Waarom verwijzen sommige huisartsen 3x zoveel

advertisement
Waarom verwijzen sommige
huisartsen 3x zoveel als andere
huisartsen?
Substitutie van ziekenhuiszorg naar de eerste lijn kan worden bevorderd door
twee patiëntenstromen te beïnvloeden:
1. het aantal patiënten dat door de huisarts naar het ziekenhuis wordt
verwezen, en
2. het aantal patiënten dat door het ziekenhuis wordt overgedragen naar de
eerste lijn.
Er zijn veel obstakels om substitutie tot stand te brengen. Deze obstakels hebben
vooral betrekking op punt 2: het overdragen van patiënten door het ziekenhuis
naar de eerste lijn. Het eerste punt – minder patiënten verwijzen – lijkt een stuk
eenvoudiger. Dit kan de huisarts immers direct beïnvloeden zonder dat zij/hij
daarbij afhankelijk is van de medewerking van ziekenhuizen of zorgverzekeraars.
Uit onderzoek blijkt dat op dit punt nog een wereld te winnen is.
Grote praktijkvariatie in het aantal
verwijzingen door huisartsen naar de
tweede lijn
In het rapport Ruimte voor substitutie? Verschuivingen van tweedelijns- naar
eerstelijnszorg geeft NIVEL aan dat er de tussen huisartsenpraktijken in haar
onderzoeksgroep een grote variatie is in het aantal verwijzingen naar de tweede
lijn: dit varieert van 94 verwijzingen per 1.000 inwoners tot 255 verwijzingen per
1.000 inwoners; bijna een factor 3.
Bron: NIVEL
Je zou denken dat deze verschillen komen door het verschil in patiëntenpopulatie.
Maar gecorrigeerd voor de case-mix van de patiëntenpopulatie worden de
verschillen niet kleiner, maar juist groter (92 per 1.000 vs. 260 per 1.000). Het
verschil in patiëntenpopulatie is dus niet de verklarende factor voor het verschil
in verwijsgedrag van huisartsen.
Wat verklaart deze grote verschillen in
verwijsgedrag tussen huisartsen?
NIVEL heeft verschillende oorzaken onderzocht voor deze grote verschillen:
1. Wat is het effect van patiëntenmerken (case-mix) op verwijzingen naar de
tweede lijn?
2. In hoeverre kan de toename van verwijzingen naar de tweede lijn worden
verklaard door een ‘pull’ factor vanuit de tweede lijn, bijvoorbeeld door
nieuwe gestarte poli’s of ZBC’s?
3. Houden huisartsen die veel M&I verrichtingen uitvoeren hun patiënten
vaker in de eerste lijn dan andere huisartsen?
4. Worden patiënten die behandeld worden in een huisartsenpraktijk die
meer volgens de richtlijnen werkt minder vaak doorverwezen naar de
tweede lijn?
5. Verwijzen huisartsen met een hoge werkdruk vaker patiënten naar de
tweede lijn?
De conclusies uit dit onderzoek zijn (kort samengevat):
Ad 1 – Patiëntkenmerken
Het verschil in patiëntkenmerken is bepalend voor de gemiddelde hoogte van het
aantal verwijzingen, maar niet bepalend voor de praktijkvariatie. Met andere
woorden; ook tussen praktijken met vergelijkbaar complexe patiënten werd een
evengrote mate van praktijkvariatie aangetroffen. Deze factor verklaart dus niet
de verschillen tussen het verwijsgedrag van huisartsen.
Ad 2 – Pull factor
Er is geen relatie aangetroffen tussen de hoeveelheid zorgaanbod en de
bereikbaarheid daarvan en het verschil in verwijsgedrag van huisartsen.
Ad 3 – M&I verrichtingen
Huisartsen die meer M&I-verrichtingen uitvoeren verwijzen hun patiënten niet
minder door naar de tweede lijn. Dit is overigens wel een teleurstellende
waarneming: een belangrijke gedachte achter het invoeren van de M&Ibekostiging was, dat hierdoor het aantal verrichtingen in de tweede lijn zou
afnemen. Kennelijk worden de M&I-verrichtingen uitgevoerd voor patiënten die
ook anders niet verwezen zouden zijn naar de tweede lijn of worden patiënten
ondanks de M&I-verrichting toch nog verwezen naar de tweede lijn.
Ad 4 – Werken volgens richtlijnen
Het werken volgens de richtlijnen leidt inderdaad tot minder verwijzingen.
Echter, vrijwel alle huisartsenpraktijken (89,7%) blijken volgens de richtlijnen te
verwijzen. Daarmee kan het werken volgens de richtlijnen het verschil in
verwijsgedrag niet volledig verklaren.
Ad 5 – Werkdruk
Het verschil in werkdruk, uitgedrukt in aantal patiëntcontacten er patiënt per
jaar, is niet verklarend voor het verschil in verwijsgedrag.
Kortom, geen van de genoemde factoren kan het grote verschil in verwijsgedrag
verklaren. uiteindelijk bleek er een andere verklarende factor: de organisatievorm
van de huisarts.
De organisatievorm van de huisarts is een
verklarende factor
Naast de hiervoor genoemde factoren is ook gekeken naar de organisatievorm
van de huisarts: werkt de huisarts in een solopraktijk, een duopraktijk of een
groepspraktijk. Het blijkt dat dit een significantie factor is: huisartsen in een
solopraktijk verwijzen 2.8%-punt meer dan huisartsen in een duo- of
groepspraktijk.
Groot substitutiepotentieel door het
verwijsgedrag van huisartsen aan te
passen
Er zijn dus geen verklaringen gevonden in de samenstelling van het
patiëntenbestand voor het grote verschil in verwijsgedrag. Het onderzoek geeft
ook aan dat de variatie in verwijsgedrag voorkomt voor alle specialismen in het
ziekenhuis. Het voorkomen van onnodige verwijzingen naar de tweede lijn kan
dus een grote bijdrage leveren aan het substitueren van eenvoudige zorg van de
tweede lijn naar de eerste lijn.
Actieplan doelmatig verwijzen
Door gericht hierop in te zetten kunnen huisartsen, eerstelijnsorganisaties,
zorggroepen en zorgverzekeraars dus een flinke stap zetten in substitutie van
eenvoudige zorg naar de eerste lijn. Partijen kunnen per regio een actieplan
maken, met daarin de volgende speerpunten:
Waar nodig verder implementeren van de richtlijnen voor verwijzingen.
Spiegelinformatie verzamelen en verstrekken aan de huisartsen over
het aantal en het soort verwijzingen ten opzichte van hun collega’s in de
regio en ten opzichte van landelijke gemiddelden.
Deze spiegelinformatie periodiek bespreken en op grond hiervan gerichte
verbeteracties uitvoeren.
De schaalvergroting van solo-praktijken naar duo-praktijken en
groepspraktijken stimuleren. De zorgverzekeraar kan een belangrijke rol
spelen bij het faciliteren van deze ontwikkeling, bijvoorbeeld door
financiële ruimte te bieden voor praktijkmanagement.
Huisartsen in segment 3 gericht belonen voor “doelmatig verwijzen” als
het aantal verwijzingen aantoonbaar doelmatiger wordt. Hierbij moet
natuurlijk gewaakt worden voor een perverse prikkel waardoor de
huisarts te weinig gaat verwijzen.
Monitoren hoe de verwijzingen in de regio zich ontwikkelen en op grond
daarvan het actieplan bijsturen.
De huisartsen kunnen dit proces zelf organiseren per Hagro of hun zorggroep of
de ROS vragen dit proces te faciliteren.
Voer je e-mail adres in om op de hoogte te
blijven van nieuwe Inzichten
Voer je e-mailadres in om je in te schrijven op dit blog en e-mailmeldingen te
ontvangen van nieuwe berichten.
E-mailadres
Abonneren
Download