wft consumptief krediet

advertisement
WFT CONSUMPTIEF KREDIET
SAMENVATTING (DEEL 1) (versie: geldig tot 1 april 2018)
1. Soorten consumptief krediet
1.1 Kredietverlening
Kredietverlening = het beschikbaar stellen van geldmiddelen door deelnemers die een overschot hebben aan
huishoudens die een tekort hebben.
Kredietgever / kredietverstrekker = degene die de lening aan de kredietnemer verstrekt.
Kredietnemer = degene die op grond van het krediet geld, goederen of diensten geleverd krijgt en de verplichting
heeft rente en aflossing te betalen aan de kredietgever/kredietverstrekker.
1.2 Consumptief krediet
Consumptief krediet kan op twee manieren worden onderverdeeld:
• Verstrekkingsvorm
o Geldkrediet = krediet waarbij de kredietnemer geld vrij ter besteding krijgt. Hier kunnen zekerheden
aangekoppeld worden. Het is de meest gangbare vorm van krediet (meestal verstrekt door banken).
 Blanco krediet = geldkrediet zonder zekerheden.
Verstrekking: meestal door banken.
o Goederenkrediet = krediet waarbij de kredietnemer een bepaalde dienst of consumptiegoed ontvangt.
De waarde hiervan wordt in geld uitgedrukt en dit is het geleende bedrag van de kredietverstrekker.
 Objectfinanciering = goederenkrediet voor duurzame consumptiegoederen (bijv. auto’s en boten).
Verstrekking: meestal door financieringsmaatschappijen.
Gelieerde kredietovereenkomst = de wettelijke benaming voor goederenkrediet. Het krediet van een
goed of dienst is gelieerd (vormt een geheel) met de kredietovereenkomst.
•
Aflossingsvorm
o Aflopend krediet = kenmerken:
 Looptijd: vast;
 Kredietvergoedingspercentage: vast;
 Maandtermijn: aflossing en rente, gerelateerd aan de kredietsom;
 Rente: over de totale kredietsom;
 Kredietsom/zaak of dienst: volledig ter beschikking.
 Deze aflossingsvorm komt voor bij geld- en goederenkrediet.
o Doorlopend krediet = kenmerken:
 Looptijd: niet vast, afgeloste bedragen kunnen opnieuw worden opgenomen;
 Kredietvergoedingspercentage: niet vast, afhankelijk van marktontwikkeling;
 Maandtermijn: aflossing en rente, gerelateerd aan de limiet of het uitstaande saldo;
 Rente: over het opgenomen deel;
 Kredietlimiet: limietbedrag aan geld, goederen of diensten;
 Bestedingsdoel: uitgaven in en om het huis, auto’s;
 Zekerheden: mogelijk binnen de beperkingen van wettelijke en technische aard;
 Deze aflossingsvorm komt voor bij geld- en goederenkrediet.
1.3 Vaste lening / aflossingsvrij krediet / rentekrediet
Kenmerken:
 Looptijd: vaak lang (5 tot 30 jaar);
 Kredietvergoedingspercentage: vast, rentevaste periodes;
 Maandtermijn: alleen rente over de totale kredietsom;
 Rente: over de totale kredietsom;
 Aflossing: ineens op einddatum;
 Kredietsom vaak hoog, en komt direct geheel ter beschikking. Vervolgopnames zijn niet mogelijk;
 Zekerheden: bijv. hypotheekrecht of verpanding van polisrechten van een levensverzekering.
Voordeel: lage maandlasten, kredietnemer betaalt alleen rente.
2. Aflopend krediet
2.1 Aflopend krediet
Hieronder lichten we je de kenmerken van een aflopend krediet uitgebreider toe.
Kredietsom / totaal kredietbedrag = het bedrag dat in de vorm van geld, zaken of diensten ineens en volledig ter
beschikking wordt gesteld.
• Aflopend geldkrediet: het bedrag dat beschikbaar wordt gesteld aan de kredietnemer.
Bron: WFT Adviseur Consumptief Krediet van NIBE-SVV
1
WFT CONSUMPTIEF KREDIET
SAMENVATTING (DEEL 1) (versie: geldig tot 1 april 2018)
•
o Oversluiten: kredietsom = kredietsom – aflossingsbedrag oude lening.
Aflopend goederenkrediet: kredietsom = contant prijs van het goed – aanbetaling.
o Contant prijs = de prijs van het goed bij contante betaling. Dit bedrag is afkomstig van de kredietgever.
o Aanbetaling = bijv. de inruil van een bestaande auto bij aankoop van een nieuwe auto. Dit bedrag is
afkomstig van de kredietnemer.
Looptijd = de periode tussen de eerste en laatste vervaldag. De looptijd luidt meestal in maanden. Voor een aflopend
krediet geldt een vaste looptijd van doorgaans 6 tot 72 maanden. Voor zaken met een langere levensduur kunnen
looptijden van 120 maanden voor komen.
Termijnbedrag / maandtermijn = de kredietnemer is maandelijks een vast bedrag verschuldigd, bestaande uit aflossing
en kredietvergoeding. Het maandelijkse bedrag is elke periode gelijk. De verhouding tussen aflossing en rente wijzigt
gedurende de looptijd. Naarmate de looptijd vordert wordt aflossingscomponent groter dan de rentecomponent
(annuïteitenschema). De hoogte van de maandtermijn wordt berekend m.b.v. tabellen met omrekeningsfactoren.
Maandtermijn = K / 100 x omrekeningsfactor
K = maximale kredietsom
(bruto) uitstaand saldo = het bedrag dat op enig moment door de kredietnemer terugbetaald moet worden.
(bruto) uitstaand saldo = kredietsom + totale rente – al betaalde termijnbedragen
Contractbedrag / totaal te betalen bedrag = dit kun je op de volgende twee manieren berekenen:
• Contractbedrag = kredietsom + totale rente over de looptijd van het contract
• Contractbedrag = maandelijkse termijnbedrag x aantal betalingstermijnen
Verdere begrippen:
• Totale koopprijs = aanbetaling + kredietsom + te betalen rente
• Restant koopprijs = totale koopprijs – aanbetaling
Betalingstermijn = de periode tussen twee opeenvolgende momenten waarop de kredietnemer conform de
kredietovereenkomst dient te betalen. Normaliter betreft dit één maand.
Rentevergoeding = het rentepercentage (debetrentevoet) is gedurende de gehele looptijd gelijk. Elke maandtermijn
bevat een rentebedrag, dat steeds aan het einde van de termijn verschuldigd is. De hoogte van de rentevergoeding is
afhankelijk van de kredietsom en de looptijd:
Bij relatief kleine kredietsommen of korte looptijden gelden veelal hogere tarieven dan bij hogere kredietsommen of
langere looptijden. Reden: de vaste kosten dienen in een kortere looptijd of in een kleinere kredietsom te worden
verdisconteerd.
Totale rente = contractbedrag – kredietsom
Bijzondere aflossingsvarianten = er zijn twee bijzondere aflossingsvarianten:
• Uitgestelde termijnbetaling = in de eerste periode (uitstelperiode) worden er geen termijnbetalingen gedaan.
Na deze periode kan de kredietnemer kiezen tussen terugbetaling:
o In één keer;
o Via een aflopend krediet met een normaal aflossingsschema;
o Via een doorlopend krediet.
In de praktijk vaak aangeboden in combinatie met 0% rente gedurende de uitstelperiode.
• Aflopend krediet met slottermijn = een combinatie van een aflopend krediet met een vaste lening.
Kredietnemer lost tijdens de looptijd maandelijks af op het aflopend krediet. Op de vaste lening wordt niet
afgelost, deze wordt aan het eind via een slottermijn voldaan.
Voordeel: termijnbedragen zijn lager, omdat op de vaste lening niet wordt afgelost.
Nadeel: slottermijn moet uit eigen middelen van de kredietnemer worden betaald.
Contractbedrag = totaal van de maandtermijnen + slottermijn
Bron: WFT Adviseur Consumptief Krediet van NIBE-SVV
2
WFT CONSUMPTIEF KREDIET
SAMENVATTING (DEEL 1) (versie: geldig tot 1 april 2018)
2.2 Vormen aflopend krediet
Persoonlijke lening (PL)
Kenmerken:
 Aflopend geldkrediet, meestal in de vorm van een blanco krediet;
 Aangeboden door banken en financieringsmaatschappijen;
 Looptijd: 6 tot 72 maanden (soms langer);
 Kredietsom: tussen EUR 2.500 en EUR 50.000;
 Doel: aanschaf van duurzame consumptiegoederen;
 Overlijdensrisico meeverzekerd.
Aflopend goederenkrediet
Aflopend goederenkrediet komt voor als:
• Koop op afbetaling / afbetalingskrediet = de koopsom van een bepaalde zaak wordt in ten minste twee
termijnen voldaan. In deze termijnbedragen is de verschuldigde kredietvergoeding opgenomen. Door de
levering van de gekochte zaak gaat de eigendom over op de koper/kredietnemer.
• Huurkoop = de koopsom dient van een bepaalde zaak wordt in ten minste twee termijnen voldaan. In deze
termijnbedragen is de verschuldigde kredietvergoeding opgenomen. Door de levering van de gekochte zaak
gaat het eigendom niet direct over op de koper/kredietnemer. Het eigendom gaat over op een later in de
overeenkomst vastgelegd tijdstip. Kenmerken:
 Aangeboden door financieringsmaatschappijen, distributie verloopt via leveranciers.
 Looptijd: afgestemd op de verwachte levensduur van het product (gaat vooral om goederen met een
lange tot zeer lange levensduur);
 Eigendomsvoorbehoud: vormt onderdeel van de huurkoopovereenkomst en geeft aan wanneer de
koper/kredietnemer eigenaar wordt van het goed. Meestal is dit pas als alle termijnen zijn voldaan
(inclusief eventuele vertragingsvergoeding en verschuldigde kosten);
 Overlijdensrisico meeverzekerd;
 In de zakelijke markt bekend onder de term 'financial lease'.
3. Doorlopend krediet
3.1 Doorlopend krediet (DK)
Hieronder lichten we je de kenmerken van een doorlopend krediet uitgebreider toe.
Kredietsom / kredietlimiet = het totale kredietbedrag waarover de kredietnemer maximaal kan beschikken. Het bedrag
kan in zijn geheel of in delen opgenomen worden. Opgenomen bedragen kunnen na aflossing opnieuw worden
opgenomen. Extra aflossen is mogelijk, zonder kosten. Limieten variëren van EUR 1.000 tot EUR 50.000, en soms meer.
Looptijd = van toepassing zijn:
• Werkelijke looptijd = de periode gedurende welke het krediet feitelijk loopt. De einddatum is het moment dat
het krediet is ingelost (0 saldo) en de kredietfaciliteit is beëindigd. De looptijd is dus pas achteraf te bepalen.
• Maximum looptijd = wordt begrenst door de leeftijd waarop de kredietnemer de kredietsom geheel moet
hebben terugbetaald. Meestal is dit 70 jaar. De leeftijd is belangrijk i.v.m. het gedekte overlijdensrisico. Hoe
hoger de leeftijd, hoe hoger de kosten om het risico af te dekken.
o Afbouwregeling = krediet wordt in een aantal stappen tot 0 gereduceerd. Een vaak toegepaste
afbouwregeling is dat vanaf een bepaalde leeftijd (bijv. 65 jaar) de limiet periodiek wordt verlaagd, zodat
deze op (bijv.) 70-jarige leeftijd geheel is afgebouwd.
o Opnamemogelijkheid stopzetten → vanaf een bepaalde leeftijd de mogelijkheid tot opnemen stopzetten
en mogelijk in combinatie met een verhoging van het termijnbedrag.
• Theoretische looptijd = de verwachte looptijd in de volgende situatie:
o Krediet wordt aan het begin tot de limiet opgenomen;
o Maandtermijnen worden op tijd betaald;
o Rentetarief blijft ongewijzigd;
o Geen vervolgopnames;
o Geen extra aflossingen.
Betalingsverplichting = maandelijks een termijnbedrag ter grootte van een percentage, bijv. 2% van de limiet of het
uitstaande saldo. Het verschuldigde termijnbedrag bevat rente en aflossing. Bij bepaling van het termijnbedrag wordt
een onderscheid gemaakt tussen vaste of variabele doorlopende kredieten.
Vast doorlopend krediet = het termijnbedrag wordt uitgedrukt in een percentage van de limiet (1,5%, 2% of 2,5%), en
Bron: WFT Adviseur Consumptief Krediet van NIBE-SVV
3
WFT CONSUMPTIEF KREDIET
SAMENVATTING (DEEL 1) (versie: geldig tot 1 april 2018)
bestaat uit rente en aflossing. Veranderingen in tarief hebben geen gevolg voor de hoogte van het termijnbedrag, net
zo min als vervolgopnames of extra aflossingen.
Variabel doorlopend krediet = het termijnbedrag wordt uitgedrukt in een bepaald vast percentage van de uitstaande
schuld. De kredietgever hanteert wel een minimum termijnbedrag. Veranderingen in tarief hebben gevolgen voor de
hoogte van het termijnbedrag, net als vervolgopnames of extra aflossingen.
Voorbeeld:
Wat is de maandtermijn voor een krediet met een limiet van EUR 30.000 in geval van een vast DK en variabel DK met een minimum termijnbedrag
van EUR 250.
Opgenomen bedrag
EUR 30.000
EUR 20.000
EUR 12.500
EUR 5.000
Maandtermijn Vast DK (2%)
(EUR 30.000 x 2% =) EUR 600
(EUR 30.000 x 2% =) EUR 600
(EUR 30.000 x 2% =) EUR 600
(EUR 30.000 x 2% =) EUR 600
Maandtermijn Variabel DK (2%, minimum bedrag EUR 250)
(EUR 30.000 x 2% =) EUR 600
(EUR 20.000 x 2%=) EUR 400
(EUR 12.500 x 2% =) EUR 250
(EUR 5.000 x 2% = EUR 100, dit is minder dan het minimumbedrag) EUR 250
Rentevergoeding = het rentepercentage (debetrentevoet) dat de kredietnemer over het uitstaande saldo moet
betalen. Het rentepercentage is gedurende de gehele looptijd variabel (afhankelijk van de ontwikkelingen op de gelden kapitaalmarkt).
Uitstaand saldo = het bedrag van de totale schuldpositie aan het begin van de lopende termijn + kredietvergoeding
over de lopende termijn. Bij elk limietbedrag hoort een aantal termijnbedragen met een bijbehorende theoretische
looptijd. Dit kan worden afgelezen uit de tarieventabel die de kredietgever voor een bepaalde kredietsoort hanteert.
Tarieven voor lage limietbedragen en/of korte theoretische looptijden zijn relatief hoog.
Limiet = het maximale bedrag dat de kredietnemer mag lenen om zaken te kopen of diensten af te nemen. Let op: de
kredietnemer is niet verplicht om dit bedrag te lenen. Kredietgevers hanteren soms ook voorwaarden voor
vervolgopnames:
• Blokkeernorm = bijv. blokkeernorm van 3: “bij een volledig opgenomen kredietlimiet mag de kredietnemer
pas weer opnemen als hij voor een bedrag gelijk aan drie termijnbedragen heeft afgelost. Dit betreft volledige
aflossing (een maandtermijn bevat aflossing en rente). Om aan dat aflossingsbedrag te komen, zal hij dus
meer dan drie termijnbedragen moeten betalen. Meestal kan er pas weer worden opgenomen na vijf tot zes
maanden.”
• Permanente opname restricties = de kredietnemer mag in zijn geheel niet meer opnemen. Deze restricties
worden ingesteld als het twijfelachtig is of het krediet wel terugbetaald zal worden. Het DK wordt dus
omgezet in een aflopend krediet.
Overlijdensrisico = meestal meeverzekerd (en dus gedekt door de kredietgever).
3.2 Vormen Doorlopend Krediet
Creditcardkrediet
Creditcardkrediet = kredietfaciliteit die de creditcardhouder de mogelijkheid geeft om het uitstaande saldo op de
creditcard in termijnen terug te betalen. De schuld wordt omgezet in een doorlopend krediet. Het kredietproduct
wordt gedistribueerd door de instantie die de card uitgeeft. Tegenwoordig wordt het gezien als een vorm van
doorlopend geldkrediet omdat:
• Veel leveranciers de card als betaalmiddel accepteren;
• Er door de cardhouder contant geld mee opgenomen kan worden bij deelnemende financiële instellingen.
De creditcardmaatschappij vraagt voor de periodieke afrekening een machtiging van de cardhouder voor diens
betaalrekening. Bij een creditcardkrediet spelen zekerheden geen rol.
Bancaire creditcard = een creditcard die een bank in samenwerking met een cardmaatschappij uitgeeft. De
kredietfaciliteit is bestemd om met de cardmaatschappij af te rekenen. De voorwaarden kunnen afwijken van de
voorwaarden voor een doorlopend krediet die door dezelfde bank wordt verstrekt.
Doorlopend goederenkrediet (verzendhuiskrediet/postorderkrediet)
Thuiswinkelkrediet = krediet bestemd voor consumenten van leveranciers die hun producten via internet of catalogi
onder de aandacht brengen, waarbij ze de bestelling, levering en betaling zo veel mogelijk via de telefoon, internet,
per post, en giraal afwikkelen. Meestal is de financieringsdochter van de leverancier de kredietgever. Zekerheden
spelen geen rol. Voorbeelden: Wehkampkrediet of Bijenkorfcard.
Bron: WFT Adviseur Consumptief Krediet van NIBE-SVV
4
Download