
• vervang nooit zelf smeltveiligheden (zekeringen) in zekeringkasten, laat dit altijd
over aan daartoe bevoegde personen
• doorlussen van verlengsnoeren is verboden (kans op oververhitting van kabels!)
• verlengsnoeren en kabels mogen niet op de grond liggen in verband met struikelgevaar en kans op beschadiging
• zet elektrische apparaten en verplaatsbare stekkerdozen niet op de grond. Bij wateroverlast kan de vloer hierdoor onder spanning komen te staan
• snoeren en stekkers moeten onbeschadigd zijn
• schakelaars, stekkers en verdeelstopcontacten die warm aanvoelen maken waarschijnlijk slecht contact of zijn overbelast. Laat ze vervangen door daartoe bevoegde
personen voordat er brand komt.
Spanningsloos maken
Het is verboden om (onderhoud- of reparatie-) werkzaamheden uit te voeren aan apparatuur of opstellingen die onder spanning staan.
• laagspanning (bijvoorbeeld accu’s): maak de kabel los die met het gestel (chassis) is
verbonden
• netspanning (230/400 volt): spanningsloos maken kan bijvoorbeeld door smeltveiligheden te verwijderen (en mee te nemen), werkschakelaar uit te zetten of de stekker
los te nemen. Laat altijd een briefje (met uw naam erop!) achter met de waarschuwing
dat dit deel wegens werkzaamheden spanningsloos moet blijven
• hoogspanning (globaal: alle spanning boven 500 volt): de voeding wordt spanningsloos gemaakt zoals bij ‘Netspanning’. Het uitschakelen van een apparaat garandeert
echter niet dat alle onderdelen spanningsloos zijn. Daarom moeten spanning voerende delen ontladen worden met behulp van een deugdelijke aardstok. Breng duidelijk
zichtbaar een goede aardverbinding aan en houd zo nodig condensatoren kortgesloten.
Aarding
• aardleidingen zijn geel/groen gemerkt of zijn blanke draden (niet geïsoleerd)
• aard niets via water-, gas- en cv-leidingen. In ruimten met verhoogde vochtigheid
moeten dergelijke leidingen duidelijk zichtbaar aan aarde gelegd zijn
• bij wandcontactdozen en verlengsnoeren moet de randaarde goed aangesloten zijn
• bij experimentele opstellingen moeten metalen delen (frames, kabelgoten, lasertafels, gasleidingen, etc.) zichtbaar zijn geaard. Meetapparatuur, waarbij het aarden
moeilijkheden geeft (in verband met ‘aardlussen’), moeten speciale voorzieningen
worden getroffen. Laat een experimentele opstelling altijd controleren door een bevoegd persoon.
MEER WETEN?
•
•
•
•
www.fom.nl/arbo
www.wvoi.nl-->arbocatalogusOnderzoekinstellingen--->elektriciteit
www.arbokennisnet.nl-->kennisdossiers-->elektrischeveiligheid
ArboInformatieblad–54,Elektrischeveiligheid,SduUitgevers
°
38
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
39
Hoofdstuk
9
Gevaarlijke stoffen
M
et gevaarlijke stoffen worden chemische stoffen of mengsels bedoeld, die een gevaar kunnen opleveren voor de veiligheid of gezondheid van de mens. Gevaarlijke stoffen
zijn te herkennen aan het gevaarsymbool op het etiket. Er zijn stoffen met acute gevaren
(o.a. brandbaar, explosief of verstikkend) en stoffen met effecten op (middel)lange termijn (o.a. irriterend, kankerverwekkend, reprotoxisch en mutageen). Om veilig met deze
stoffen te kunnen werken moet u op de hoogte zijn van de specifieke gevaren. Vraag advies bij uw leidinggevende, uw arbocoördinator of bij een andere deskundige.
Inleiding
Gevaarlijke stoffen zijn stoffen die door hun intrinsieke eigenschappen een veiligheids- of
gezondheidsrisico opleveren voor mens of milieu. Dit kunnen afhankelijk van het gebruik:
• zowel enkelvoudige stoffen of producten die uit meerdere stoffen zijn samengesteld
• producten zijn die (soms onbedoeld) tijdens werkprocessen ontstaan, bijvoorbeeld
rook van een dieselmotor, houtstof bij houtbewerking, dampen die vrijkomen bij sealen, tonerstof en ozon uit de laserprinter en metaaldamp bij het lassen.
Gevaarlijke stoffen kunnen in verschillende verschijningsvormen voorkomen: gassen,
dampen, nevel, rook, stofwolken, vloeistoffen of vaste stoffen. Of iemand is blootgesteld,
maakt dus niet uit voor de definitie ‘gevaarlijke stof’.
De intrinsieke eigenschappen van een stof blijken uit de ‘gevaarsindeling’ van een stof of
preparaat volgens de Europese stoffenregelgeving (de EU-stoffenverordening REACH).
De gevaarsindeling bestaat uit het gevaarssymbool (rode ruit, volgens CLP-richtlijn/EUGHS) en de H-zinnen van de stof of het preparaat.
De fabrikant van de stof behoort met deze symbolen en H-zinnen de gevaren van de stof
of het preparaat aan te geven. Met de gegevens van het etiket van een stof of een preparaat kan eenvoudig worden bepaald of, en welke, regelgeving van toepassing is.
40
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
41
Veiligheidsinformatieblad
Veiligheidsregels
Het leveren van een veiligheidsinformatieblad (VIB) bij een gevaarlijke stof of preparaat
door de leverancier is in Nederland verplicht. Het VIB is een communicatiemiddel tussen
de leverancier van een (gevaarlijke) stof of (gevaarlijk) preparaat en zijn afnemer over de
gevaren en te nemen beschermende maatregelen voor mens en milieu. Het VIB moet voldoen aan bepaalde wettelijke eisen en bevat onder andere informatie over de eventuele
schadelijkheid van de stof, benodigde eerste hulpmiddelen, de geadviseerde persoonlijke
beschermingsmiddelen, grenswaarden en eventueel noodzakelijke beheersmaatregelen.
Op diverse universiteiten is het verplicht om vooraf aan de werkzaamheden een veiligheidsrapport op te stellen.
• als chemie uw vak niet is, vraag dan vóór u gaat werken met chemicaliën advies aan
uw arbocoördinator, de preventiemedewerker chemie of de ruimteverantwoordelijke. Vraag naar:
• de eigenschappen van de chemicaliën
• de werkwijze en plaats waar u moet werken (bijvoorbeeld in de zuurkast)
• veiligheidsmaatregelen/persoonlijke beschermingsmiddelen
• afvalbehandeling en wat te doen bij een gemorst product
• EHBO, specifiek voor letsel door deze chemicaliën!
• vóór u gaat werken met gevaarlijke stoffen, leest u de veiligheidsbladen (VIB/MSDS)
door zodat u weet hoe u veilig kunt werken en wat u kunt doen in geval van een calamiteit. Nu de REACH verordening van kracht is, bevatten veel VIB’s een uitgebreide
beschrijving over hoe veilig en onder welke condities met de betreffende gevaarlijke
stof gewerkt mag worden
• ga na of er procedures zijn voor het werken met chemische stoffen waarbij extra veiligheidsmaatregelen vereist zijn: extreem giftige stoffen (HCN) brandbare stoffen
(zoals ethanol), zeer corrosieve stoffen (HF) of nanomaterialen
• weet waar de nooddouche, oogspoeldouche en calamiteitenspullen voor chemicaliën
zijn en hoe deze gebruikt dienen te worden
• risico’s die verbonden zijn met het werken met gevaarlijke stoffen moeten beheerst
worden via de ‘Arbeidshygiënische Strategie’ in volgorde van belangrijkheid:
1.
kan ik de bron aanpassen?
2.
kan ik de bron afschermen?
3.
kan ik in een speciale omgeving werken?
4.
kan ik afscherming gebruiken in die omgeving?
5.
welke persoonlijke beschermingsmiddelen kan ik gebruiken?
Grijp dus niet automatisch naar persoonlijke beschermingsmiddelen!
• draag in een laboratorium dichte schoenen, een lange broek en een labjas. Draag bij
het werken met sterke zuren en gevaarlijke reacties een veiligheidsbril. Ook als iemand naast u bezig is met een ‘gevaarlijk’ experiment dient u uw bril te dragen
• werk niet alleen. Wees verzekerd van hulp in geval van een calamiteit
• werk schoon en geordend
• werk in de zuurkast, indien u met een risicovolle stof werkt. Werk bij voorkeur staand.
Houd hierbij het raam zo laag mogelijk zodat uw gezicht zich altijd achter het schuifraam bevindt. Hierdoor wordt het risico voor lichamelijk letsel bij spatten en ongelukken verlaagd en is de kans op inademen van giftige dampen beduidend minder.
Blootstelling
Sommige stoffen kunnen de gezondheid nadelig beïnvloeden als zij door inademing, via
huidcontact of via inslikken in het lichaam terechtkomen. Blootstelling aan stoffen via
inademing komt het meeste voor. Steeds vaker worden er echter stoffen gebruikt die al
bij geringe blootstelling via huidcontact een allergische reactie kunnen veroorzaken (o.a.
enzymen, isocyanaten).
Om te bepalen of de mate van de blootstelling in de lucht schadelijk kan zijn, wordt de
blootstelling getoetst aan normen voor gassen, dampen, nevels en stofvormige agentia
in de lucht op de arbeidsplaats. Deze normen noemen we grenswaarden. Er worden in Nederland twee verschillende soorten grenswaarden gebruikt:
• publieke grenswaarden (deze stelt de overheid op);
• private grenswaarden (deze moet de werkgever opstellen).
Grenswaarden (MAC-waarden, Occupational Exposure Limits (OEL’s), Derived No effect
Levels (DNEL’s)) zijn te vinden in de grenswaardendatabank van de Sociaal Economische
Raad.
Kinderwens, zwangerschap en lactatie
Sommige werkzaamheden met chemicaliën kunnen een verhoogd risico voor u en/of uw
(ongeboren) kind vormen. Bij Stichting FOM wordt een ‘Checklist zwangerschap, kinderwens of lactatietijd’ gebruikt. Het doel van de checklist is om risico’s voor de werknemer
en kind in kaart te brengen. Vraag naar de checklist bij leidinggevende of arbocoördinator
wanneer u zwanger bent. Maak vervolgens zo snel mogelijk een afspraak met uw leidinggevende over eventuele aanpassingen van uw dagelijkse werkzaamheden.
42
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
43
Etikettering van chemicaliën
Brandbare stoffen
Stoffen en producten moeten worden geëtiketteerd door de producent/leverancier van
een stof of product. Deze regels zijn vastgelegd in de Europese Verordening REACH. Ook
stoffen en producten (mengsels) die binnenshuis worden gemaakt moeten volgens de Arbowet worden geëtiketteerd. Zelfgemaakte mengsels en oplossingen dienen voorzien te
zijn van:
• naam van de stof, stoffen, relevante bestanddelen en of concentratie
• gevaar aanduiding (H-zin) en gevaarsymbool
• datum van aanmaak (preparatiedatum)
• naam van de bereider.
• werk met brandbare stoffen bij voorkeur in de zuurkast. Zorg, indien dit niet mogelijk
is, voor voldoende ventilatie. De concentratie van de dampen moet zo laag blijven
dat het niet schadelijk is voor de gezondheid en er geen brand- of explosiegevaar bestaat. De concentratie van de damp mag niet boven de onderste explosiegrens (LEL)
uitkomen
• neem maatregelen wanneer u hebt gemorst, zeker wanneer het op uw kleding is gekomen
• in experimenteerruimten mag niet meer dan een dagvoorraad brandbare vloeistoffen aanwezig zijn
• laat de oplosmiddelen niet rondslingeren, maar berg ze op in een speciale, geventileerde kast
• knijpflacons met brandbare vloeistoffen (bijvoorbeeld aceton) kunnen brand veroorzaken door statische elektriciteit of hevelwerking bij verwarming. Gebruik deze flacons zo min mogelijk.
Opslag
De meeste ongelukken met gevaarlijke stoffen gebeuren in een rommelige omgeving,
met oude chemicaliën en lege verpakkingen. Ruim de werkplek dan ook goed op en zorg
voor een veilige opslag van gevaarlijke stoffen. De opslag van gevaarlijke stoffen is aan
bepaalde regels gebonden (PGS-15) en is ook vaak vastgelegd in de milieuvergunning. In
zijn algemeenheid gelden er een aantal basisregels bij de opslag van gevaarlijke stoffen:
• de zuurkast is niet bedoeld voor opslag. Opslag vermindert de goede werking van de
zuurkast
• chemicaliën staan in speciale, geventileerde brandveiligheidsopslagkasten (conform
EN-14470-1). Berg ze na gebruik op in de kast waar ze uit komen. Brandbare en giftige
stoffen dienen bewaard te worden in brandwerende veiligheidskasten
• er zijn zogenaamde ‘onverenigbare combinaties’. Dit zijn chemicaliën die niet met elkaar in aanraking mogen komen omdat ze bij contact een chemische reactie aangaan
waarbij verhoging van de temperatuur of druk optreedt. Houd deze ook tijdens de
opslag goed gescheiden van elkaar. Het gaat hier bijvoorbeeld om zuren en basen,
brandbare en oxiderende stoffen die niet met elkaar in aanraking mogen komen
• etikettering is verplicht voor alle verpakkingen die chemicaliën bevatten
• chemisch afval moet gescheiden worden afgevoerd. Zie hiervoor de afvalwijzer gevaarlijke stoffen van de betreffende locatie.
MEER WETEN?
•
•
•
•
•
•
•
•
•
•
44
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
www.fom.nl/arbo
www.ser.nl-->databankgrenswaardenstoffenopdewerkplek
www.arbokennisnet.nl-->kennisdossiers-->gevaarlijkestoffen
ChemIDplus-->databankrisico’svangevaarlijkestoffen
ArboInformatieblad–31,Gezondheidsrisico’svangevaarlijkestoffen,SduUitgevers
ArboInformatieblad–55,Werkenmetallergenen,SduUitgevers
ArboInformatieblad–6,Werkenmetkankerverwekkendestoffen,SduUitgevers
Chemiekaartenboek,SduUitgevers
Richtlijn1999/92/EG‘veiligwerkenineenexplosiegevaarlijkeomgeving’:ATEX137
www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl-->PGS-15
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
45
°
Hoofdstuk
10
Carcinogene, mutagene en reproductietoxische stoffen
B
lootstelling van werknemers aan gevaarlijke stoffen kan leiden tot ongewenste (negatieve) gezondheidseffecten. Een categorie stoffen, die extra aandacht behoeft, zijn de
kankerverwekkende, mutagene en reproductietoxische stoffen, dit vanwege de ernst van
de effecten die deze stoffen kunnen veroorzaken. Vaak gaat het om effecten op de lange
termijn.
Carcinogene en mutagene stoffen
Carcinogene stoffen zijn stoffen, die in het menselijk lichaam kanker kunnen veroorzaken
of het vormingsproces ervan kunnen bevorderen. Mutagene stoffen zijn stoffen die erfelijke veranderingen (in het DNA) kunnen veroorzaken. Een mutatie in geslachtscellen kan
ook op het nageslacht worden overgedragen. Mutagene en kankerverwekkende stoffen
zijn te herkennen aan de gebruikte H-zinnen op het etiket en/of in het veiligheidsinformatieblad (VIB) (zie tabel).
MUTAGEEN
H340
H341
CARCINOGEEN
H350
H351
REPRODUCTIETOXISCH
H360
H361
H362
Drempelwaarde
Kankerverwekkende stoffen kunnen ingedeeld worden in stoffen zonder drempelwaarde
(genotoxisch) en stoffen met een drempelwaarde (niet- genotoxisch). Genotoxische stoffen hebben een werkingsmechanisme, dat verloopt via beschadiging van de genen. Er is
dus geen drempeldosis (of grenswaarde) waaronder er geen risico is voor de mens. Voor
niet-genotoxische stoffen geldt wel een drempelwaarde, dit betekent dat het risico toeneemt met de hoogte van de blootstelling.
Mengsel /preparaat
Een mengsel of preparaat wordt als kankerverwekkend beschouwd als het gewichtspercentage in het mengsel (of preparaat) groter of gelijk is aan de concentratiegrens, zoals
voor die component vermeld is in bijlage 1 van richtlijn 67/548/EEG. Wanneer de stof niet
in de genoemde bijlage 1 voorkomt, dan ligt de limiet op 0,1 gewichtsprocent. Houdt hiermee rekening met het zelf samenstellen van preparaten en mengsels en het aanbrengen
van de informatie op het gebruiksetiket.
46
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
47
Risico-inventarisatie en -evaluatie
Werkgevers moeten in een risico-inventarisatie en evaluatie (RI&E) vastleggen aan welke
gevaarlijke stoffen werknemers mogelijk blootgesteld worden tijdens het werk. De RI&E
moet ook een beoordeling bevatten over het risico voor blootstelling en een overzicht
van de genomen beheersmaatregelen. Wanneer er met kankerverwekkende of mutagene
stoffen gewerkt wordt moet de RI&E aangevuld worden met onderstaande onderwerpen:
• de reden waarom het gebruik van de stof voor het verrichten van de arbeid strikt
noodzakelijk is en vervanging technisch niet uitvoerbaar is
• de hoeveelheid kankerverwekkende stof, die per jaar wordt vervaardigd of gebruikt
danwel aanwezig is
• de aard van de verrichte werkzaamheden en welke blootstelling te verwachten is
• de manier waarop werknemers blootgesteld kunnen worden
• de preventieve maatregelen die genomen zijn om werknemers tegen blootstelling te
beschermen
• de persoonlijke beschermingsmiddelen (type en kwaliteit) die bij de werkzaamheden
worden gebruikt
• het aantal werknemers dat blootgesteld wordt of kan worden blootgesteld bijhouden in een register.
Reproductietoxische stoffen
Reproductietoxische stoffen (voor de voortplanting giftige stoffen) hebben zowel effecten gericht op de vruchtbaarheid (zowel voor mannen als vrouwen) als effecten voor het
ongeboren kind. Verder kunnen gevaarlijke stoffen ook effecten hebben op het geboren
kind via de borstvoeding.
Kleurstoffen
De kleurstoffen die gebruikt worden voor laservloeistoffen in dye lasers zijn vrijwel allemaal (verdacht) kankerverwekkend. Hetzelfde geldt voor de kleurstoffen, die gebruikt
worden bij biologisch onderzoek (bijvoorbeeld histologie) voor bijvoorbeeld het kleuren
van coupes. Gebruik het juiste type handschoenen (zie chemiekaart of VIB) en werk bij het
hanteren (afwegen, oplossen, etc.) in de zuurkast.
Asbest
In veel gebouwen van vóór 1980 is met een grote mate van waarschijnlijkheid asbest verwerkt als isolatie- en brandwerend materiaal, met name in technische ruimten, schachten
en dergelijke. Ook in sommige laboratoriumapparatuur, zoals oude droogstoven, kan asbest aanwezig zijn als isolatie- of afdichtingsmateriaal (asbestkoort). Deze apparaten,
ruimten en deuren zijn in de meeste gevallen voorzien van een waarschuwingssticker
‘voorzichtig bevat asbest’. Waarschuw bij gebreken aan zulke apparatuur altijd de arbocoördinator.
48
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
49
Veiligheidsregels
Overzicht van kankerverwekkende stoffen
Omdat aan het werken met kankerverwekkende stoffen extra risico’s verbonden zijn,
worden er extra beheersmaatregelen genomen om de werknemer te beschermen.
• onderzoek actief alternatieven om de kankerverwekkende stoffen te vervangen
voor minder schadelijke stoffen
• beperk de gebruikshoeveelheden en gebruik zo weinig mogelijk van de kankerverwekkende of mutagene stof
• het werken met kankerverwekkende stoffen moet in een daarvoor aangewezen
ruimte uitgevoerd worden (zonering), zodat zo min mogelijk werknemers met deze
stoffen in aanraking kunnen komen (beperken van het aantal blootgestelde werknemers)
• deze aparte werkruimte moet duidelijk afgebakend en gemarkeerd worden
• voer werkzaamheden bij voorkeur uit in een gesloten systeem
• voor sommige stoffen als propaansulton, benzidine, asbest geldt een algeheel verbruiksverbod
• schenk permanent aandacht aan ‘good housekeeping’ om besmetting van andere
werkplekken te voorkomen.
Het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid brengt tweemaal per jaar een actualisatie uit van de lijst van kankerverwekkende-, mutagene-, en voor de voortplanting
giftige stoffen en processen uit, zoals deze geldig is in Nederland.
Bijzondere groepen werknemers
In de Arbowet zijn aparte regels opgenomen ter bescherming van twee groepen kwetsbare werknemers, namelijk zwangere en jeugdige werknemers. Bij zwangeren dienen de
regels voor bescherming van het ongeboren en pasgeboren kind. Bij jeugdigen (jonger
dan 18 jaar) dienen de extra beschermingsmaatregelen omdat ze een hogere gevoeligheid
hebben in vergelijking met volwassenen, het lichaam is nog in ontwikkeling en er bestaat
een grotere kans op onoordeelkundig gebruik van stoffen door jongeren.
Veiligheidsmaatregelen
• zwangeren mogen tijdens de zwangerschap niet werken met reproductietoxische
stoffen
• tijdens de lactatie moet contact met stoffen die schadelijk kunnen zijn via de borstvoeding vermeden worden
• jeugdigen (<18 jaar) mogen niet met stoffen werken die ingedeeld kunnen worden in
de gevaar categorieën: ‘zeer vergiftig’, ‘vergiftig’, ‘sensibiliserend’, ‘kankerverwekkend’, ‘mutageen’ en ‘voor de voortplanting giftig’
• jeugdigen mogen alleen onder deskundig toezicht werken met stoffen met bijzondere gevaarseigenschappen.
REACH: zeer zorgwekkende stoffen
Met het van kracht worden van de REACH-verordening (REgistratie en Autorisatie van
CHemische stoffen) in 2007 is er meer structurele aandacht voor de registratie, evaluatie en autorisatie van gevaarlijke stoffen die in Europa in de handel worden gebracht.
Met REACH regelt de Europese Unie dat bedrijven meer informatie over de gevaren van
stoffen moeten verzamelen en deze beschikbaar moeten stellen aan eindgebruikers. Tegelijkertijd verschuift met REACH de verantwoordelijkheid voor het verschaffen van informatie over stoffen van de overheid naar het bedrijfsleven. Dit betekent dat voor stoffen die onder REACH vallen, de producenten en importeurs gaan voorschrijven of en hoe
eindgebruikers met de betreffende gevaarlijke stoffen mogen werken.
CMR-stoffen zijn opgenomen op de lijst van ‘Substances of Very High Concern’ (SVHC).
Dit betekent dat deze stoffen slechts onder grotere beperkingen mogen worden gebruikt. Hiervoor moeten gebruikers een autorisatie bij het Europees Chemicaliën Agentschap (ECHA) indienen.
TIPS
•
•
•
gaopdewebsitevandeECHAnaofdegebruikteCMR-stofopdeSVHC-lijststaat
zoeknaarminderschadelijkealternatieven
wanneergeenalternatievestofbeschikbaaris,steldaneenChemischVeiligheids-
rapportopenvraagautorisatieaan.
MEER WETEN?
• www.arbokennisnet.nl-->gevaarlijkestoffen-->CMRstoffen
• ArboInformatieblad–6Werkenmetkankerverwekkendestoffenenprocessen,
SduUitgevers
• Lijstvankankerverwekkende,mutagene,envoordevoortplantinggiftigestoffen
• MinisterievanSocialeZakenenWerkgelegenheidSZW
• www.echa.europa.eu-->‘CandidateListofSubstancesofVeryHighConcern’
50
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
51
Hoofdstuk
11
Synthetische nanomaterialen
O
p praktisch elke onderzoeksinstelling in Nederland wordt gewerkt met synthetische
(door de mens gemaakte) nanomaterialen. Synthetische nanomaterialen kunnen andere
gevaarseigenschappen hebben dan dezelfde chemische verbinding op microschaal. Doordat veel nanomaterialen nieuw ontwikkeld worden, zullen onderzoekers de eersten zijn
die aan de nieuwe materialen, met nieuwe gevaarseigenschappen blootgesteld worden.
Het werken met deze nieuwe materialen, vereist dus extra aandacht van de onderzoeker.
Inleiding
Nanotechnologie kan omschreven worden als het ontwerpen, produceren, manipuleren
en toepassen van structuren op nanoschaal waarvan één of meer dimensies onder de 100
nanometer liggen. De materialen die door middel van nanotechnologie gemaakt worden,
noemen we nanomaterialen.
De Europese Commissie hanteert echter een iets bredere definitie van nanomaterialen,
zij definieert een nanomateriaal als volgt:
een natuurlijk, incidenteel of geproduceerd materiaal dat uit deeltjes bestaat, hetzij in
ongebonden toestand of als een aggregaat of agglomeraat en voldoet aan een van de volgende criteria:
• het bestaat uit deeltjes waarvan meer dan 50 procent van de deeltjesgrootteverdeling valt in het bereik van 1-100 nm (met een of meer externe dimensies);
• het heeft interne of oppervlaktestructuren in een of meer dimensies binnen het bereik van 1-100 nm;
• het heeft een specifieke oppervlakte-volume verhouding van meer dan 60 m 2 /cm3 ,
(uitgezonderd materialen die bestaan uit deeltjes kleiner dan 1 nm).
Indeling van nanomaterialen
De voornoemde definities van nanomaterialen maakt dat nanomaterialen ook ingedeeld
kunnen worden naar verschijningsvorm.
NANOMATERIALEN
NANODEELTJES
(in drie dimensies
nano afmeting)
NANODRADEN
52
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
NANOBUISJES
(in twee dimensies
nano afmeting)
NANOBUISJES
(hol)
NANOPLAATJES
(één dimensie
nano afmeting)
NANOPLAATJES
(solide)
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
53
Blootstelling
Risico-inschatting en beheersing van risico’s
Blootstelling aan nanomaterialen kan plaatsvinden
via de luchtwegen, het spijsverteringskanaal
of de huid. Daarnaast worden nanomaterialen voor
medische toepassingen (beeldvorming, diagnostiek of therapie) vaak rechtstreeks in de bloedbaan
gebracht door middel van een injectie. Ook kunnen
deeltjes in het lichaam vrijkomen door slijtage van
implantaten. Door hun afmeting zijn nanomaterialen in staat om barrières in het lichaam te passeren, die voor de stoffen in microvorm niet genomen
kunnen worden. Hierdoor kunnen ze in de bloedbaan
terecht komen en op die manier naar andere organen getransporteerd worden (ter illustratie: een
rode bloedcel heeft een diameter van circa 5.000
nm), bovendien kunnen ze de bloed-hersenbarrière
passeren. Proefdieronderzoek naar nanomaterialen van koolstof en goud heeft aangetoond dat nanomaterialen ook via de neus en de reukzenuw de
hersenen kunnen bereiken. Door de kleine afmetingen zijn er dus extra blootstellingsroutes geïntroduceerd.
Het werken met en het mogelijk blootgesteld worden aan nanomaterialen zal deel uit maken van de nadere inventarisatie gevaarlijke stoffen, waarbij de aard, mate en duur van
de (mogelijke) blootstelling in kaart gebracht wordt. Hierin verschilt blootstelling aan nanomaterialen niet wezenlijk van blootstelling aan chemische stoffen in macrovorm. Wel
zal extra aandacht besteed moeten worden aan het in kaart brengen van de voor nanomaterialen relevante gevaarsaspecten. Voor het inschatten van het risico van nanomaterialen zal een andere blootstellingsmaat gebruikt moeten worden dan voor stoffen in
macrovorm.
Er wordt verondersteld dat de volgende eigenschappen de toxicologische eigenschappen van nanomaterialen beïnvloeden:
• een sterk vergroot oppervlak
(per gewichtseenheid)
• agglomeratie en aggregatie
• aantallen deeltjes (per gewichtseenheid)
• morfologie (vezelvormig, sferisch, kristallijn)
• deeltjesgrootte(verdeling).
Van al deze mogelijke blootstellingsroutes zullen
naar verwachting voor onderzoekers blootstelling
via inademing en de huid de meest aannemelijke
blootstellingsroutes zijn.
54
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Hoewel er veel onduidelijkheden zijn over de mogelijke risico’s van nanomaterialen, zijn er
aanwijzingen over hoe de mogelijke schadelijkheid van nanomaterialen is in te schatten.
Een veel gebruikte indeling naar potentiële schadelijkheid, waar momenteel consensus
over bestaat, is als volgt:
• vezelvormige en rigide, draadjes en stijve vormen die onoplosbaar zijn
• onoplosbare deeltjes waarbij het moedermateriaal geclassificeerd is als
CMR-materiaal
• onoplosbare deeltjes (niet vezelvormig en moedermateriaal zonder
CMR-eigenschappen)
• oplosbare deeltjes.
In bovenstaande indeling is het potentieel risico van hoog naar laag weergegeven. CMR
staat voor carcinogeen, mutageen of reproductietoxisch (zie hoofdstuk 10).
Pyrofore eigenschappen
Naast gezondheidskundige risico’s kunnen nanomaterialen in poedervorm zich kenmerken door zelfontbrandende eigenschappen (pyrofoor). Dit vanwege de grote oppervlakte-massa verhouding en de daarmee samenhangende reactiviteit. Wanneer er werkzaamheden uitgevoerd worden met grotere hoeveelheden droge stof wordt geadviseerd om
voor gebruik bekend te zijn met de pyrofore eigenschappen van het nanomateriaal.
MEER WETEN?
• www.fom.nl/arbo
• R.T.M.Cornelissenetal.GebruikvansynthetischenanomaterialenbijNederlandse
Onderzoeksinstellingen.DeelB:GoedePraktijken.SoFoKleS,2014;
• DelftUniversityofTechnology,workgroupNanosafetyoftheFacultyofApplied
Sciences.NanosafetyGuidelines.Version2–September2010
°
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
55
Hoofdstuk
12
Gassen en gascilinders
G
assen worden regelmatig gebruikt in een onderzoeksomgeving. Gascilinders kunnen
echter wel een gevaar opleveren. Bij verkeerd gebruik kunnen ze als een raket wegvliegen
of exploderen.
De gassen zelf zijn veelal mensonvriendelijk: brandbaar, schadelijk, agressief of giftig.
Veiligheid voor werknemers kan worden gewaarborgd door speciale bestelprocedures,
werkvoorschriften en beheer.
Inleiding
Gassen nemen door hun vele en algemene gebruik in het onderzoek een bijzondere plaats
in. Gassen worden verpakt in gascilinders, een metalen drukvat, voorzien van een afsluiter, met een maximale druk van circa 250 bar en een volume van 0,1 tot 150 liter. In gascilinders bevinden zich permanente gassen, zoals stikstof, methaan en waterstof, vloeibaar gemaakte gassen, zoals ammoniak, en in een bepaald medium opgeloste gassen als
acetyleen.
In grote lijnen kunnen gassen op basis van hun intrinsieke eigenschappen ingedeeld worden in vijf categorieën:
1. inert
2. brandbaar
3. oxiderend
4. giftig
5. corrosief
Bovenstaande laat zien dat gascilinders een gevarenbron kunnen vormen. Enerzijds vanwege de schadelijke eigenschappen van het gas zelf, anderzijds vanwege de hoge energie-inhoud van de cilinder. Reden genoeg om met voorzorg gassen te gebruiken.
Opslag
Vaak is de inkoop van gassen centraal geregeld. Dit in verband met de verplichte registratie van de gascilinders, de voorraadbewaking of de controle van de keuringsdatum.
Personen die met gasflessen werken moeten goed geïnstrueerd en voorgelicht zijn. Bij
de opslag van gascilinders moet onder andere met de volgende tips rekening gehouden
worden.
• opslag van niet in gebruik zijnde gascilinders moet buiten het gebouw gebeuren in
een speciaal voor dit doel ingerichte berging: de gasopslag
• in gebruik zijnde gascilinders moeten in principe in herkenbare brandwerende gasflessenkasten of in de gasopslag staan
• de gascilinders dienen geborgd te zijn tegen omvallen (vastzetten met een ketting,
spanband of beugel)
56
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
57
• gassen die geleverd worden moeten bij levering door een deskundige worden gecontroleerd op de aard van de inhoud, de formule-inslag, keuringsdatum en uiterlijke
staat van de cilinder (beschadigingen)
• gassen die met elkaar kunnen reageren moeten gescheiden van elkaar opgeslagen
worden
• het reduceerventiel dient altijd te zijn verwijderd
• op gascilinders dient een goede beschermkap te zitten om beschadiging/afbreken
van de hoofdafsluiter te voorkomen
• de gascilinders moeten zijn gescheiden naar type gas
• lege gascilinders moeten gescheiden worden opgeslagen van volle en zijn voorzien
van een bordje ‘leeg’. Zij moeten met dezelfde omzichtigheid worden behandeld als
volle cilinders
• het is aan te bevelen om giftige en corrosieve gassen in kleinere verpakkingen (kleine
gasflesen of lecture bottles) aan te schaffen. Reden hiervoor is dat kleine lekkages al
grote gevolgen kunnen hebben.
Keuring
De Wet Milieubeheer staat niet toe het in voorraad en gebruik hebben van gascilinders,
waarvan de keuringsdatum is verstreken. Bij het bestellen dient er rekening mee gehouden te worden dat de inhoud binnen de herkeuringstermijn wordt verbruikt. Dit kan
eenvoudig gerealiseerd worden door het opzetten van een centraal registratiesysteem,
waarin de aanwezige gasflessen en de locatie waar ze zich bevinden opgenomen zijn.
TIPS
• gascilindersineigendommoetenregelmatigwordengekeurd.De(laatsteen/ofvolgende)keuringsdatumstaatingeslagenindecilinder,maarisookvaakdooreenstickervermeld
• huurcilindersmoetenvoorhetverlopenvandekeurdatumterugnaardeleveranciers
om(hoge)kostentevoorkomen
• zijn met de leverancier afspraken gemaakt over zaken als levertijd en retourneren
vanlegecilinders
• allereduceerventielen,afsluitersenleidingenmoetenregelmatig(liefstjaarlijks)op
hundeugdelijkheidwordengecontroleerd.
Transport
Het transport van gascilinders mag alleen worden uitgevoerd door een deskundig/voldoende onderricht persoon. Vraag naar de plaatselijke procedure.
58
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
TIPS
• vervoergascilindersmeteengasflessenwagenenborgdecilinderstijdenstransport
tegenomvallen
• vervoergascilindersuitsluitendvoorzienvaneenbeschermkapenzonderreduceerventiel
• zorgervoordatlecturebottlesvoorzienzijnvaneengoedsluitendeschroefdopof
stop
• til/hijseengascilindernooitaandekapop.Dekapisbedoeldterbeschermingvan
dekwetsbareafsluiterenkanlosschieten.Alsgascilindersgehesenmoetenworden,
doeditdanineenbak
• vallenvan,rollenmetofstotentegeneengascilinderkanbreukoflekkageaande
afsluiterveroorzaken,zekerbijlagetemperaturen.Ditgeldtzekerookvoorverplaatsingvankoudegascilindersinverbandmetkoudebrosheidvanhetmateriaal
• hetisniettoegestaangascilindersineenpersonenautotevervoeren.
Aansluitingen
Het opstellen van gasflessen ten behoeve van gebruik dient bij voorkeur buiten de onderzoeksruimte plaats te vinden. Als dit om bepaalde redenen niet kan gebruik dan een
gasflessenkast, voorzien van voldoende afzuiging, waarbij de doorvoer van de leidingen
gasdicht zijn gemaakt. In sommige laboratoria is het niet toegestaan zelf gascilinders
aan- of af te koppelen. Vraag dit na.
TIPS
• hetisverbodenzelfgascilindersterepareren
• gebruikuitsluitendorigineleenvoorhetgastypegeschikteonbeschadigdepakkingringen;vervangbijagressievegassendepakkingringbijiederegascilinderwisseling;
• aansluitingenopeengascilindermoetenschoonenvetvrijzijn(zuurstof+vettigheid
=brand);
• monteervlamdoversindeleidingwanneerbrandbaregassenwordengebruikt
• gebruik bij acetyleen geen koper, koperlegering of zilversoldeer. Acetyleen vormt
hiermeeacetylide(indrogevormexplosief).Wanneergasleidingenmoetenworden
aangelegdwordtgeadviseerdomdaarvoorRVSofMONELincombinatiemetSwagelockkoppelingentegebruiken
• controleerdeaansluitingenoplekkagemetbehulpvanzeepsopofeenelektronische
lekzoeker.Gebruikhiervoornooiteenvlam
• bijeenvollegascilinderisereendopmoerofeenkunststofdopopdeafsluitergemonteerd.Kijkofdeafsluitergoeddichtisvoorudedopmoererafhaaltenbewaar
dezezorgvuldig.Zetdedopmoererweeropvoortransportnaardegasopslag
• gebruikeengoedpassendegasflessensleutelvoorhetopenenendichtdraaienvan
deafsluitervandegascilinder.Dezesleutelmoetaltijdbijdegascilinderaanwezig
zijn
• sluitnagebruikdeafsluitervaneen(aaneenleidinggekoppelde)gascilinder
• nagebruikvanwaterstofofacetyleenmogenleidingennooitwordendoorgeblazen
inverbandmetdemogelijkheidvanzelfontbranding.
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
59
Giftige en brandbare gassen
Tip: Cilinders met brandbare gassen zijn voor de veiligheid voorzien van linkse
schroefdraad. Moeren en wartels met linkse draad zijn te herkennen aan
inkepingen aan de zijkant.
AANSLUITEN VAN EEN REDUCEERVENTIEL
LOSKOPPELEN VAN EEN REDUCEERVENTIEL
1. Zet de gascilinder vast aan beugel of ketting.
1. Sluit de hoofdaansluiting van de
2. Verwijder de beschermkap indien nodig.
2. Sluit het reduceerventiel.
3. Sluit het reduceerventiel aan. Let hierbij op
3. Maak de leidingen drukvrij (doe het
gascilinder (handvast).
het juiste type en een onbeschadigde afsluitring.
4. Sluit alle afsluiters af (reduceerventiel en/of
naaldventiel open en daarná weer dicht).
4. Ontkoppel het reduceer(naald)ventiel
naaldventiel) in de gasleiding waar de
(LET OP: corrosieve, brandbare en giftige
gascilinder aan wordt gesloten.
gassen niet in de werkruimte laten
ontsnappen).
5. Draai de hoofdkraan op de gascilinder
5. Plaats de beschermkap op de
langzaam open (bescherming van het membraan).
gascilinder.
Controleer de aansluitingen op lekkage.
6. Draai daarna de andere afsluiters open
6. Zet de gascilinder in de gasopslag.
Overleg voor het bestellen van deze gassen eerst met uw arbocoördinator, preventiemedewerker gassen, uw ruimteverantwoordelijke of een andere deskundige.
• voor het bestellen van en het werken met giftige/brandbare gassen bestaan, per laboratorium verschillend, procedures en is goedkeuring van een hiertoe aangewezen
veiligheidsfunctionaris vereist
• ga bij het treffen van veiligheidsmaatregelen uit van de meest gevaarlijke situatie
waarbij al het gas vrij komt
• ruimten waarin met giftige/brandbare gassen wordt gewerkt, moeten rechtstreeks
naar buiten uitstromen (via afzuiging of zuurkast). Controleer afzuigingen en ventilatie regelmatig
• Het installeren van een gasdetectiesysteem dient te worden overwogen bij gebruik
van giftige/brandbare gassen. Zo’n systeem is vereist als de maximaal aanvaardbare concentratie (publieke of private grenswaarde en de onderste explosiegrens
(LEL-waarde) overschreden kan worden. Informeer bij uw arbocoördinator. Dit geldt
voor detectoren in de werkruimte maar ook voor een gesloten gasflessenberging. De
plaats waar de detectoren worden gemonteerd is afhankelijk van het soort gas
• sommige gassen (bijvoorbeeld SF6) zijn zelf nauwelijks giftig maar kunnen uiterst
giftige producten opleveren in geval van brand, open vlam of (over)verhitting.
(reduceerventiel en/of naaldventiel).
Eigenhandig samengestelde menggassen
Algemene veiligheidsregels bij gebruik
• het zelf vullen van gascilinders is niet toegestaan
• vóór u gaat werken met gevaarlijke stoffen, leest u de veiligheidsbladen (VIB/MSDS)
door zodat u weet hoe u veilig kunt werken en wat u kunt doen in geval van een calamiteit
• controleer de inhoud van de gascilinder. De officiële sticker van de leverancier of inslag
in de kop geeft u zekerheid, de kleur van de cilinder en de draad van de afsluiter dus niet
• voorkom verhitting van de gascilinder. Indien bij uitzondering een gascilinder kortstondig buiten een speciale gascilinderberging in gebruik wordt genomen, zorg dan dat de
maximale cilindertemperatuur nooit boven de 50 °C komt
• voorkom inwendige verontreiniging van de gascilinder door:
• zo nodig terugslagkleppen te gebruiken
• altijd een kleine restdruk in de cilinder te laten
• na gebruik de afsluiter dicht te draaien.
• wanneer u vermoedt dat de gascilinder toch verontreinigd is, waarschuw
dan de preventiemedewerker gassen of de leverancier.
60
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Het kan noodzakelijk zijn dat een uitzonderlijk menggas eigenhandig moet worden samengesteld. Vraag eerst toestemming aan de verantwoordelijke veiligheidsfunctionaris.
• volg de procedure voor het samenstellen van gassen
• houd de gasdruk in de fles zo laag mogelijk
• gebruik nooit een willekeurige (gebruikte) gascilinder maar altijd een blanco fles
• etiketteer de fles, ook bij kort gebruik. Wijzig nooit iets aan de inslaggegevens van de
cilinder. Vraag de verantwoordelijke hoe hiermee om te gaan;
MEER WETEN?
• www.fom.nl
• Hethandboek‘Kwaliteits-,Arbo-enMilieuzorginhetlaboratorium’
Hoofdstuk3.2Veiligheidbijwerkzaamhedenonderverhoogdeenverlaagdedruk
• Leveranciervangassen
°
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
61
Hoofdstuk
13
Cryogene vloeistoffen
C
ryogene vloeistoffen zijn vloeistoffen met extreem lage temperatuur en worden veelvuldig gebruikt bij experimenten. Vaak zijn het vloeibaar gemaakte gassen. Cryogene
vloeistoffen worden meestal als koelmiddel gebruikt. De bekendste is vloeibare stikstof
dat een temperatuur heeft van -196 °C. Ook vloeibaar helium, zuurstof en kooldioxide
(‘droogijs’) vinden ruime toepassing in laboratoria.
Risico’s
Wanneer met cryogene vloeistoffen (stikstof, zuurstof of helium) gewerkt wordt, en
dus met zeer lage temperaturen, dient het veiligheidsaspect een grote rol te spelen. Er
zijn namelijk diverse gevaren waarmee rekening gehouden moet worden. De genoemde
vloeistoffen zijn extreem koud. Helium is de koudste van alle vloeistoffen. Contact met
de koude vloeistoffen (maar ook koud heliumgas!) kan ernstige bevriezingsverschijnselen
veroorzaken.
Een ander gevaar van cryogene vloeistoffen is het zuurstof verdringend effect wanneer
de vloeistoffen verdampen tot gas. Kleine hoeveelheden vloeistof vormen grote hoeveelheden gas. Houd daarmee rekening met het gebruik van cryogene vloeistoffen in kleine
en/of slecht geventileerde ruimten. Vanwege het zuurstof verdringend effect wordt vaak
gasdetectie voorgeschreven en geïnstalleerd om het zuurstofgehalte in de ruimte te meten. Bij lage waarden wordt dan een akoestisch en/of visueel alarm gegeven.
Drukopbouw
In afgesloten volumina kunnen cryogenen zeer hoge drukken ontwikkelen. Dit betekent
dat de vaten, containers en pijpleidingen die deze vloeibare gassen bevatten, altijd veilig
(via een niet-blokkeerbare opening) naar de buitenlucht moeten kunnen “uitademen” of
voorzien moeten zijn van betrouwbare, niet-blokkeerbare overdrukbeveiligingen. Gesloten Dewar-vaten met cryogenen moeten voorzien zijn van een dubbele overdrukbeveiliging. Controleer de beveiligingen regelmatig op dichtvriezen.
Brand- en explosiegevaar
De gevaren van vloeibare waterstof spreken vanwege de grote brandbaarheid en de lage
lower explosion level (LEL) van vier procent voor zich. Vloeibare lucht en vooral vloeibare
zuurstof zijn zeer sterke oxidatoren, die poreuze brandbare stoffen, waarin ze gemakkelijk worden opgenomen (zuurstof hecht zich in gasvorm bijvoorbeeld gemakkelijk aan
allerlei weefsels) explosieve eigenschappen geven! Vloeibare lucht en vloeibare zuurstof
moeten dus altijd strikt gescheiden worden gehouden van brandbare materialen. Uit
voorzorg dienen ook ontstekingsbronnen uit de buurt van deze vloeistoffen en van vloei-
62
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
63
bare waterstof te worden gehouden. Vloeibare stikstof dient zo weinig mogelijk aan lucht
blootgesteld te worden om condensatie van zuurstof te vermijden. Er moeten adequate
ventilatie- en afzuigvoorzieningen aanwezig zijn, die periodiek gecontroleerd moeten
worden op een goede werking.
Maatregelen
Bij het werken met cryogene vloeistoffen dienen een aantal voorzorgsmaatregelen genomen te worden:
• contact tussen cryogene vloeistoffen en de huid geeft ‘brandwonden’. Draag bij het
overschenken van cryogene vloeistoffen dichte schoenen, een veiligheidsbril (liefst
een gelaatskap) en zo nodig speciale handschoenen
• bewaar en vervoer cryogene vloeistoffen in dubbelwandige, vacuümgetrokken, bij
voorkeur metalen of glazen vaten, zogenaamde Dewars met een loszittend deksel
• voorkom verstikkingsgevaar als gevolg van verdringing van zuurstof door cryogene
vloeistoffen in relatief kleine en slecht geventileerde ruimten
• zorg ervoor dat tijdens vervoer van grote Dewars in de lift geen personen mee de lift
in gaan. Regels voor gebruik van de lift kunnen per locatie verschillen
• zorg bij het tappen van cryogene vloeistof en bij sterke verdamping voor voldoende
ventilatie
• let op dat bij het tappen en het gebruik de Dewar niet wordt beschadigd. Door beschadiging kan de vloeibare cryogene inhoud ineens als damp de Dewar willen verlaten. Een explosie kan het gevolg zijn
• bij verdampende vloeibare lucht blijft er vloeibare zuurstof over. Dit is een sterk oxidatiemiddel met kans op brand of explosie. Bij vermenging van zuurstof met olie en
vet bestaat de kans op zelfontbranding
• uitschenken van vloeibaar gemaakte gassen uit glazen Dewarvaten moet worden
ontraden. De rand van een Dewarvat is gelast. Aanraking hiervan met de zeer koude
vloeistof kan spanningen veroorzaken, waardoor implosie van het vat kan optreden.
Gebruik daarom steeds een hevel of maak gebruik van speciaal daarvoor gefabriceerde transportbollen
• gebruik alleen het bij het Dewarvat behorende deksel ter afdichting van het vat,
omdat dit speciale openingen bevat, waardoor een voortdurende ontgassing kan
plaatsvinden. Let er op, dat deze deksels bij aanraking met cryogene vloeistoffen
bros kunnen worden en dan gemakkelijk breken
• voorzie glazen Dewarvaten van een beschermmantel (gaas, metaal, doek, tape)
• koel bij het vullen langzaam met geringe hoeveelheden koelvloeistof
• gebruik in vaten met vloeibare zuurstof geen glazen vaten met actieve kool of andere gemakkelijk brandbare organische stoffen om te koelen. Koeling van deze stoffen
dient gedaan te worden met vloeibare stikstof
• bij het koelen tot zeer lage temperaturen van brandbare dampen of gassen, mag in
verband met het explosiegevaar geen vloeibare zuurstof of vloeibare lucht gebruikt
worden. Ook hier past men vloeibare stikstof als koelmiddel toe. Bij het gebruik van
vloeibare stikstof aan openlucht moet men er rekening mee houden, dat zich hierin
na enige tijd vloeibare zuurstof kan bevinden
• leeg open vaten na gebruik of sluit ze af om een mogelijk hoge concentratie zuurstof
door condensatie uit de lucht te voorkomen
• gesloten Dewarvaten met cryogene vloeistoffen moeten bij voorkeur zijn voorzien
van een dubbele overdrukbeveiliging. Een periodieke keuring van zo’n beveiliging is
noodzakelijk
• argon, wordt bij een temperatuur van -196 °C (temp vloeibare stikstof) vast en heeft
daarbij een zeer lage dampspanning. Het vaste argon kan daardoor een relatief lange
periode in vacuüm overleven en later op een onverwacht moment voor drukopbouw
zorgen.
Persoonlijke bescherming
Contact met cryogene vloeistoffen of met niet goed geïsoleerde cryogeen bevattende
vaten, leidingen of slangen kan ernstige bevriezingsverschijnselen veroorzaken. Deze
verwondingen zijn vergelijkbaar met brandwonden. Gebruik daarom bij het werken met
cryogene vloeistoffen de volgende voorgeschreven persoonlijke beschermingsmiddelen:
• een gelaatsscherm of een veiligheidsbril met zijbeschermers tegen spatten
• koude-isolerende handschoenen die voldoende ruim zitten om ze onmiddellijk te
kunnen uittrekken als er per ongeluk spatten vloeistoffen in komen
• ruimzittende werkjassen die onmiddellijk kunnen worden uitgetrokken.
Hulp bij ongevallen
Bij het werken met gassen en gevaarlijke stoffen met specifieke risico’s kunnen specifieke eerste hulp maatregelen van toepassing zijn. Zorg dat u hier van op de hoogte bent
en dat de vereiste hulpmiddelen vlakbij de werkruimte aanwezig zijn. Enkele aandachtspunten voor ongevallen met cryogene vloeistoffen zijn:
• verbranding door koude vloeistoffen dient op dezelfde wijze behandeld te worden
als gewone brandwonden. Dus direct met veel stromend water spoelen
• voorkom langdurig inademen van koude gassen. Dit kan tot longbeschadiging leiden.
Raadpleeg indien nodig (en bij twijfel) een arts bij (onbedoelde) hoge blootstelling
• wanneer iemand tijdens het werken met cryogenen duizelig wordt of buiten bewustzijn raakt, breng hem of haar dan onmiddellijk naar een goed geventileerde ruimte
• de damp die verschijnt wanneer vloeibaar helium aan de lucht wordt blootgesteld,
is gecondenseerde verontreiniging. Dit is voornamelijk lucht en waterdamp, niet het
heliumgas zelf, want dat is op zich onzichtbaar.
MEER WETEN?
• PublicatiereeksGevaarlijkeStoffen(PGS)9.Cryogenestoffen
• www.arbokennisnet.nl --> Arbokennisdossier --> verstikkingsgevaar in besloten
ruimten
• ArboInformatieblad18.Laboratoria.SduUitgeverij
°
64
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
65
Hoofdstuk
Vacuüm
14
V
acuümapparatuur wordt bij diverse projecten gebruikt. Een vacuüm is een ruimte zonder materie en vrijwel zonder druk. Een vacuümsysteem is ontworpen voor het weerstaan
van druk van buiten naar binnen (onderdruk) en niet van binnen naar buiten (overdruk).
Risico’s
Het grootste gevaar van het werken met onderdruk is implosie. Bij implosie klapt de gebruikte apparatuur plotsteling in elkaar. Bijzonder gevaarlijk is dit bij glazen apparatuur
en opstellingen, waarbij ten gevolge van de implosie schokgolfwerking met explosieeffect kan optreden. Hierdoor ontstaat sterke fragmentatie, waarbij fijne scherven met
grote snelheid wegvliegen. Een ander risico bij onderdruk is onvoldoende gasdichtheid
van de gebruikte apparatuur en opstellingen, waardoor inlek van lucht of andere reactieve gassen optreedt. Dit kan het proces verstoren, maar ook risico’s veroorzaken vanwege
reacties met de inhoud. Tot slot kunnen ook de pompen, die nodig zijn om vacuüm te krijgen geluidsoverlast (schadelijk of hinderlijk) veroorzaken voor de omgeving.
Veiligheidsregels
Bij het werken met vacuümapparatuur en opstellingen dienen een aantal voorzorgsmaatregelen genomen te worden. Hou hierbij rekening met de volgende aandachtspunten:
• overleg met de fabrikant/leverancier of de gebruikte vacuüm apparaten beproeft
zijn voor hetgeen ze gebruikt gaan worden
• test de afzonderlijke apparaten op sterkte en lekdichtheid
• vacuümsystemen met kans op een implosie moeten zijn afgeschermd tegen geluid en
splinters
• grote vensters (vier inch of groter) moeten dubbel uitgevoerd worden
• beveilig de vacuümapparatuur tegen overdruk
• de druk in het systeem moet continu gevolgd kunnen worden
• glazen Dewarvaten dienen met een beschermmantel omgeven te zijn
• test de aangebrachte veiligheidsvoorzieningen periodiek en onderhoud deze
• plaats vacuümopstellingen van glas in een zuurkast of achter adequate afscherming
• neem maatregelen om het terugstromen van vloeistoffen of gassen te voorkomen.
66
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
67
Gevaarlijke stoffen
Als in een vacuümopstelling gebruik gemaakt wordt van gevaarlijke stoffen dient rekening gehouden te worden met de volgende punten:
• door te weinig afzuiging aan afvoerleidingen van voorvacuümpompen kunnen zich
daar explosieve of giftige mengsels vormen
• zorg voor een verantwoorde afvoer van alle gebruikte gassen, dampen en/of deeltjes (neutralisatie, verdunnen tot onderste explosiegrens (LEL- waarde)
• gebruik voorvacuümpompen met een purche-mogelijkheid. Daarmee wordt onder
andere voorkomen dat gevaarlijke stoffen zich ophopen in de pomp zelf
• ga na of de olie in de olievacuümpomp bestand is tegen de afgezogen stoffen;
• bij revisie van de pomp moet vermeld worden welke gevaarlijk stoffen zijn verpompt
ter bescherming van degene die de pomp reviseert
• gebruik indien mogelijk een olievrije membraanvacuümpomp die voorzien is van een
na-condensatievoorziening
• voer (vervuilde) olie of spoelvloeistof af als chemisch afval.
68
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Meer weten?
•
•
Hethandboek‘Kwaliteits-,Arbo-enMilieuzorginhetlaboratorium’
Hoofdstuk3.2Veiligheidbijwerkzaamhedenonderverhoogdeenverlaagdedruk
H.Kramers-PalsenI.vanhetLeven.Veiligheidinhetlaboratorium.
UitgeverijSyntaxMedia
°
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
69
Hoofdstuk
15
Ioniserende straling
D
eeltjesstraling en elektromagnetische straling boven een bepaalde energie wordt
ioniserende straling genoemd. Van ioniserende straling merken we niets, omdat onze zintuigen er niet gevoelig voor zijn. De straling is echter wel schadelijk voor ons lichaam. Vandaar dat het bezitten van, en werken met, ioniserende (radioactieve) stoffen aan strenge
regels gebonden is.
Inleiding
Ioniserende straling wordt uitgezonden door natuurlijke stralingsbronnen maar kan ook
kunstmatig worden opgewekt. Van radioactiviteit is sprake wanneer atomen, waarvan de
kernen niet stabiel zijn, na korte of langere tijd spontaan veranderen. Ioniserende straling
is schadelijk voor het lichaam. Bij toenemende dosis en dus bij toenemende hoeveelheid
geabsorbeerde stralingsenergie wordt de schade steeds groter en is het moeilijker voor
het lichaam de schade te herstellen. Ioniserende straling wordt uitgedrukt in millisievert
(mSv) per tijdseenheid.
Risico’s
Bij hoge doses ioniserende straling (overschrijding van de drempeldoses) kunnen ‘vroege’
gezondheidseffecten optreden, zoals roodheid en zwelling van de huid, haaruitval, maagdarmklachten (misselijkheid, braken, diarree), beschadigingen aan de dunne darm en
aantasting van het beenmerg. De latere effecten komen pas over jaren tot uiting (vooral
kanker) of doen zich voor in het nageslacht.
Kernenergiewetgeving
De Kernenergiewet (KEW) is van toepassing op werkzaamheden met radioactieve stoffen
en met ioniserende straling uitzendende toestellen. Deze wet schrijft voor dat de werkgever een vergunning nodig heeft bij handelingen en werkzaamheden met radioactieve
stoffen of apparatuur, waarbij ioniserende straling vrijkomt. Alle voorschriften over de
bescherming van werknemers tegen de gevaren van ioniserende straling zijn opgenomen
in het Besluit stralingsbescherming, dat gebaseerd is op de Kernenergiewet.
70
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
71
In het Besluit stralingsbescherming staat onder andere dat voor de werkzaamheden de
verantwoordelijke toezichthouder een gediplomeerde stralingsdeskundige moet zijn.
Een stralingsdeskundige zorgt onder andere voor:
• de acceptatietest en het vrijgeven van nieuwe bronnen en toestellen
• het geven van toestemming voor gebruik van bronnen en toestellen
• het bijhouden van het KEW-dossier
• het registreren, beveiligen en beheren van radioactieve bronnen
• het verrichten van metingen
• het geven van voorlichting en onderricht aan de werknemers
• de aanschaf en afvoer van radioactieve bronnen.
De stralingsdeskundige kan zich laten bijstaan door een lokale deskundige die hijzelf aan
kan wijzen. Zijn betrokkenheid en toestemming bij werkzaamheden met stralingsbronnen is dan ook altijd vereist.
Het Beleid met betrekking tot dosisbeperking gaat uit van drie punten:
Rechtvaardiging
Het nut van de handelingen of het gebruik moet opwegen tegen de nadelige gevolgen ervan voor mensen, dieren, planten en goederen.
Stralingsdosis
De natuurlijke achtergrondstraling in Nederland is circa twee millisievert (mSv) per jaar. In
de KEW is bepaald dat werknemers en de bevolking een toegevoegde stralingsdosis van
maximaal één mSv per jaar mogen ontvangen. Een uitzondering wordt gemaakt voor radiologische werkers of blootgestelde werkers. Iedereen die bij zijn werkzaamheden met
bronnen of met ioniserende straling uitzendende toestellen een mogelijke kans heeft op
meer dan één millisievert blootstelling per jaar wordt beschouwd als radiologisch werker.
Veiligheidsregels
Om de risico’s bij het werken met ioniserende straling binnen redelijke grenzen te houden
zijn de volgende veiligheidsregels van belang:
• houd de hoeveelheid gebruikte radioactiviteit zo laag mogelijk
• houd de blootstelling zo kort mogelijk en/of werk zo snel mogelijk
• houd de afstand tot de bron zo groot mogelijk
• gebruik afscherming (bijvoorbeeld loodafscherming bij gammastralers, perspexafscherming bij bètastralers)
• draag handschoenen wanneer je met open bronnen werkt. Raak met handschoenen
nooit voorwerpen aan die niet besmet mogen worden
• gebruik de voorgeschreven persoonlijke beschermingsmiddelen (bijvoorbeeld loodschort, -handschoenen).
Optimalisering
Zoveel als redelijkerwijs mogelijk is moet de bestraling of besmetting van personen beperkt worden: het ALARA-principe (As Low As Reasonably Achievable).
Limitering
Er zijn grenzen vastgesteld voor de dosis straling om te grote risico’s voor iedereen te
vermijden.
Bronsoorten
Er zijn twee soorten radioactieve bronnen.
• Gesloten radioactieve bronnen
Deze bronnen zijn of ingekapseld of op een drager bevestigd waardoor verspreiding
van de radioactieve stof nagenoeg onmogelijk is. Voorbeelden zijn kalibratiebronnen
voor besmettingsmonitoren en Cesiumbronnen voor therapeutische doeleinden.
• Open radioactieve bronnen
Dit zijn radioactieve stoffen die niet aan een drager zijn bevestigd. Het risico van verspreiding in de omgeving is groot. Open bronnen worden vooral gebruikt in het onderzoek en bij de nucleaire geneeskunde. Bij gebruik van deze bronnen in laboratoria
worden aan de werkruimte specifieke eisen gesteld.
72
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
73
Röntgenstraling
Beperking van het stralingsgevaar na ongevallen
Röntgenstraling ontstaat wanneer elektronen of ionen met materie botsen. Belangrijk om te weten is dat bij constante
bundelintensiteit en toename van de energie de doseringssnelheid sterk toeneemt.
Experimenten waarbij een ontoelaatbare
stralingsintensiteit kan ontstaan zijn vergunningsplichtig!
Om veilig te kunnen werken, zijn de volgende punten van belang:
• bij ontoelaatbare stralingsintensiteit
moet de stralingsdeskundige direct
hiervan op de hoogte gesteld worden.
Hij moet direct de straling gaan meten
• laat het meten van röntgenstraling over
aan deskundigen. De aanwijzingen van
de diverse stralingsmonitoren zijn niet
gelijk en moeten op een juiste manier
worden geïnterpreteerd!
• zorg dat de apparatuur afdoende afgeschermd is
• gebruik indien nodig markering, stralingsmonitor en waarschuwingslampen
• laat de apparatuur op voorgeschreven
wijze onderhouden
• laat bij twijfel door de stralingsdeskundige metingen uitvoeren
• draag, indien de dosistempi hoog zijn,
persoonlijke beschermingsmiddelen
zoals loodschorten.
Het werken met radioactieve stoffen is, wanneer iedereen zich aan de veiligheidsregels
houdt, veilig. Ondanks veilig en netjes werken kan het een keer misgaan. Door welke oorzaak dan ook. Radioactiviteit kan dan terechtkomen op plaatsen waar dat niet gewenst is.
Het grootste risico dat dan bestaat, is uitbreiding van de besmetting. En uitbreiding van
de besmetting betekent een uitbreiding van het gevaar. Opruimen van besmetting vereist
speciale kennis en gebeurt altijd naar het centrum van de contaminatie toe (van lage naar
hoge activiteit). Waarschuw daarom altijd de stralingsdeskundige en overleg hoe de besmetting het beste opgeruimd kan worden.
Afval
Het afvoeren van radioactieve stoffen is aan strenge regels gebonden. De stralingsdeskundige zal zorgdragen voor afvoer van het afval naar de door de overheid aangewezen
opslaglocatie, de COVRA.
MEER WETEN?
•
•
•
•
•
•
•
•
•
www.fom.nl/arbo
StralingsdeskundigeFOM-Nikhef
StralingsdeskundigeFOM-instituutDIFFER
www.arbokennisnet.nl-->kennisdossiers-->straling
ArboInformatieblad–27,Ioniserendestraling,SduUitgevers
Praktischestralingshygiëne,G.Brouwer(2008)
F.WeissmanenJ.Welleweerd.Stralingsfysica(1996)
A.J.J.Bosetal.InleidingindeStralingshygiëne(2edruk,2007)
H.Kramers-PalsenI.vanhetLeven.Veiligheidinhetlaboratorium.
UitgeverijSyntaxMedia
°
74
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
75
Hoofdstuk
16
Niet ioniserende straling
N
iet-ioniserende straling (NIS) is een verzamelnaam voor elektromagnetische, statische elektrische en magnetische velden met frequenties van 0 tot 300 GHz. NIS dringt
niet diep in de weefsels door, maar door opwarming op de plaats van de bundel is er kans
op blijvende schade aan huid of ogen. Blootstelling dient dan ook zoveel mogelijk te worden beperkt.
Inleiding
In een laboratoriumomgeving zijn veel niet-ioniserende stralingsbronnen aanwezig. Enkele voorbeelden zijn lasapparatuur, lasers, inductieovens, DNA-detectors met behulp
van UV-licht, UV-belichtingstechnieken, microgolfbronnen, velden rond cryogene en andere magneten en MRI-scanners.
Omdat het gedrag van elektromagnetische velden afhangt van de frequentie, is er een
praktische tweedeling binnen het niet-ioniserende deel van het spectrum te maken. Tot
300 GHz wordt gesproken van elektromagnetische velden en voor frequenties groter dan
300 GHz wordt gesproken over optische straling (infrarood straling, zichtbaar licht en ultraviolette straling).
In dit hoofdstuk worden een aantal bronnen van NIS behandeld. Bij elk type bron worden
kort de voornaamste risico’s beschreven en worden enkele veiligheidsregels genoemd.
Elektromagnetische straling
De aanwezigheid van een elektromagnetisch veld is eenvoudig aan te tonen. Een kwantitatieve evaluatie vereist echter speciale apparatuur en de kennis om de resultaten van de
meting te beoordelen.
Veiligheidsregels
Zorg dat de apparatuur in goede staat van onderhoud verkeert. Op volgorde van belangrijkheid wordt hieronder een aantal algemene maatregelen gegeven om risico’s te verkleinen:
• zoek of er alternatieve technieken zijn en zo ja, gebruik deze dan
• scherm de bron af: omkasten, afschermen reflecties (bronafscherming gaat voor
persoonlijke afscherming)
• neem een zo groot mogelijke afstand tot de bron (> 1 meter)
• zorg voor een kortere blootstellingduur door bijvoorbeeld roulatie van het personeel
• gebruik persoonlijke beschermingsmiddelen.
76
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
77
Statische velden en zeer laagfrequente velden (ELF) (0 – 300 Hz)
Laagfrequente velden (300 Hz – 10 MHz)
Statische velden zijn over het algemeen natuurlijke velden, zoals aardmagnetisme en velden die ontstaan door wrijving. Voorbeelden: velden ontstaan in de directe omgeving van
bovengrondse hoogspanningsleidingen en stroomdragers, in industriële elektrolyseprocessen, MRI-opstellingen en in supergeleidende en conventionele magneten (magneetvelden).
Tot 100 kHz is alleen de geïnduceerde stroomdichtheid en de interne elektrische veldsterkte van belang. Bij blootstelling aan velden met een frequentie groter dan 100 kHz
wordt ook de specifieke geabsorbeerde energie van belang. De energieabsorptie vindt in
het hele lichaam plaats maar niet overal evenveel.
Radio- en microgolfvelden (10 MHz – 300 GHz)
Blootstelling
Voor statische elektrische velden zijn geen negatieve effecten op de gezondheid gevonden. Het belangrijkste risico is de elektrische schok bij aanraking van een voorwerp. De
grenswaarde is gebaseerd op de kans op doorslag en de waarneembaarheid.
Statische magneetvelden veroorzaken geringe elektrische potentiaalverschillen in
bloedvaten. Er zijn geen blijvende nadelige gevolgen bekend. De grenswaarde is gebaseerd op de in het lichaam geïnduceerde stroom ten gevolge van bewegingen in het magneetveld. Laagfrequente wisselende velden wekken in het lichaam even grote elektrische
stromen op als de elektrische stromen die het lichaam zelf veroorzaakt. Daardoor kunnen
direct spieren en zenuwen activeren.
Risico’s op korte termijn
• kunstmatige onderdelen of hulpmiddelen voor het menselijk lichaam, zoals pacemakers en ferromagnetische implantaten (limietwaarde 0,5 mT), kunnen worden beïnvloed
• magneetstrips van bankpasjes en creditcards (bij > 1 mT) kunnen worden ontladen
• bij fluxdichtheden > 3 mT kunnen metalen onderdelen naar het magneetveld worden
toegetrokken
• een acuut effect dat kan optreden is het waarnemen van lichtflitsen als gevolg van
directe stimulatie van het netvlies door in het hoofd opgewekte elektrische velden,
zogenaamde fosfenen. Het optreden van fosfenen wordt niet als schadelijk beschouwd, maar kan door de schrikreacties wel een risico vormen.
Risico’s op lange termijn
Hiernaar is en wordt nog veel onderzoek gedaan. Het algemene beeld is dat er geen of een
zeer zwakke relatie is tussen gezondheid en ELF.
Veiligheidregels
• plaats waarschuwingsborden: VERBODEN TOEGANG voor mensen met een
pacemaker of ferromagnetische implantaten
• gebruik RVS gereedschap en niet-magnetische brandblussers
• houd grote(re) metalen voorwerpen weg van de magneetvelden.
78
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Bronnen van radio- en microgolfstraling zijn o.a. hoogfrequent generatoren (bijvoorbeeld
gyrotrons, klystrons), zenders, microgolfovens, industriële RF-heaters, radio- en televisiezendantennes en radarinstallaties. Men onderscheidt zwakke en sterke bronnen. Zo
zijn bijvoorbeeld basisstations voor mobiele telefonie zwakke bronnen. Mobiele telefoons zelf vallen onder de sterkere categorie.
Risico’s
Blootstelling aan elektromagnetische velden in dit frequentiegebied leidt tot opwarmen
van de blootgestelde weefsels, omdat deze de energie absorberen en in warmte omzetten. De opwarming door deze straling is het meest gevaarlijk voor de hersenen, ogen,
geslachtsdelen, maag, lever en nieren. De indringdiepte van de straling is frequentieafhankelijk. Wanneer in delen van het lichaam resonanties kunnen optreden, kan de schade
toenemen.
Veiligheidsregels
Een goed ontwerp en afscherming van de bron zijn de twee meest effectieve methoden
om de blootstelling te verminderen. Absorberende kleding is niet altijd effectief. Op risicovolle plaatsen hoort de lokale deskundige te meten of de norm niet wordt overschreden. Is het niveau te hoog, dan moet het risicovolle gebied afgezet en gemarkeerd worden.
Zichtbaar licht en infrarode straling (IR) (0,4 - 1000 µm)
Infrarode straling komt vrij bij hoge temperaturen (lassen, smeden, glasblazen, warmtelampen, plasmabronnen).
Risico’s
IR-straling kan vooral schade toebrengen aan de huid (brandwonden) en ogen (gezichtsverlies). De ogen zijn het meest kwetsbaar voor lichtgolven met een golflengte van 400500 nm (‘blue light hazard’). Binnen het infrarood licht zijn verschillende risicogebieden
bekend. IR-A dringt door de huid en tot diep in het oog en kan daardoor thermische schade toebrengen (netvliesschade en grauwe staar). IR-B en IR-C worden geabsorbeerd door
het hoornvlies en zijn daardoor minder gevaarlijk maar kunnen na langdurige blootstelling
hoornvliesschade veroorzaken.
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
79
Veiligheidsregels
• scherm de hittebron af
• gebruik speciaal daarvoor ontworpen persoonlijke beschermingsmiddelen (kleding en oogbescherming).
Ultraviolet licht (UV) (100 – 400 nm)
Ultraviolet licht wordt uitgezonden door (hete)
lichtbronnen zoals de zon, gloeilampen, halogeenlampen, UV-lampen, zonnebanken, lasbogen
(elektrisch lassen) en gasontladingslampen (o.a.
kwiklampen).
Wetgeving
In 2013 is een Europese richtlijn (2013/35/EU) van kracht geworden met EMV-blootstellingslimieten voor werknemers. Deze richtlijn is bindend en iedere EU-lidstaat dient de
richtlijn voor 1 juli 2016 te implementeren in wetgeving. In de richtlijn wordt onderscheid
gemaakt tussen grenswaarden en actieniveaus. De grenswaarden zijn de eigenlijke blootstellingslimieten en deze zijn direct gebaseerd op bewezen gezondheidseffecten en biologische gegevens. Er wordt in de richtlijn onderscheid gemaakt tussen grenswaarden
voor statische magnetische velden en grenswaarden voor elektromagnetische wisselvelden.
De Europese richtlijn Optische straling (2006/25/EEG) is in 2006 gepubliceerd en is inmiddels opgenomen in het Arbeidsomstandighedenbesluit.
Risico’s
Overmatige blootstelling vormt voornamelijk een
gevaar voor de huid en de ogen. Acute effecten
zijn zonnebrand (erytheem) en ontsteking van het
hoornvlies (lasoog). Langetermijneffecten zijn
huidkanker, huidverdikking, vroegtijdig verouderen van de huid en vertroebeling van de ooglens
(staar).
Veiligheidsregels
Blootstelling aan UV-licht op de werkplek kan worden voorkomen of beperkt.
• gebruik collectieve afscherming voor permanente of tijdelijke opstellingen. De meeste
soorten plastic (waaronder perspex) en aluminiumbladen kunnen worden gebruikt als afscherming. Test vooraf het materiaal op doorlaatbaarheid
• indien afscherming niet mogelijk is moet gebruik worden gemaakt van de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen (zoals brillen, kleding of zonnecrèmes)
• bij laswerkzaamheden worden beschermende
handschoenen en kleding voorgeschreven volgens de geldende richtlijnen
• zorg dat derden de experimenteerruimte niet
zomaar kunnen binnenlopen. Plaats waarschuwingsborden of stickers.
80
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
MEER WETEN?
•
•
•
•
www.fom.nl/arbo
www.nvs-straling.nl
ArboInformatieblad–60–KunstmatigeOptischeStraling,SduUitgevers
ArbeidenGezondheid.handboekoverhetbeheersenvangezondheidsrisico’sophet
werk.Vakmedianet
• ArboInformatieblad–39–Elektromagnetischevelden,SduUitgevers
• EuropeseRichtlijnen2013/35/EU“minimumvoorschrifteninzakegezondheidenveiligheidmetbetrekkingtotdeblootstellingvanwerknemersaanderisico’svanfysischeagentia(elektromagnetischevelden)”
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
81
°
Hoofdstuk
Werken met lasers
17
H
et werken met lasers heeft een potentieel risico. Een laserbundel in het oog kan (zeer
ernstige) schade tot gevolg hebben, een laserbundel op de huid kan tot zware, moeilijk
helende (onderhuidse) brandplekken leiden. Door het toepassen van veiligheidsmaatregelen kunnen risico’s verkleind worden. Veilig werken met lasers kan prima, maar vergt
instructie, discipline en organisatorische maatregelen. Laserveiligheid begint altijd met
het uitsluiten dat personen, die niets met de laserwerkzaamheden te maken hebben, getroffen worden door de laserbundel of -reflecties.
Inleiding
Volledig afschermen van de laserbundel (zoals in elke dvd-speler gebeurt) kan het gevaar
tot nul reduceren. In een laboratoriumomgeving is dit niet altijd een optie omdat er juist
met laserlicht geëxperimenteerd wordt. Hierbij is het nodig om spiegels en andere optische elementen regelmatig in te stellen. Afhankelijk van het type laser brengt dit risico’s
met zich mee.
Indeling in klassen
Lasers worden ingedeeld in gevarenklassen, oplopend van klasse 1 (onschadelijk voor de
ogen) tot klasse 4. Aangezien bijna alle lasers die bij FOM gebruikt worden in klasse 4
vallen, wordt in dit hoofdstuk uitgegaan van klasse 4 lasers. Voor de volledigheid wordt in
onderstaande tabel kort de klasseindeling weergegeven.
Lasers worden ingedeeld in gevarenklassen
KLASSE VEILIGHEID BESCHRIJVING
1
1M
2
2M
3R
3B
4
Veilig
Lasers die onder normale gebruiksomstandigheden veilig zijn. De golflengte
van lasers bevindt zich in het zichtbare of in het niet-zichtbare spectrum.
Opletten Lasers die bij normaal gebruik veilig zijn. De golflengte ligt tussen 300 en 4000 nm.
Deze lasers zijn gevaarlijk als gebruik wordt gemaakt van optische instrumenten
(bijvoorbeeld een divergerende lens binnen 10 cm van de laseropening).
Veilig
Lasers met een laag vermogen (< 1 mW) en een golf-lengte tussen 400 en 700 nm.
Ze zijn veilig omdat men bij blootstelling tijdig het hoofd wegdraait van de laserbron
en er direct een oogreflex optreedt (0,25 seconde). Wanneer men langer dan
0,25 seconde in de bundel kijkt, treedt schade op.
Opletten Deze lasers zijn gelijk aan klasse 2-lasers. Echter: ze zijn gevaarlijk indien gebruik
gemaakt wordt van optische instrumenten (zie 1M).
Potentieel Lasers die schade kunnen veroorzaken aan de ogen indien direct in de bundel
gevaar
wordt gekeken.
Direct
Lasers die direct gevaar opleveren als wordt gekeken in de bundel.
gevaar
De golflengte ligt zowel in het zichtbare als het onzichtbare gebied.
Zeer
Lasers die in alle gevallen direct gevaar opleveren. Zowel de bundel zelf
gevaarlijk (direct) als weerkaatste en verstrooide bundels veroorzaken schade.
82
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
83
Risico’s bij laserwerkzaamheden
Zowel een directe als een gereflecteerde lichtbundel van de laser kan gevaar opleveren
voor het oog en voor de huid. De ernst van de verwonding is onder andere afhankelijk
van de golflengte, blootstellingstijd, uitgangsvermogen en vermogensdichtheid van de
gebruikte laser. Lenzen en spiegels kunnen de vermogens- en energiedichtheid nog verhogen. De lichtschade valt in te delen in twee belangrijke klassen: thermische en fotochemische schade. Bij thermische schade stijgt in het getroffen netvliesdeel de temperatuur zodanig dat eiwitten denatureren. Bij fotochemische schade zet de optische straling
chemische processen in gang, die uiteindelijk leiden tot beschadiging van de cel. Een tussenstap kan het optreden van bijvoorbeeld zuurstofradicalen zijn. De blootstellingsduur
is van groot belang, omdat deze fotochemische netvliesschade, in tegenstelling tot de
genoemde thermische schade, over minstens een half etmaal accumuleert.
Naast het getroffen worden door de laserbundel op de huid of in de ogen bestaan er nog
andere gevaren tijdens werkzaamheden met lasers:
• veel laserkleurstoffen (dyes) en de oplosmiddelen die hierbij gebruikt worden zijn erg
schadelijk en kunnen soms zelfs kankerverwekkende eigenschappen hebben
• de in excimeerlasers gebruikte gassen zijn veelal giftig. Bij het breken van een venster in de laser zelf, kunnen de gassen in de laboratoriumruimte terecht komen
• tijdens onderhoudswerkzaamheden aan lasers of laservoedingen dreigt elektrocutiegevaar. Gebruik de door de fabrikant aangebrachte beveiligingen (aardstokken)
en overbrug geen veiligheidsschakelaars.
Inrichtingseisen voor een laserruimte
In het laserlaboratorium wordt bij voorkeur op drie hoogtes gewerkt: de laserbundelhoogte, de elektronicahoogte en de scoop-/beeldschermhoogte.
Laserbundelhoogte
Kies voor deze hoogte een afstand van maximaal een meter boven de vloer.
Elektronica-hoogte
Dit is de hoogte waarop zich de elektronica-apparatuur bevindt die voor de experimenten
nodig is. Kies voor deze hoogte een plaats hoog boven de lasertafel (ongeveer twee meter
boven de vloer).
Scoop-/beeldschermhoogte
Deze hoogte is ruim boven of onder de laserbundelhoogte. Plaats het scherm onder een
zodanige hoek dat het gevaar van reflecties in de richting van de ogen zo laag mogelijk is.
Gebruik speciale hoge tafels en stoelen. Gebruikers moeten met hun ogen altijd boven de
bundelhoogte zitten.
84
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Veiligheidsvoorschriften
Algemene maatregelen
De meeste lasers in onderzoekslaboratoria vallen in klasse 4, de klasse met de gevaarlijkste lasers. Direct laserlicht, reflecties en zelfs verstrooiingen van de laserbundels kunnen
ernstige letsels veroorzaken. Hieronder volgen enkele algemene maatregelen voor het
werken met lasers.
• laat laserbundels altijd horizontaal lopen, beneden ooghoogte
• scherm waar mogelijk de bundels af met matte, niet reflecterende materialen, zo
dicht als mogelijk bij de laserbundel
• draag als experimentator geen reflecterende voorwerpen als horloge, ring, riem etc.
die de bundel kunnen reflecteren
• vermijd het gebruik van reflecterende voorwerpen en diagnostische apparatuur op
bundelhoogte bij het experiment
• laseraccessoires in het algemeen en houders voor optische componenten moeten
niet-reflecterend uitgevoerd worden (mat en/of zwart)
• zorg voor voldoende ‘beamdumps’, om eventuele reflecties te kunnen opvangen
• een optische signalering aan de buitenkant van een laseropstelling geeft aan dat er
laserlicht op de lasertafel of in de laserbehuizing is. De ruimte mag dan nooit zonder
overleg met de experimentator en zonder geschikte laserveiligheidsbril betreden
worden
• een laser mag niet zomaar aangezet kunnen worden door niet-deskundige personen.
Gebruik sloten of verscheidene handelingen om de laser te starten
• iedere laser moet door middel van een noodschakelaar direct uitgeschakeld kunnen
worden.
Indien dit niet mogelijk is via een ‘noodstop’ mag dat ook een makkelijk te bereiken
hoofdschakelaar zijn waarop de laser is aangesloten. Waar deze te vinden is moet
voor iedereen duidelijk zijn
• verlaag het vermogen van de laser tijdens het uitlijnen van de bundel, met de vermogensregelaar of door het gebruik van diafragma’s en filters
• draag laserveiligheidsbrillen wanneer mogelijk. Laserbrillen bieden over het algemeen voor een beperkt golflengtegebied bescherming. De preventiemedewerker
lasers kan u adviseren. De bril is geen vervanging voor de hiervoor genoemde maatregelen!
• vermijd contact met de huid
• maak gebruik van ‘fluorescend cards’ of ‘IR sensor cards’ indien mogelijk. Deze kunnen in veel gevallen samen met de laserveiligheidsbril gebruikt worden
• bij langdurig bundelhandelingen aan een hoogvermogen IR-bundel dient hand- en
polsbescherming gebruikt te worden
• kijk nooit direct in de bundel, ook niet met de laserveiligheidsbril op. Dit geldt voor
alle lasers, dus ook voor HeNe-lasers. Gebruik een stuk papier of kaartje om de bundel zichtbaar te maken.
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
85
Technische beheersmaatregelen
• een laseropstelling, die in een vrij toegankelijke ruimte staat, wordt altijd zodanig afgeschermd (omkast) dat derden nooit getroffen kunnen worden door de laserbundel
of -reflecties. Afscherming is ook verplicht tijdens servicewerkzaamheden
• laseropstellingen die niet voldoende afgeschermd kunnen worden, mogen uitsluitend in een aparte, afgesloten en geblindeerde ruimte staan
• alle reflecties van laserbundels moeten worden opgevangen door kappen, schermen,
afbakeningen of beamdumps te gebruiken
• laserbundels die buiten de lasertafel komen, worden te allen tijde afgeschermd (bijvoorbeeld door middel van een buis)
• laserbundels mogen nooit omhoog gericht worden zonder vooraf afscherming te
plaatsen.
Bij verticale translatie van de laserbundel is afscherming aan de bovenkant verplicht
• zodra de laser aanstaat moeten bordjes ‘lasers on’ branden. De ruimte mag dan nooit
zonder overleg met de experimentator en zonder geschikte laserveiligheidsbril betreden worden
• lasertafels zijn meestal van metaal en moeten daarom geaard worden.
Organisatorische beheersmaatregelen
• laserwerkers dienen instructie gehad te hebben over het werken met lasers in het
algemeen en over de gevaren en veiligheidsmaatregelen bij de betreffende laser in
het bijzonder.
Er wordt schriftelijk vastgelegd dat de laserwerkers deze instructie hebben gevolgd
• nieuwe of sterk aangepaste laserexperimenten worden pas in bedrijf gesteld, nadat
de laserveiligheidsdeskundige of lasertechnicus een gevarenanalyse heeft gemaakt
en de noodzakelijke veiligheidsvoorzieningen zijn getroffen
• laserwerkzaamheden buiten de reguliere werktijden worden uitsluitend uitgevoerd
door of onder toezicht van laserwerkers, met instemming en onder verantwoordelijkheid van de (werk)groepsleider.
Veiligheidsvoorschriften voor werken met laserchemicaliën en –gassen
• het dragen van handschoenen en een veiligheidsbril is verplicht wanneer er met laserkleurstoffen (dye’s) moet worden gewerkt
• dye’s en de oplosmiddelen hiervoor, kunnen erg schadelijk zijn en soms zelfs kankerverwekkende eigenschappen hebben. Bewaar dye’s (zowel het poeder als de aangemaakte vorm) daarom uitsluitend in een daarvoor bestemde brandwerende kast
• het mengen van dye’s mag alleen plaatsvinden op een speciale afgezogen ‘dye-werkplek’. Zorg er voor dat dye-poeder niet opstuift en daardoor ingeademd kan worden.
Gemorste dye moet direct worden verwijderd
• dye’s en dyeresten die niet meer worden gebruikt en het bij het mengen van dye gebruikte papier moeten worden afgevoerd als chemisch afval
• glaswerk dat voor het oplossen van dye’s is gebruikt kan het best alleen voor dat
doeleinde in gebruik blijven. Het schoonmaken van het glas dient zeer zorgvuldig te
gebeuren
• zorg altijd dat de weegtoestellen en mengtoestellen niet in direct contact komen
met de dye
• leg alle gereedschap voor het afwegen en het mengen van de dye, zoals spatels, lepels etc. eerst op papier of tissues. Dit voorkomt besmetting van de omgeving
• de in excimeerlasers gebruikte gassen zijn veelal giftig. Zorg voor een (brand)veilige,
afgezogen opstelling van de gascilinders. Bij het breken van een venster in de laser
zelf, kunnen de gassen in de laboratoriumruimte terecht komen. Dit vereist passende, preventieve maatregelen.
MEER WETEN?
• www.fom.nl/arbo
• NEN-EN-IEC60825-1:2014-Veiligheidvanlaserproducten-Deel1:Apparatuurclassificatieeneisen
• ArboInformatieblad–18–Laboratoria(Hoofdstuk6),SduUitgevers
• ArboInformatieblad–60–KunstmatigeOptischeStraling(hoofdstuk4),SduUitgevers
• LaserveiligheidsbeleidFOM-instituutDIFFER
• LaserveiligheidsbeleidFOM-instituutAMOLF
86
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
87
°
Hoofdstuk
18
Persoonlijke Beschermingsmiddelen
G
rijp niet direct naar persoonlijke beschermingsmiddelen om uzelf te beschermen
maar maak eerst de gevaarlijke situatie zelf veilig. Pas nadat alle technische en organisatorische maatregelen genomen zijn om blootstelling tot een minimum te beperken, mogen persoonlijke beschermingsmiddelen gebruikt worden. De werkgever is verplicht deze
middelen ter beschikking te stellen. Vraag advies bij uw arbocoördinator over de juiste
keuze, het gebruik en onderhoud ervan. Gebreken aan beschermingsmiddelen hoort u te
melden.
Inleiding
Werken, en zeker werken aan nog onbekende producten en toepassingen, brengt risico’s
met zich mee. Soms klein en soms groot. Risico’s kunnen beheerst worden door het nemen van preventieve veiligheidsmaatregelen. Het beheersen van die risico’s gebeurd via
de ‘Arbeidshygiënische Strategie’, waarbij risico’s zoveel mogelijk bij de bron aangepakt
worden:
1. Kan ik de bron aanpassen?
2. Kan ik de bron afschermen?
3. Kan ik in een speciale omgeving werken?
4. Kan ik afscherming gebruiken in die omgeving?
5. Welke persoonlijke beschermingsmiddelen kan ik gebruiken?
Persoonlijke beschermingsmiddelen zijn dus uw laatste redmiddel! In dit hoofdstuk worden een aantal veel gebruikte typen persoonlijke beschermingsmiddelen en hun toepassing beschreven.
Beschermende kleding
Daar waar gewone werkkleding onvoldoende bescherming biedt door risico’s van buitenaf, dient beschermende kleding te worden gebruikt. Denk hierbij aan labjassen, veiligheidsbril, veiligheidsschoenen, lasschort, veiligheidshelmen, valbescherming etc. Het
gekozen materiaal moet toegesneden zijn op het type gevaar.
88
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
89
Hoofdbescherming
Gehoorbescherming
Bij gevaar voor vallende voorwerpen, stoten van het hoofd of gegrepen worden door
draaiende delen, moet hoofdbescherming worden gedragen. Er zijn verschillende typen
hoofdbescherming.
• Veiligheidshelmen
Veiligheidshelmen worden veelal gedragen bij grote bouwprojecten, op plaatsen
waar tegelijkertijd op meerdere hoogten (verdiepingen) wordt gewerkt en bij hijsactiviteiten.
• Haarnetjes
Deze worden gedragen indien personen met lange haren werken in de directe omgeving van machines met draaiende delen (zoals boormachines en draaiende koppelingen).
• Hygiënekapjes
De kapjes worden gedragen op plaatsen waar extra eisen aan de hygiëne worden gesteld, zoals in een stofarme ruimte.
Langdurige blootstelling aan schadelijk geluid, 80 dB(A) of hoger, kan blijvende gehoorschade geven. Gehoorschade kan niet worden genezen! Wanneer u twijfelt over de hoogte
van het geluidsniveau op uw werkplek kunt u uw arbocoördinator vragen een geluidsmeting uit te voeren.
Een veiligheidshelm moet worden vervangen wanneer deze door een vallend voorwerp is
geraakt of op een andere manier ernstig is belast. Alle veiligheidshelmen zijn bovendien
voorzien van een ‘houdbaarheidsdatum’. Voor de meeste kunststof helmen is dit drie tot
vijf jaar na de productiedatum. Is deze datum verstreken, vraag bij uw leidinggevende of
arbocoördinator een nieuwe helm.
Bij een geluidsniveau boven 80 dB(A) wordt geadviseerd gehoorbescherming te dragen.
De werkgever moet deze beschikbaar stellen. Vanaf 85 dB(A) is het dragen verplicht. Bij
elke toename van het geluidsniveau met 3 dB(A) halveert de tijd dat u er veilig in kan verblijven.
Veiligedagelijkseverblijfduuralsfunctievanhetgeluidniveau
GELUIDSNIVEAUINDB(A)
VEILIGEDAGELIJKSEVERBLIJFDUUR
80
83
86
89
92
95
98
101
8 uur
4 uur
2 uur
1 uur
30 minuten
15 minuten
7,5 minuten
circa 4 minuten
Oogbescherming
Oogbescherming is bedoeld om zowel vrij zicht op het werk te houden als de ogen te
beschermen tegen aantasting door fysische (chemicaliën, optische straling) of mechanische (splinters) bedreigingen. Onder oog- en gelaatbescherming vallen onder andere de
volgende persoonlijke beschermingsmiddelen:
• Veiligheidsbrillenenruimzichtbrillen
Deze brillen hebben geharde glazen die speciaal gemaakt zijn voor het tegenhouden
van materiaaldeeltjes (chemicaliën, spanen van hout of metaal).
• Laserbrillen
Laserbrillen bieden over het algemeen voor een beperkt golflengte gebied bescherming.
• Laskappen
Een lasbril of laskap biedt bescherming tegen straling die ontstaat bij laswerkzaamheden, waardoor verblinding, lasogen en staar worden voorkomen.
• Gelaatschermen
Een gelaatscherm, een combinatie van oog- en gezichtbescherming, wordt gedragen aan een hoofdband aan het hoofd, of in combinatie met een veiligheidshelm. Bij
werkzaamheden waarbij het hele gezicht risico loopt, is het aan te bevelen om een
gelaatsscherm te dragen (werken met agressieve vloeistoffen, cryogene gassen,
slijpwerkzaamheden).
90
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Welk type gehoorbescherming het beste gebruikt kan worden hangt af van de mate van
demping die vereist is (om het geluidniveau in het oor te reduceren tot 80 dB(A). Werkt
u in een omgeving met veel lawaai, dan wordt aangeraden om gehoorbescherming in de
vorm van otoplastieken te gebruiken. Deze worden speciaal aangemeten. In onderstaande tabel is een globale indruk gegeven van de effectieve verzwakking van een gehoorbeschermingsmiddel bij goed en slecht gebruik.
GEHOORBESCHERMINGSMIDDEL
DEMPING
slecht passende oordoppen
slecht passende otoplastieken
slecht ingebrachte schuimplastic rolletjes
slecht dragen oorkappen
goed passende/ingebrachte oordoppen
goed passende otoplastieken
goed ingebrachte schuimplastic rolletjes
goed gedragen oorkappen
tot 5 dB(A)
tot 10 dB(A)
tot 10 dB(A)
tot 10 dB(A)
10-15 dB(A)
15-25 dB(A)
10-25 dB(A)
15-30 dB(A)
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
91
Ademhalingsbescherming
Voetbescherming
Ademhalingsbeschermingsmiddelen worden toegepast om :
• te voorkomen dat verontreinigingen (gas, damp, stof) de luchtwegen kunnen binnendringen
• de luchtwegen te voorzien van voldoende zuurstof wanneer er sprake kan zijn van
zuurstofverdringing.
Ter voorkoming van voetletsel door bijvoorbeeld vallende voorwerpen, chemicaliën of
penetratie van scherpe voorwerpen, worden veiligheidsschoenen of -laarzen verstrekt.
Afhankelijk van de werkomstandigheden kan verplicht worden om de volgende beschermingsmiddelen te dragen:
• Lassersschoenoflasserslaars
Deze beschermen de lasser tegen las, snij en slijpvonken.
• Bontgevoerdveiligheidsschoeisel
Dit wordt gebruikt in situaties waar lage temperaturen kunnen voorkomen.
• Chemischresistenteveiligheidsschoen
Op werkplekken waar men in aanraking kan komen met chemische stoffen, is het aan
te bevelen om het schoeisel daar op af te stemmen. Er zijn diverse speciaal geprepareerde schoenen in de handel.
• Elektrischdissipatiefschoeisel
Dissipatief schoeisel (dissipatief betekent verstrooiend, de elektrische lading wordt
weggevoerd) wordt meestal aangeduid als ‘ESD’. Dit type schoeisel wordt vooral gebruikt op werkplekken waar elektrisch gevoelige apparatuur beschermd moet worden tegen geringe statische ontladingen.
Het beschermingsniveau van ademhalingsbeschermingsmiddelen wordt vaak aangeven
door middel van de aanduiding P1, P2 of P3. P1 filters worden gebruikt voor relatief onschadelijke stoffen en P3 filters bieden de hoogste beschermingsgraad. Welk type filter
gebruikt kan worden, is afhankelijk van de verontreiniging op de werkplek waartegen de
werknemer beschermd moet worden.
De mate van bescherming is afhankelijk van de verontreiniging en de gebruiksduur. Vervang om deze reden regelmatig het filter.
De meest gebruikt adembeschermingsmiddelen zijn:
• Stofmaskers
Deze maskers bieden bescherming tegen stuivende producten (deeltjes).
Zij bieden GEEN bescherming tegen gassen en dampen.
• Gasfilters
Deze gasfilters bieden bescherming tegen gassen en dampen. Gassen en dampen
worden gebonden door middel van adsorptie. Afhankelijk van de soort verontreiniging dient de juiste filterbus gebruikt te worden (deze heeft zowel een kleurcode als
lettercode).
• Combinatiefilter
Combinatiefilters bestaan uit een combinatie van gas- en een stoffilter.
• Aanblaasfiltersystemen
Een aanblaassysteem kan zowel onafhankelijk gedragen worden alsook in combinatie met een veiligheidshelm of laskap. Bij een aanblaassysteem wordt lucht via een
op de gordel gedragen motor aangezogen gefilterd in de kap gebracht.
Binnen de kap heest een overdruk, waardoor de verontreiniging niet bij de werknemer kan komen.
Veiligheidsgordels
Als bij het werken op hoogte (hoger dan 2,5 meter) geen bordessen, steigers, of borstweringen zijn aangebracht, moeten valbeveiligingsmiddelen worden gebruikt.
• Klimgordels
Toe te passen bij valgevaar bij werkzaamheden op een hoogte van 2,5 meter en hoger.
• Vangapparaten
Voor valbeveiliging, indien met een klimgordel en een verticale lijn wordt gewerkt.
• Veiligheidsgordelheftruck
Op de heftruck is de chauffeur verplicht een gordel te dragen.
Hand- en armbescherming
Om beschadiging van de handen of opname van stoffen in het lichaam te voorkomen door
ruw of scherp materiaal, bijtende en/of ontvettende vloeistoffen of door verbranding
(onder andere bij het lassen) zijn diverse soorten handschoenen beschikbaar.
Het gebruik van handschoenen in een chemisch laboratorium verdient extra aandacht,
omdat niet alle handschoenen geschikt zijn voor werkzaamheden met alle typen chemicaliën. Ga voor aanvang van de werkzaamheden na (in het veiligheidsblad van de stof) welk
type handschoen het meest geschikt is om te gebruiken. De grotere leveranciers hebben
daar ook hulpmiddelen voor. Disposable handschoenen zijn niet geschikt voor hergebruik!
MEER WETEN?
• www.arbokennisnet.nl-->kennisdossiers-->beheersmaatregelen/PBM
• Arbo Informatieblad –49 – Beleid persoonlijke beschermingsmiddelen, Sdu Uitgevers
• Kluwer’spbm-gids,Kluwer
°
92
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
93
Hoofdstuk
19
Milieubescherming
W
etenschappelijk onderzoek kan het milieu op veel manieren belasten door het gebruik van schadelijke stoffen, energie, koelwater etc. FOM vindt het belangrijk om de
negatieve invloeden op het milieu als gevolg van onderzoekswerkzaamheden zo gering
mogelijk te laten zijn. Het is ieders eigen verantwoordelijkheid - ook op de arbeidsplaats
- om op goede wijze hiermee om te gaan.
Inleiding
Naast de veiligheidsvoorschriften, zoals die in de voorgaande hoofdstukken werden behandeld, is het belangrijk dat er regels worden gehanteerd, die helpen de mogelijke schadelijke gevolgen van het werk voor het milieu tot een minimum te beperken. Het voorkomen is niet alleen een verantwoordelijkheid voor de praktisch werkende experimentator
in een laboratorium, maar voor alle werknemers. Vaak gelden er lokale regels voor de
bescherming van het milieu (omschreven in de milieuvergunning) en voor het omgaan met
afval (kantoren en laboratoria). Informeer daarnaar.
Vergunningen
Voor veel werkzaamheden die mogelijk schade aan het milieu kunnen toebrengen is toestemming van de overheid vereist. Vaak wordt dit in een milieuvergunning vastgelegd.
In een milieuvergunning voor een bedrijf staan emissienormen voor de belasting van
het buitenmilieu beschreven en ook worden er eisen gesteld aan voorzorgsmaatregelen
om milieuschade zo veel mogelijk te voorkomen. Hierbij wordt een proactieve houding
gevraagd van het bedrijf ten aanzien van milieubescherming. Gebruik van genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) en radioactieve stoffen (Kernenergiewet) vallen ook
onder een milieuvergunning. De arbocoördinator, stralingsdeskundige of biologische veiligheidsfunctionaris kan hier meer over vertellen.
Verder in dit hoofdstuk worden enkele meer algemene maatregelen besproken die je als
werknemer kunt nemen om het milieu zo min mogelijk te belasten.
Chemicaliën
Aan het werken met chemicaliën zitten naast veiligheidsaspecten ook milieuaspecten
vast. Een groot aantal van de in het laboratorium gebruikte chemicaliën zijn bij ongecontroleerde lozing - hetzij via de riolering, hetzij via de zuurkastafzuiging - gevaarlijk voor
mens en in het milieu levende organismen.
94
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
95
Milieubewust handelen bij het werken met chemicaliën omvat de volgende aspecten:
Afvalinzameling
Preventie
• ga vóór aankoop van schadelijke chemische stoffen na of er minder schadelijke alternatieven mogelijk zijn
• ga na of de gewenste stof ergens anders binnen het bedrijf al aanwezig is
• koop niet meer dan je denkt te gaan gebruiken en gebruik niet meer dan strikt voor
het experiment nodig is
• raadpleeg de lokale afvalwijzer voor het scheiden en afvoeren van gebruikte chemicaliën.
Afval wordt naar type en soort gescheiden aangeboden aan de afvalverwerker. Maak
gebruik van de lokale faciliteiten voor het aanbieden van gescheiden afval. Vaak zijn er
aparte afvalstromen voor:
• papier, plastic, glas, metalen
• bouw- en bedrijfsafval
• elektrische apparatuur
• klein gevaarlijk afval (KGA) zoals toners, printercartridges, batterijen, tl-buizen, etc.
• chemisch afval (waaronder GGO-afval)
• radioactieve stoffen.
Voorkom ongecontroleerde lozing
• laat geen afvalvaten open staan, gebruik zonodig een trechter met een glazen stop
of balletje er in
• sluit flessen na gebruik
• damp oplossingen niet aan de lucht in, maar zorg dat afgedampte oplosmiddelen
worden gecondenseerd en opgevangen
• giet geen chemicaliën of chemicaliënhoudend afval door de gootsteen.
Algemene tips
• wees zuinig met energie, water en grondstoffen
• let bij inkoop op milieuvriendelijk materiaal. Deze kun je herkennen aan de diverse
duurzaamheidskenmerken of de duurzaam inkopen criteria van de overheid
• beheers de afvalstromen
• verminder automobiliteit in het woon-werkverkeer. Er zijn alternatieven voor het autogebruik: het openbaar vervoer, de fiets of ga carpoolen
• schakel ongebruikte apparatuur uit
• zorg dat radiatoren hun warmte kunnen uitstralen
• wees zuinig met koelmiddelen. IJs, vast koolzuur en vloeibare stikstof vertegenwoordigen óók een vorm van energie
• doe het licht uit wanneer u als laatste een ruimte verlaat
• druk documenten standaard dubbelzijdig af
• let op energieverbruik, warmteontwikkeling, uitstoot naar de lucht van gevaarlijke
stoffen, geluidsproductie, duurzaam materiaal, etc.
MEER WETEN?
• www.stoffen-info.nl-->informatieoverREACHenGHS
• www.publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl-->informatieoveropslagengebruikvan
gevaarlijkestoffen
• www.pianoo.nl-->thema’s-->duurzaaminkopen
• www.smk.nl(StichtingMilieukeur)
°
96
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
97
Hoofdstuk
FOM-Arbobeleid
20
F
OM vindt de zorg voor veiligheid, gezondheid en welzijn voor haar werknemers erg belangrijk. Het moet mogelijk zijn om het werk veilig uit te voeren, het is zelfs een vereiste.
Het arbobeleid dat FOM nastreeft is onder andere vastgelegd in de zogenaamde ‘Nota
FOM-Arbobeleid’ en in het door de leden van de FOM Arbo-adviescommissie opgesteld
beleid.
Doelstellingen arbeidsomstandighedenbeleid
In het FOM-arbeidsomstandighedenbeleid zijn een aantal doelstellingen vastgelegd:
• het optimaliseren van de veiligheid en de bescherming van de gezondheid van alle
werknemers, gasten, stagiaires en bezoekers
• het optimaliseren van de veiligheid gebeurt zoveel mogelijk proactief en vooraf aan
de werkzaamheden, waarbij zo veel als geprobeerd wordt faciliterend aan het onderzoek te zijn
• het zo veilig mogelijk laten functioneren van de organisatie met alle daarin en daaromheen opgestelde installaties, apparatuur, machines en goederen
• het voorkomen van psychosociale arbeidsbelasting ten gevolge van het werk.
Verantwoordelijkheid
De directeur Stichting FOM is eindverantwoordelijk voor een goede uitvoering van het arbeidsomstandighedenbeleid. Hij heeft zijn verantwoordelijkheid deels gedelegeerd aan
de directeuren van de afzonderlijke FOM-instituten. Zij hebben op hun beurt, door middel van taakopdrachten (missives), de verantwoordelijkheid voor veiligheid, gezondheid
en welzijn van hun werknemers bij de leidinggevenden gelegd. Vaak worden afzonderlijke
werknemers belast met de uitvoerende taak voor de veiligheid op de werkvloer (preventiemedewerkers, ruimteverantwoordelijken, bedrijfshulpverleners).
Samenwerking
De Arbowet schrijft voor dat werkgever en werknemers moeten samenwerken op het
gebied van veiligheid en gezondheid. Deze samenwerking is onder andere tot uiting gekomen bij de totstandkoming van de arbocatalogus voor de sector onderzoeksinstellingen
(WVOI), waar FOM deel van uit maakt.
De werkgever dient een beleid te voeren, waarbij het werk zo veilig en gezond mogelijk
gedaan kan worden. De werknemer is verplicht de voorschriften op te volgen, mee te werken aan voorlichting en onveilige situaties te melden. Vandaar ook dat alle nieuwe werknemers zodra ze bij FOM in dienst komen, informatie krijgen over veilig en gezond werken
binnen FOM.
98
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
99
Overleg
Verhoogd risico
De directeur Stichting FOM laat zich met betrekking tot arbozorg adviseren door de centrale arbocoördinator van FOM en de FOM Arbo-adviescommissie (AAC). De AAC bestaat
uit de arbocoördinatoren van de FOM-instituten, de centrale arbocoördinator. Het hoofd
Personeelszaken van FOM-centraal is voorzitter.
Werkzaamheden met verhoogd risico mogen uitsluitend worden uitgevoerd door werknemers die hiervoor voldoende specifieke vakkennis bezitten. Denk aan onderwerpen als
werken met elektriciteit, gascilinders, straling, gevaarlijke stoffen, lasers, hijswerktuigen
of werken op hoogte.
Stichting FOM heeft ondernemingsraden op centraal (COR) en decentraal niveau (lokale
OR). De directeur Stichting FOM heeft met de COR overleg over arbeidsomstandigheden
en rapporteert jaarlijks aan de COR de voortgang van de uitvoering van het beleid.
Vaak worden lokaal specifieke trainingen en cursussen gegeven om deze specifieke
werkzaamheden veilig te verrichten. Vraag daar als werknemer gerust naar.
Eisen aan werkplekken van FOM-werknemers
Stichting FOM is als werkgever verantwoordelijk voor de arbeidsomstandigheden van al
haar werknemers, dus ook voor werkplekken waar door FOM wordt samengewerkt met
derden, zoals op de universiteiten. Alle werkplekken van FOM-werknemers moeten minimaal aan onderstaande eisen voldoen:
1. er dient te zijn vastgelegd wie ter plaatse de verantwoordelijkheid heeft in het kader
van de Arbowetgeving
2. er moet een bedrijfshulpverleningsorganisatie (BHV) met bedrijfsnoodplan aanwezig zijn zodat FOM-werknemers verzekerd zijn van adequate hulp in geval van een
calamiteit
3. bij indiensttreding moet de werknemer gestructureerd en doeltreffend voorgelicht
worden over de met het werk verbonden risico’s. Instructie over alarmering, elementaire brandbestrijding, ontruiming en het gebruik van vluchtroutes is hierbij noodzakelijk
4. werkplekken zijn zo ingericht dat alle werkzaamheden veilig en gezond uitgevoerd
kunnen worden
5. ter plaatse moet bekend zijn hoe en bij wie gevaarlijke situaties of andere arbozaken
gemeld moeten worden en welke persoon advies kan geven over veilig werken.
Wanneer FOM werknemers het gevoel hebben dat aan voornoemde eisen niet voldaan
wordt, dan kunnen ze dit aangeven bij de centrale arbocoördinator van FOM of bij de personeelsfunctionaris van FOM. FOM gaat dan in gesprek met de werkgroepleider van de
universiteit.
100
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
101
Meer weten?
Samenstelling Arbo Adviescommissie
FOM
www.fom.nl
intranet DIFFER
intranet FOM-Nikhef
intranet AMOLF
Ralf Cornelissen
centrale arbocoördinator Stichting FOM
Organisaties met FOM-werkgroepen
Arbocatalogus Nederlandse Universiteiten: www.vsnu.nl/arbocatalogus
Arbocatalogus Nederlandse Onderzoekinstellingen: www.wvoi.nl
Frits Hekkenberg
arbo- en milieucoördinator / coördinerend stralingsdeskundige FOM-instituut DIFFER
Ulrich van den Ham
arbocoördinator FOM-bureau
Renée-Andrée Koornstra
hoofd centrale personeelsdienst Stichting FOM
Extern
www.arbokennisnet.nl
www.arboportaal.nl
Ilja Stavenuiter
arbo- en milieucoördinator FOM-instituut AMOLF
• Veiligheidenmilieuinlaboratoria.
Iris van ‘t Leven. Uitgeverij Syntax Media. ISBN: 9789077423851
• Praktischestralingshygiëne.
J. van den Eijnde, M. Schouwenburg. Uitgeverij Syntax Media. ISBN: 9789077423998
• Arbeidengezondheid2014.
W.J.T. van Alphen, R. Houba, A.A.M. Leutscher, H.P. Pennekamp. Vakmedianet.
• PraktijkgidsArbeidsveiligheid2015.
Walter Zwaard e.a.. Vakmedianet
Marcel Vervoort
arbo- en milieucoördinator / coördinerend stralingsdeskundige FOM-Nikhef
SNEL AAN DE SLAG
Actuele veiligheidsinformatie:
Persoonlijk contact:
Ziekmelden bij FOM:
FOM-personeelsdienst:
102
www.fom.nl/arbo
[email protected]
[email protected]
[email protected]
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Ve i l i g h e i d s v o o r s c h r i f t e n e n t i p s v o o r v e i l i g w e r ke n
103
Colofon
Veiligheidsvoorschriftenentipsvoorveiligwerken.
Auteurs
Arboadviescommissie,StichtingFOM
Eindredactie
CentralearbocoördinatorStichtingFOM
Ontwerp
ErmindeKoning,PUUROntwerp
Beeldmateriaal
Shutterstock,PUUROntwerp
Voormeerinformatieoverdezeuitgavekuntucontact
opnemenmetStichtingFOMdoormiddelvanhetsturenvan
[email protected],oftelefonischvia
030-6001260
Bij het samenstellen van dit boekje werd gebruik gemaakt
van reeds bestaande teksten die bij Stichting FOM worden
gebruikt. Andere input waren verschillende websites en folders en brochures van universiteiten en leveranciers, IAVMrapporten, Arbo-informatiebladen, vakliteratuur en praktijkervaringenuithetveld.
Aanallendieopeenofanderewijzehebbenbijgedragenhebbenaanhettotstandkomenvanditboekje:hartelijkdank.
Deredactiesteltopbouwendekritiekergopprijsenzaldeze
zomogelijkineenvolgendeuitgaveverwerken.
Ditboekjeisgedruktopchloorvrijgebleektpapier
104
S t i c h t i n g vo o r F u n d a m e n t e e l O n d e r zo e k d e r M a t e r i e
Download