Inleiding tot de menswetenschappen

advertisement
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
Inleiding tot de menswetenschappen
Hoofdstuk 1: Menswetenschappen
1. Indeling van de menswetenschappen
Onderscheid tussen:

De alfa-wetenschappen: wetenschappen die menselijke producten en praktijken
als studieobject hebben. Er zijn 2 soorten:



De gedrags – en sociale wetenschappen: onderzoeken het
gedrag van de mens. Vb. economie, sociologie, psychologie
 De cultuur – en taalwetenschappen: onderzoeken de menselijke
producten. Vb. geschiedenis, rechtswet., kunstwet., linguïstiek
De beta-wetenschappen: natuurwetenschappen, inclusief de toegepaste
wetenschappen. Vb. biologie, chemie, wiskunde, fysica
De gamma-wetenschappen: medische wetenschappen.
Er bestaan nog andere onderverdelingen:

De formele of deductieve wetenschappen (vb. logica en wiskunde) tov de
ervarings – of empirische of inductieve wetenschappen (vb. alle andere
wetenschappen)
 empirisch = feitelijke verbanden leggen, proefondervindelijk
 deductie = uitgaande van het meer algemene, tot het bijzondere besluit
 Onderscheid door exactheid: De exacte (vb. natuurwetenschappen) tov de rest
 alle wetenschappen streven naar exactheid
 Onderscheid door methode: De natuurwetenschappen tov de
geesteswetenschappen (Wilhelm Dilthey):

De natuurwetenschappen:
 Studieobjecten interpreteren de omgeving niet
 Ze trachten te verklaren → Erklären
 Causale samenhang

De geesteswetenschappen:
 Studieobjecten interpreteren de omgeving
 Ze trachten te begrijpen → Verstehen
 Betekenissamenhang: voor het achterhalen van die betekenis
moet je een bijzondere kennisweg gebruiken: de Einfühlung.
2. Wetenschappelijkheid


Wetenschappelijkheid = werkwijze om systematisch en betrouwbare kennis te
bekomen.
Wetenschapsfilosofie: het domein van de wijsbegeerte dat zich bezig houdt
met het kritisch onderzoek van de wetenschappen
-1-
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske



Methodologie: onderzoekt de methodes waardoor de wetenschappen komen tot
hun resultaten en onderzoekt de grondslagen van die methodes kritisch.
Wetenschappelijkheid: respecteren van normen en criteria bij het verzamelen
en opbouwen van kennis (propositionele kennis: dit zijn feiten die ons vertelt
zijn of geleerd zijn ↔ niet-propositionele kennis: dit zijn dingen die we weten
omdat we ze dmv ervaring ontdekt hebben)
Centraal kenmerk: Wie wetenschappelijk te werk gaat, komt zonder dwang en
in principe tot dezelfde inzichten. (bewijsvoering).



Waarde: = evaluatie = is iets wat belangrijk hoort geacht te worden.
(vb. als je iets zegt over iets of iemand, dan ken je een waarde toe aan
die zaak of persoon → schoonheid, betrouwbaarheid, …)
 Criterium: = kenmerk die toelaat evaluaties (waarden toe te kennen)
te maken = een kenmerk waarvan de aan – of afwezigheid voldoende
is om een activiteit, een product, een persoon, … in een bepaalde
categorie te plaatsen. (vb. wat onderscheid goede appels van slechte?
Rood, sappig, …). Criteria kunnen meer of minder scherp zijn (vb.
als een criterium “rood zijn” is, wat dan als de appel deels groen en
rood is) en ze kunnen ook meer of minder ter zake zijn (vb. is de
kleur wel een belangrijk item om goede van slechte te
onderscheiden). Criteria zijn bediscussieerbaar.
 Norm: een regel die het gedrag in een bepaald gebied hoort te
regelen. Een norm heeft ongeveer dezelfde betekenis als een criteria.
Alleen een norm is een criterium waaraan iets moet voldoen om tot
een groep te behoren.
1) Normen = regels die het gedrag op een bepaald gebied horen te
bepalen  vb. omgangsnormen
2) Kennisverwerving: normen die de verwerving van betrouwbare
kennis garanderen
De kwaliteit van kennis hangt af van de normen die het vergaren en opbouwen
van die kennis hebben gestuurd en van de (kwaliteit van de) criteria die daarbij
zijn gehanteerd.
Goede wetenschappelijke producten kan men herkennen aan de volgende
criteria:

Kracht op vlak van de ordening van waarnemingsgegevens:
 Falsifieerbaarheid: theorieën zijn beter naarmate ze meer
weerlegbaar zijn. Dit betekent dat de theorie iets te maken heeft
met de werkelijkheid/feiten.
 Empirische accuraatheid: als een theorie succes heeft op het
vlak van voorspellen toont dit dat ze iets te maken heeft met de
werkelijkheid/feiten.
 Bereik: theorie heeft succes op het vlak van voorspellen van
verschillende soorten gebeurtenissen.
 Coherentie: theorie is niet in contradictie met wat wij weten uit
andere wetenschappen. (ook interne consistentie)
-2-
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske

De kracht van theorieën op vlak van de ordening van
waarnemingsgegevens blijkt uit tests:
 Eerlijke tests: confrontatie met alternatieve en wedijverende
theorieën.
 Onafhankelijke tests: testen van afzonderlijke hypothesen.
 Kruistests: verschillende componenten van theorieën uit
verschillende domeinen vergelijken/ tegen elkaar afwegen.

Verklaringskracht:
 Causaal: aangeven van de oorzaken van gebeurtenissen.
 Unifiërend: verschillende domeinen onder 1 noemer plaatsen.

Formele kracht:
 De logico-mathematische formuleerbaarheid
 De axiomatische formaliseerbaarheid
Het is niet omdat een theorie aan 1 van deze voorwaarden niet voldoet dat zij
daarom slecht is: afwegingen en keuzes zijn nodig.
Zo kan men een contradictie in een theorie soms oplossen door een ad hochypothese te formuleren (en de falsifieerbaarheid dus opofferen).
3. Filosofie
 Filosofie etymologisch: philia + sophia = vriendschap voor + wetenschap,
kennis, praktische wijsheid
Zoeken naar waarheid (Plato, Gorgias).
Zoeker van de kennis versus bezitter van de kennis, de kunde.
 Geen eigen studiegebied filosofie = soort onderzoeksactiviteit
Men bestudeert geen filosofie, men doet het.
 Wat is filosofie?
Voorlopigheid van de resultaten: “Wat op dwingende gronden door iedereen
wordt erkend, is meteen ook wetenschappelijke kennis geworden, is geen
filosofie meer, maar gaat over een bepaald domein van het kenbare.”
Verschijnsel van de leegloop van de wijsbegeerte + creatie nieuwe domeinen.
Principiële bereidheid om vragen en antwoorden daarop kritisch te
onderzoeken.
Ergo(dus): met respect voor de standaarden van rationele argumentatie.
Betrekking op ultieme vragen (vb. grondslagen van de kennis)
 Ultieme vragen?
Ontoereikende wetenschappelijke methodes: niet beslisbaar door experiment,
observatie.
Enkel reflectie over reeds aanwezige kennis als onderzoeksmethode.
-3-
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
Hoofdstuk 2: De experimentele methode
1. Inleiding

Kennis: elke voorstelling, denkbeeld of overtuiging, waarvan we aannemen dat
die met een zekere werkelijkheid overeenkomt (= breder dan wettenschap)
 Wetenschap:
1) een menselijke bedrijvigheid die erop gericht is tot gesystematiseerde en
betrouwbare kennis te komen.
2) het resultaat van een bedrijvigheid in een bepaald gebied: een wetenschap is
is dan een geheel van uitspraken, wetten of theorieën betreffende een enigszins
samenhangend probleemgebied. Het voldoet aan de volgende eisen:
mededeelbaar, systematisch (geordend), controleerbaar.
2. Waarom zoeken wij kennis?
Wij gaan informatie uit de buitenwereld opdoen aan de hand van onze zintuigen.
Men kan het gebruik van deze zintuigen verbeteren door ermee te leren werken. Zo
kan men dan voorstellingen beginnen maken. De mens is daar zo bedreven in dat zij
die voorstellingen gaat associëren met elkaar en dankzij de taal kan men ze onthouden
en meedelen, zo ontstaat cultuur.
Er zijn ook nadelen verbonden aan de uitbreiding van het kenvermogen:

Voorstellingen die voorkwamen in gevaarsituaties (vb. bloed) worden
geassocieerd met gevaar. Zo ontstaan symbolen van gevaar, die angst
oproepen, ook wanneer er geen gevaar is.
 Men gaat alles wat vreemd is als angstwekkend gaan zien door de behoefte om
een begrijpelijk beeld van de wereld te vormen.
 Doordat de mens continu keuzes moet maken gaat het gevoel opsteken van het
maken van de foute keuze. Het handelen gaat dus gepaard met een gevoel van
onzekerheid.
Deze factoren maken begrijpelijk dat naast de behoefte naar praktische kennis de
mens ook een nood voelt aan ruimere cognitieve inhouden en richtsnoeren voor het
handelen, die de angst en het onbehagen moeten reduceren.
a. Oorspronkelijke vormen van kennis en gedragsregels


Taboe: met deze term worden objecten aangeduid die men niet mag
aanraken en handelingen die men niet mag stellen. Die objecten zijn taboe
wanneer ze door een associatie met gevaar of door aantasten maatschappij
angst verwerken. Het contact met taboe wordt ervaren als een bezoedeling,
vorm van onreinheid.
Magie: dit wordt gebruikt om zich te reinigen van bedoezeling. Dit is een
geheel van stereotype handelingen (riten) en uitspraken (formules). Magie
heeft drie voorname functies: de afweermagie (moet gevaren afwenden),
de productieve magie (belangrijke menselijke noden worden hierdoor
bevredigd) en de destructieve magie (men meent kwaad te berokkenen aan
-4-
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske

de vijand). De laatste twee noemt men ook tovenarij waarbij de positieve,
witte magie genoemd wordt en de negatieve, zwarte magie.
Mythe: aan de hand van de mythe probeert men inzicht te verkrijgen in de
wereld. Dit is een verhaal dat ontsproten is aan de fantasie waaraan men
een zeker geloof hecht. Dit heeft de volgende functies: ze ordenen de
wereld tot een samenhangend geheel, ze beiden een verklaring voor
vreesaanjagende fenomenen en pijnlijke en revolterende toestanden en
door te verklaren, rechtvaardigen ze bepaalde maatschappelijke situaties.
De methode van verklaren in de mythe bestaat erin duidelijk te maken hoe
de dingen ontstaan zijn. Men onderscheidt kosmogonische mythen die het
ontstaan van de wereld verklaren.
b. De grote wereldgodsdiensten
Bij openbaringsgodsdiensten (eerste millenium v.C.) kan men enkele aspecten
onderscheiden:




Universaliteitaanspraak: de openbaringsgodsdiensten gaan zich richten op
alle mensen. Mythische godsdiensten richtten zich op een volk.
Openbaring: de waarheden vinden hun oorsprong bij God of in de ‘hoogste
werkelijkheid’ en ze worden geuit in boeken of door de prediking van een
profeet. Het wordt gezien als de hoogste goddelijke waarheid. Nogal vlug
wordt die ‘openbaring’ neergelegd in geschriften waarvan de tekst
uiteraard niet voor discussie vatbaar kan zijn.
Dogmatisme: de basis van de geloofswaarden ligt onwrikbaar vast. Een
dogma is iets dat men moet aannemen om als gelovige te worden
beschouwd. Het geloof en het toetreden bepaalt nu of je ertoe behoort.
Verlossing: een godsdienst zegt dat de mens zich in een droevige conditie
bevindt op deze aarde en het toetreden tot die godsdienst brengt een einde
aan de zonde en ellende → verlossingsgodsdienst.
Historisch situeren ivm kennisverwerving over de wereld:
Vanaf het 3e millenium v.C leefden mensen in een complex geheel, met relaties
met relaties van diverse aard, zo ontstaan er taboe’s, riten en gebruiken.
Er ontstonden dan ook codices van rechtsregels (18e eeuw v.C.) en uit diverse
bronnen kon men afleiden dat ook morele normen en idealen werden gevormd.
Het indrukwekkendste van deze ethische voorschriften is de Gulden Regel die
in de meeste grote culturen terug te vinden is.
In negatieve zin: “Doe een ander niet aan wat je niet wenst dat jou zou worden
aangedaan.” In positieve zin: “Doe voor de anderen wat je wenst dat jij voor
jou zouden doen.”
Het probleem is dat dit ingaat tegen de neigingen van egoïsme en agressiviteit,
dus is er nood aan een diepere fundering van dergelijke normen. Er moet een
oplossing gevonden worden voor het basisprobleem van elke ethiek die
zelfopoffering vraagt: het geluk dat de bozen vaak te beurt valt en het lijden dat
de goeden treft.
Er zijn twee verschillende oplossingen: de Westerse (gaat uit van een
dualistisch wereldbeeld goed ↔ kwaad) en de Indische (gaat uit van de
-5-
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
zielsverhuizing, als men een goed leven leidt dan reïncarneert men in een
betere vorm en omgekeerd).  details: zie cursus p. 15 - 16
Godsdiensten kunnen ook gezien worden als een bindmiddel om mensen van
uiteenlopende stammen tot een grotere eenheid te brengen.
Dit is net zoals de mythes aan de verbeelding ontsproten.
c. De wetenschappelijke kennisverwerving
a. In de mythen beleven de afzonderlijke volkeren een eigen wereld a.h.w.
groepsdromen. Uit de openbaringsgodsdiensten kennen we een aantal
wereldgodsdiensten die alle de waarheid beweren te hebben, maar een
gemeenschappelijke ontbreekt.
De mensheid moet dus een methode vinden om betrouwbare kennis te bereiken.
Een dergelijke methode noemen we wetenschap. In de zoektocht hiernaar zijn 2
periodes onderscheidbaar:



In de zesde eeuw voor Christus werd door Thales en zijn navolgers de
wiskunde ontwikkeld. Hier slaagde men erin om eigenschappen van
mathematische objecten te formuleren en bovendien te bewijzen. Deze
kennisverwerving was zonder dwang en leidde tot universele erkenning.
Dit leidde rond 300 v.C. tot het werk van Euklides (zie site slides!) die het
geheel van stellingen op axiomatische wijze synthetiseerde.
De kennis is betrouwbaar, maar slechts een kennis van constructies van
onze geest. (denkoperaties).
In de Oudheid werden wetenschappen ontwikkeld die betrekking hadden
op de ervaarbare wereld. (statica, optica, astronomie) Een algemene
methode om betrouwbare kennis over de wereld te bekomen, was er niet.
Dit veranderde toen Galilei (zie sites slide!) de wetten van de val en de
worp wou onderzoeken. Hij probeerde een wiskundige formulering te
vinden voor deze fenomenen maar door de complexiteit ervan werd hij
gedwongen om deze experimenteel te toetsen.
Zo ontstond de experimentele methode als een combinatie van de
wiskundige methode en het experiment. De resultaten leiden tot universele
erkenning. De methode om betrouwbare kennis over de wereld te krijgen
was ontdekt, ze is gekenmerkt door ondubbelzinnige formulering en
strenge controle.
b. De mechanica van Galilei en de planetentheorie van Kepler werden door
Newton gesynthetiseerd, zo ontstond de natuurkunde (17e eeuw). In de 18e
eeuw werd de grondslag gelegd voor de scheikunde. En in de 19e eeuw werden
de diverse natuurwetenschappen als autonome disciplines ontwikkeld,
hetzelfde gebeurde met de mens- en cultuurwetenschappen. Ook de toegepaste
wetenschappen werden uitgebouw in verband met technische ontwikkelingen.
c. Na deze ontzaglijke vooruitgang heeft men een zeer grote betrouwbaarheid
over wat men weet, toch is er een geen universeel beeld over de totale
werkelijkheid ontstaan dat tot spontane instemming leidt.
Normaal zou de wetenschappelijke methode de mythes en de godsdiensten
moeten doen uitsterven want voor alles zou dit een verklaring moeten kunnen
vinden maar de sektes blijven bestaan (USA, Iran).
-6-
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
Door middel van de wetenschappelijke methode probeerde men over een
middel te beschikken om aloude vragen op te lossen maar dit is niet het geval:



Doordat de wetenschap zodanig complex is geworden beheerst niemand
meer een totaalbeeld ervan en is de wetenschap uiteengevallen in
specialismen. Er is niemand die het geheel kan overzien en de oude
vraag van iedere mens nar een totaalbeeld van zijn wereld krijgt dus
zelden een volwaardig wetenschappelijk antwoord. Daardoor zal de
wetenschap meestal nog voor gedeelten van zijn wereldbeeld beroep
doen op mythen of dogmatische systemen.
Omdat het oorspronkelijk doel dat de kennis als antwoord op nood aan
verklaring niet ongeschonden bewaard is gebleven. De wetenschap is
verdeeld is grote organisaties en de doeleinden worden gegeven in
functie van die deelsystemen en niet in functie van de mens of de
mensheid.
Ondanks diverse pogingen is de wetenschap er niet in geslaagd de
vragen betreffende waarden en normen (ethische en politieke vragen)
zo te benaderen dat een totale consensus ontstaat.
d. De resultaten van de wetenschap brengen ook gevaren mee voor de mensheid.
Doordat het universaliteitideaal niet volledig is bereikt ontstond de
antiwetenschappelijke of pseudo-wetenschappelijke stromingen →
fundamentalisme stromingen en nieuwe godsdienstige en pseudo-godsdienstige
sekten, die ermee dreigen grote aantallen mensen te bedwelmen in nieuwe
droomwerelden.
De eis tot betrouwbare kennis moet niet verworpen worden maar men moet ze in
volle oorspronkelijkheid herstellen.
d. De wijsgerige kennisverwerving
Wijsbegeerte:
 vorm van kennisverwerving wanneer men de eis van betrouwbaarheid
stelt en dus kritisch wordt.
De wijsgerige houding is ontstaan in Griekenland vanaf de 6e eeuw v.C.
Men had de overtuiging opgedaan dat bewijsvoeringen wel degelijk
mogelijk waren. Thales was zowel 1e wiskunde als 1e wijsgeer.
 Het verschil met de mythische benadering ligt in de overtuiging dat
deze laatste niet bevredigend is; dat discussie en controle nodig is en
dat de definitiemethodes verbeterd moeten worden.
 Wijsgeren hebben de al verworven resultaten van wetenschappen in
hun denken geïncorporeerd. Wat hen van wetenschapsmensen
onderscheidt is dat zij, ondanks de methodische tekorten, telkens
opnieuw de totaliteit van vragen blijven stellen.
 Ze gaan streven naar rationaliteit; rationeel denken.
 In de brede wijsgerige zin van het woord is de rationele benadering
gekenmerkt door de eis betrouwbare antwoorden te zoeken op alle
vragen of zo dicht mogelijk te benaderen (wetensch. versoepelen)
→ Wijsbegeerte, rationaliteit in brede zin, heeft dus voor op de wetenschap
dat de totaliteit van de grote vragen wordt gesteld, maar daardoor moet de
betrouwbaarheid van de antwoorden enigszins in gedrang komen!!
-7-
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
3. De experimentele methode
a. Inleiding


Aristotoles: legde de nadruk op de rol van de ervaring als bron van kennis.
Maar in zijn ogen is ervaring (empeira) niet gepland,: ze denken dat men
vanzelf ondervinding opdoet, door voldoende lang te leven.
Samenvattend kan men zeggen dat de Oudheid en de Middeleeuwen
methodologisch in grote mate door Aristoteles bepaald werden en ons een
aantal juiste observatiegegevens bezorgd hebben; maar daarnaast werden
theorieën vooropgesteld die totaal verkeerd waren en niet getoetst.
De Griekse wiskunde (de systematische wiskunde) zorgde voor het
ontstaan van enkele exacte theorieën van natuurwetenschappelijke aard:
astronomie, statica, hydrostatica en begin van optica.
Deze theorieën bevatten algemene wetten die toelaten te voorspellen wat
zich in een groot aantal particuliere gevallen zal voordien. Doordat deze
wetten in een coherente axiomatische theorie worden afgeleid bieden ze
ook een verklaring voor deze fenomenen.
We stellen vast dat deze theorieën wel interne limieten vertoonden. Deze
theorieën geven dan ook geen aanleiding tot een verdere expansie van de
natuurwetenschap.
b. De wetenschappelijke revolutie
De experimentele methode heeft een explosief en een cumulatief karakter.



De nieuwe werkwijze is niet het gevolg van het voorafgaandelijk uitdenken
van een nieuwe methodologie. Hij is ontstaan door de nieuwe problemen,
theorieën en experimenten sinds de 1e studies van Galilei.
De grondslag van de experimentele methode ligt in de Archimedische
werkwijze (= de neiging om wiskunde toe te passen op fysische
problemen).
Dit werd succesvol gedaan door Galilei in de mechanica (= probleem van
de val en de worp). Maar hier kan het mathematisch model niet op een
intuïtieve manier ontstaan (te complex). Daardoor moeten de resultaten aan
de feiten worden getoetst. Dit betekent dat de ‘Archimedische werkwijze’,
zodra ze op de mechanica wordt toegepast, de onderzoeker bijna vanzelf
tot de experimentele methode dwingt. Daardoor komt men tot het besefs
dat het verificatieaspect van even groot belang is als het wiskundige.
c. Kennistheoretische reflectie op de Nieuwe Methode
1. Deze nieuwe methode heeft 2 karakteristieken:
- een wiskundige theorie: biedt een formulering van de relaties ts de grootheden
- experimenten: die bij benadering moeten beantwoorden aan de waarden die door
de wiskundige wet werden voorspeld.
-8-
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
Men heeft lang geredetwist over wat nu het essentiële is van de theorie. Het heeft
lang geduurd voor men het experiment als evenwaardig ging aanzien tov het
wiskundige (Boyle was daarin de eerste).
2. Ook vroeg men zich af waar de bewijskracht van de theorie lag.
Dit is een vraag die nog niet definitief is opgelost.
Het zekerheidskarakter van een wetenschap berust op haar kwetsbaarheid: als de
theorie fout is dan is dat gemakkelijk vaststelbaar.
d. Het nieuwe wereldbeeld
Rond de 17de eeuw ontstaat er een nieuwe mentaliteit. Deze mentaliteit ontstaat uit
de overtuiging dat men een nieuwe methode (New Learning) heeft ontdekt om
kennis te verwerven. Dit uit zich vooral in de rede. Tevens ontstaat er een afkeer
tov het middeleeuwse denken en tov opvattingen die niet op eigen onderzoek maar
op autoriteit zijn gebaseerd. Vanaf nu moet de wetenschap zich bezighouden met
onze ervaarbare wereld. Deze nieuwe denkwijze werd voor het eerst verwoord in
het werk van Francis Bacon: Novum Organum (naam boek Aristoteles).
Dit alles resulteert in een dubbele verandering in de wereldvisie

Van een gesloten naar een open wereldbeeld:
In de middeleeuwen werd het heelal beschouwd als een bol waarbinnen
zich concentrisch andere bollen bevonden. Het centrum daarvan was de
aarde (geocentrisme). Ales in de wereld had een vaste plaats: de sterren, de
zon, de aarde… De mens bevond zich in het centrum maar was opgesloten
in het ondermaanse. Deze gesloten hiërarchie van sferen werd als positief
aanzien. Men sprak over de ‘hiërarchie der sferen’.Ongetwijfeld was er een
analogie tussen dit wereldbeeld en het statische mens- en
maatschappijbeeld van die tijd.
Door ontwikkelingen in de 16de eeuw werd dit gesloten wereldbeeld
opengebroken:



In 1543 door Copernicus met revolutionibus orbium caelestium:
het heliocentrisme met de zon als centrum, de sfeer van sterren
blijft bestaan.
In 1583 door Bruno met zijn De l’infinito: het heelal is oneindig
met een oneindig aantal zonnestelsels. De mens is het middelpunt
en is een onooglijk stipje. Deze gedachten moest Bruno echter
bekopen met de brandstapel. Later bewezen Galilei en Kepler deze
visie.
Van een ‘bezield’ naar een mechanisch universum:


Deze open wereld werd gedemythiseerd en gemechaniseerd door de
nieuwe fysica van Galilei.
Newton (1687): verklaarde zowel de aardse als de hemelse
verschijnselen met dezelfde wetten.
-9-
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske

Descartes (1596-1650): alle processen in de materiële wereld
konden door middel van mechanica worden verklaard. (zie site
slides!)
Vesalius (1543): “Dehumani corporis fabrica”: creëerde een nieuwe
mensvisie: met zijn lichaam behoort hij tot de mechanische wereld,
met zijn geest is hij in staat de wereld te begrijpen en eventueel te
veranderen. Dit is de grond van de menselijke rede. (zie site slides)
Harvey(1628): (zie site slides)



Van uitzonderlijk naar een schakel in de evolutie:


Darwin (1858): On the origin op species
Freud (20ste eeuw)
Hoofdstuk 4: Driemaal is scheepsrecht: verklaringen in de sociologie, antropologie en de
psychologie
1. Norbert Elias’ theorie van het civilisatieproces: causale verklaringen
a. Inleiding
Norbert Elias probeert in Über den Prozess der Zivilisation de
langetermijnsverschuiving van het gedragstandaarden in een bepaalde richting
te verklaren. Deze verschuiving noemen wij ‘civilisering’ en gebeurt in het
Westen tussen de 8ste en de 20ste eeuw.
Methode: etiquette- en opvoedingsboekjes
b. Een voorbeeld: tafelgewoonten
Zie boek..
c. Constanten in het civilisatieproces

Verlaging pijnlijkheidgrens
Zowel bij diegenen die de gedragingen waarnamen als bij diegenen
die zich niet aan de standaarden konden houden nam het
schaamtegevoel toe. Het zien, ruiken, horen en aanraken van
lichaamsproducten werd voortaan als pijnlijk ervaren. Die taboeëring
strekte zich gaandeweg ook uit over de taal. Zo ontstond de ‘Bann
des Schweigens’ of verhullende en wetenschappelijke taal (vb. penis).

Achter de coulissen plaatsen
Alles wat herinnert aan de biologische herkomst van de mens werd
verlegd achter de coulissen van het maatschappelijke bestaan (vb.
mensen eten dieren, naakt werd uit de publieke sfeer gebannen,…).
- 10 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske

Individualisering
Er trad individualisering op (vb. individuele bedden, lepels,…)
d. Ruimere samenhang en verklaring
Volgens Elias worden deze tendensen verbonden met een toenemende
rationalisering en psychologisering van de maatschappelijke interactie.


Rationalisering: het proces waardoor mensen leren hun directe
impulsen te temperen, aan te passen, en te berekenen op de verwachte
reacties van anderen.
Psychologisering: het proces waardoor men meer aandacht krijgt voor
de verborgen motivaties, verlangens en intenties achter de open
gedragingen van zichzelf en van anderen.
→ Deze processen gaan samen met de toenemende ‘vervlechting’ van
het sociale weefsel, dwz dat men meer en meer zijn psychische en
manifeste gedragingen gaat afstemmen op die van anderen.
→ De verschuiving in de gedragsstandaarden komt eerst tot stand als
gevolg van de Fremdzwang (dit betekent dat jij gedwongen wordt door
een vreemde om je aan bepaalde standaarden te houden). Later zal die
Fremdzwang omslaan in Selbstzwang (dit betekent dat je jezelf
opdraagt om je aan bepaalde standaarden te houden).
e. De staatsvorming

Elias verklaart het civilisatieproces aan de hand van het basisbegrip
vervlechting. Hieronder verstaat hij een ordeningspatroon dat ontstaat
door de wijze waarop individuen met elkaar interageren.
Elias heeft hiervoor een causale verklaring: de differentiatie van de
maatschappelijke functies verklaard naar zijn mening de differentiatie
van het psychisch apparaat. (de maatschappij gaat zijn veranderingen
opleggen aan elk individu die tot die maatschappij behoort). Dit noemt
men het proces van staatsvorming.
 Volgens Elias heeft de toenemende vervlechting te maken met de strijd
om de belangrijkste machtsbronnen. Daarom staat centraal in het
civilisatie proces het ‘koningsmechanisme’. Dit kent meerdere fases:

Fase van de vrije concurrentie: er staan meerdere eenheden
naast elkaar, allen ongeveer even sterk, die wedijveren om de
maatschappelijke machtsbronnen.

Fase van de monopolistische gebonden concurrentie: er blijven
na cumulaties slechts enkele sterke concurrenten over. Meer en
meer gaat men over naar een monopolie (gecentraliseerde staat).
De kleinere machten (adel) moet nu om zijn macht uit te
bereiden in de gunst staan van de monopolist (koning). Dit zorgt
voor spanningen (tussen de adel) die leiden tot een netwerk van
- 11 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
wederzijdse afhankelijkheid, wat zich uit in psychologisering en
rationalisering.


Fase van de functionele democratisering: door de
monopolisering van de macht wordt het wel onmogelijk om nog
langer het hele mechanisme te beheersen. Daarom zal de
centrale figuur de macht moeten delen, waarvan een functionele
democratisering het gevolg is. Dit leidt tot de afname van
machtsverschillen. De afnemende machtsongelijkheden vertalen
zich dan in de veralgemening van de Selbstzwänge.
Elias probeert ook modellen en ontwikkelingswetten te formuleren om
het civilisatieproces te kunnen verklaren.

Model: dit is een voorbeeld dat toelaat de belangrijkste relaties
tussen de componenten van een proces vast te leggen
 Ontwikkelingswetten: deze ontstaan uit de modellen. Het is een
algemeen beginsel dat een veranderlijke relatie tussen meerdere
veranderlijken aangeeft.
 Voorbeelden van wetten en modellen:
- Centrum-periferiemodel: uitbreiding civilisatie = verhouding
tussen centrum en periferie, de periferie neemt door mimicry de
gedragsstandaarden van het centrum over
- Koningsmechanisme (model): economische voorbeeld van de
markt (concurrentie/monopolie)
- Wet van de afname van de contrasten: gevolg van de sociale
mimicry, waardoor de lagere categorieën de gedragingen van de
hogere imiteren
- Wet van de vermeerdering van de spelsoorten: steeds meer
domeinen worden aan civilisering onderworpen en er komt
ruimte voor meer gedragswijzen.
Elias tracht om, naar analogie van de natuurwetenschappen, modellen en wetten te
formuleren en causale verklaringen te construeren.
2. Marshall Sahlins en Mary Douglas: structuralisme en structureelfunctionalisme
Centraal in deze visies staat dat mensen betekenis geven aan de hen omringende
wereld. De gedachte dat mensen betekenis geven aan hun omgeving houdt in dat zij
die omgeving zien als een geheel van tekens en dat zij hun gedragingen, de
gedragingen van anderen,… zien als symbolen. Op de vraag naar wat die symbolen
verwijzen heb je verschillende visies:

Bepaalde praktijken symboliseren brede kenmerken van de sociale
structuur. Deze visie onderscheid een sociale structuur en een
symbolisch (classificatie)systeem waarbij het symbolisch systeem, de
sociale structuur ondersteunt. Dus de sociale integratie veronderstelt
een consensus (eens zijn) over de manier waarop men de werkelijkheid
ziet en interpreteert. Mensen moeten dus zienswijzen delen, willen zij
- 12 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
kunnen samenleven. Symbolische classificaties zijn indelingen van de
werkelijkheid. (cfr. mens-dier, hoog-laag, natuur-cultuur etc.)
Dit vormt de basisgedachte en is verder ontwikkeld in de richting van:

Structureel-functionalisme: dit gaat uit van de gedachte dat
symbolen moeten worden onderzocht vanuit het standpunt van
hun effecten op de sociale structuur. (cfr. Mary Douglas)

Structuralisme: de praktijken verwijzen niet naar kenmerken van
de sociale structuur, maar het is onmogelijk de betekenis van
een element te vatten, zonder het in een gesloten systeem van
betekenissen te plaatsen waarin dat element past. De betekenis
van een praktijk hangt af van haar plaats in de symbolische
structuur.
a. Marshall Sahlins: structuralisme
Hij zegt dat betekenisvolle structuren de kern en de eenheid uitmaken van
sociale systemen. Die zienswijze toetst hij op het zelfbeeld van de moderne
Westerse maatschappijen. Volgens dit zelfbeeld primeren handelen op grond
van zakelijkheid en efficiëntie op de symbolische en culturele opsmuk. Het
streven naar materiële rationaliteit kenmerkt het handelen van de homo
economicus, niet de productie van betekenis. Dit zelfbeeld is volgens Sahlins
fout → het nut van een ding is niet rechtstreeks af te leiden uit de
eigenschappen van dat ding, maar wel uit de betekenis die men hecht aan de
eigenschappen van dat ding (vb. jurk, pijp). Dus het nut van een ding hangt af
van het symbolisch systeem waarin die gebruiksvoorwerpen worden
geproduceerd.
Dit wordt toegepast op onze voedselproductie:
De kapitalistische voedselproductie is geen kwestie van louter rationaliteit.
Kapitalisme is een culturele orde die zich op een bepaalde manier manifesteert.
De productie en handel van g en d gebeurt m.a.w. in het kader van een
culturele code die definieert wat utiliteit is.
Niet de economische, ecologische of biologische factoren bepalen wat wij wel
of niet eten, maar het wordt bepaald door ons betekenissysteem (vb. hond).
Het heeft iets te maken met de symbolische waarde die aan voedsel wordt
toegekend.
Volgens Sahlins zijn er twee ordeningsbeginselen waar je dieren kan in
onderverdelen:


Nabijheid mens: naarmate een diersoort dichter bij de mens leeft, wordt
zij minder eetbaar geacht.
Binnen versus buiten: hoe dieper, hoe meer intern het vlees, hoe minder
eetbaar; hoe meer extern, hoe meer eetbaar. Sahlins gaat er hier vanuit
dat de lagere waardering van orgaanvlees te wijten is aan een taboe op
het consumeren van je diepste zelf.
→ Uit deze twee beginselen kan je afleiden dat onze
voedingsgewoonten metaforisch verbod zijn op kannibalisme.
- 13 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
Volgens Sahlins staat die symbolische logica haaks op het louter
utiliteitsdenken. Als je enkel de nutritionele waarde van eetbare goederen in
beschouwing neemt, is er geen reden om vb. orgaanvlees minder hoog in te
schatten dan spiervlees.
Besluit: symbolische systemen bepalen de gebruikswaarde van goederen en
niet de 1 of de andere materiële standaard.
b. Mary Douglas: Structureel-functionalisme
Ook Mary Douglas meent dat symbolische systemen een belangrijke plaats
innemen in de sociale wereld. Zij voegt daar wel de gedachte aan toe dat de
symbolische structuren in verband staan met de sociale structuren.
Laatstgenoemde zouden inhoud en vorm van eerstgenoemde bepalen.
De symbolische structuren hebben een functie namelijk het versterken,
beschermen en bestendigen van de sociale orde.
Douglas gaat als voorbeeld de verboden geformuleerd in Leviticus en
Deuteronomium (2 bijbelboeken) nemen. (p.53)
Volgens Douglas heeft het geen zin om elke regel apart te verklaren. Ze hebben
maar zin in een totaalconceptie van de wereld, volgens welke het volk van God
moet gescheiden blijven van andere volkeren (tweedeling).
De gedacht van heiligheid drukt zich onder andere uit in de gedachte dat het
lichaam integer en een perfect recipiënt dient te zijn. Vanuit die logica kan men
begrijpen dat wat het lichaam zelf af- of uitstoot onrein wordt bevonden.
De tweedeling tussen integere en niet-integere dingen passen de joden toe op
hun wereldvisie, zei verdelen de wereld in drie: aarde, water en lucht.
Om een verbod te verklaren moet je de symbolische structuur terugvinden. In
tegenstelling tot Sahlins meent Douglas dat men die structuren op het diepere
niveau zelf nog eens kan verklaren door de symboliek te relateren aan de
sociale structuren.
De sleutel van deze logica is de tegenstelling tussen de dingen binnen en buiten
de goddelijke alliantie (vb. opvattingen over de lichamelijke perfectie en alles
wat het lichaam afstoot wordt als onrein gezien zoals menstruatiebloed,…).
Deze opvattingen over reinheid en onreinheid dienen als analogieën om een
algemene gedachte van sociale orde uit te drukken. Zij symboliseren
kenmerken van de sociale structuur die door de leden van die sociale structuur
bijzonder relevant worden geacht.
Telkens weer merkt men dat allerlei groepen de sociale structuur projecteren
op het menselijke lichaam. Alle lichaamsproducten worden ‘gevaarlijk’
bevonden en omringd met bijzondere voorzorg. De lichaamsopeningen zelf
worden ook als punten ervaren waarlangs het lichaam gemakkelijk kan worden
gekwetst of ondermijnd.
Waar Sahlins en het structuralisme het houden op de autonoom verklarende kracht
van symbolische systemen, voert Douglas een andere gedachte aan: symbolische
systemen vormen gehelen die je vanuit een betekenisrelatie moet benaderen. Maar op
een dieper niveau ligt de sociale structuur aan de basis van de symboliek. Zij voert
twee soorten verklarende relaties aan:
- 14 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske


Symbolische systemen zijn functioneel voor het verdere bestaan van de
sociale structuur: de symbolische systemen zijn er om de sociale
structuur te bestendigen. Dit noemt men functionalistische
verklaringen.
Symbolische systemen worden veroorzaakt door de sociale structuur
door analogische overdracht. Dit is een causale verklaring.
→ Conclusies uit deze drie verklaringen:

De hypothesen lopen sterk uiteen





Elias: vervlechtingsdynamiek (de scheiding tussen het Es, het
Ich en het Über-Ich wordt sociaal veroorzaakt)
Sahlins: eenheid van betekenissystemen (verwijst net zoals
Douglas naar symbolische systemen)
Douglas: sociale functionaliteit
Freud: bestaan van het onbewuste (hij gaat uit van een
onveranderlijke psychische structuur die het gedrag bepaald)
Verklaringswijzen lopen sterk uiteen:




Elias: causaal
Sahlins: unifiërend
Douglas: functionalistisch (soort causale verklaring)
Freud: causaal en unifiërend
3. Economie: welk soort verklaringen
i.
Modellen?
(= een voorbeeld dat toelaat de belangrijkste relaties tussen de
componenten van een proces vast te leggen)
of
(=een geheel van simplifiërende vooronderstellingen mbt een bepaald
werkelijkheidsdomein)
Wiskundige modellen spelen een heel grote rol in de economische
wetenschap.
Modellen laten voorspellingen toe over werkelijkheidsdomeinen en/of
geven verklaringen voor gebeurtenissen in dat werkelijkheidsdomein.
Sommige auteurs nu proberen de ‘economie’ inhoudelijk te definiëren ,
m.a.w. door te zeggen wat economie bestudeert: enkele voorbeelden:
L. Robbins
“ the forms asumed by human behaviour in disposing of scarce means”
“the science which studies human behaviour as a relationship between
ends an scarce means which have alternative uses”
J. Craven:
- 15 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
“Economics is the study of the methods allocating scarce resources and
distributing the product of those resources, and the study of the
consequences of these methods of allocation and distribution.”
Samuelson en Nordhaus:
“Economics is the study of how people and society choose to employ
scarce resources that could have alternative uses in order to produce
various commodities and to distribute them for consumption, now or in
the future, among various persons and groups in society.”
Volgens Gary Becker baseert de economische wetenschap haar
verklaringen en voorspelling op enkele typische simplifiërende
vooronderstellingen. Hij vermeldt de volgende:
o Actoren gedragen zich maximaliserend
Zij maximaliseren een bepaalde waarde in functie van de
verwachte waarde opgeleverd door de alternatieven Z1 ….. Zm.
o De vooronderstelling van het marktevenwicht
Er bestaan markten die de gedragingen van de deelnemers
coördineren.
o De vooronderstelling van stabiele functies
Preferenties van actoren veranderen niet substantieel in de tijd.
ii.
Experimentele wetenschap?
Normaliter leiden economen uit hun modellen voorspellingen af, die zij
dan proberen te toetsen aan de realiteit. Elke bevestiging leidt tot de
overtuiging dat de uitgangsveronderstellingen correct waren en dat het
werkelijk gedrag van mensen kan worden verklaard op grond van die
veronderstellingen.
Gewoonlijk is de economie geen experimentele wetenschap.
iii.
Betekenissen
Volgens Sahlins heeft de hedendaagse economie geen oog voor de
symbolische systemen waarbinnen de ‘gebruikswaarde’ wordt bepaald.
Dit klopt niet volgens Hayek en Steedman.
Volgens Hayek moet een coherente verklaring voor het gedrag van een
actor gebeuren in termen van de betekenissen die de actor geeft aan zijn
handelingen.
Steedman voegt daaraan toe dat de goederen en diensten die relevant
zijn voor het begrijpen van de V of het A van een individu niet
- 16 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
uitsluitend kunnen worden beschreven in een fysicale of chemische taal.
Mensen vragen voor hun fysiologische behoeften niet naar voedsel
maar naar wat volgens hen geldt als voedsel, men moet dus ook de
sociale praktijken kennen waarbinnen ze worden gebruikt.
Sahlins schrijft ten onrechte de stelling toe dat ‘nut’ een ‘materiële’
eigenschap zou zijn van dingen. Nuttige dingen hebben wel een
materiële drager, maar wat hen nuttig maakt, zijn de menselijke doelen
waarbinnen de vormen van die dingen betekenis krijgen.
Maar Sahlins heeft wel gelijk als hij zegt dat economen zich meestal
niet afvragen waar de preferentie-ordeningen van individuen vandaan
komen en dat zij utiliteiten als gegeven beschouwen.
Sahlins valt het naïeve beeld van de sociale actor als max.
utiliteitsgericht aan .
We besluiten dat de economie een wetenschap is die zich bezighoudt
met de sfeer van de betekenisgeving.
iv.
Wetten? Causale verklaringen?
(= een algemeen beginsel dat een onveranderlijke relatie tussen
meerdere veranderlijken weergeeft)
Zo komen er ook heel wat wetten voor in de economie:
Wet van het dalende grensnut:
Het meerdere nut dat men verwerft door de laatste eenheid van een
geconsumeerd goed wordt steeds geringer.
 actoren verkiezen bundels van g en d die variëteit bezitten
Wet dalende vraagfunctie
Als de prijs van een goed stijgt zal er minder van dat goed w gevraagd.
De substitutiewet
Hoe schaarser een goed, hoe groter zijn relatieve substitutiewaard; zijn
marginale waarde stijgt in relatie tot de marginale waarde van het goed
waarvan minder wordt gevraagd.
De wet van de maximalisering van de utiliteit
Een actor maximaliseert zijn totale utiliteit als de verhouding tussen de
marginale waarde van om het even welke 2 gegeven goederen gelijk is
aan de verhouding tussen hun prijzen.
 utiliteit = maar voor bevrediging (satisfaction) uit de C van een
pakket g en d
Dergelijk wetten drukken een vast verband uit tussen meerdere
veranderlijken. De wetten van de economie zijn afhankelijk van de
betekenisgeving.
Max Weber betoogt dat de begrijpende verklaring de causale niet
uitsluit maar zelfs noodzakelijk aanvult. Volgens Weber heeft de
economie iets te maken met middel-doelrelaties. (def L Robbins)
Volgens Weber is die relatie tussen doelen en middelen perfect
toegankelijk voor wetenschappelijk onderzoek.
- 17 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
Men kan dit doelgerichte handelen echter ook causaal gaan
interpreteren. Een doel is de voorstelling van een effect, waarbij de
voorstelling de oorzaak van een handeling kan worden.
Maar die ‘wetten’ helpen je alleen om in specifieke gevallen beter de
causale bijdrage van een handeling te begrijpen.
Maar het opstellen van wetten is in de cultuurwetenschappen niet het
doel van het wetenschapsbedrijf. Dit alles impliceert niet dat de
resultaten van de cultuurwetenschappen ‘subjectief’ zijn, in die zin dat
zij voor de ene persoon wel en voor de andere niet geldig zouden zijn.
v.
Het onbewuste?
De economie veronderstelt op een of andere manier onbewuste
motivaties. De vraag of mensen zich al dan niet bewust zijn van de
determinanten van hun keuze laat zij meestal terzijde.
Men moet wel aannemen dat een flink deel van het menselijk gedrag
onbewust verloopt, dus de economie gaat er wel van uit dat onbewuste
handelingen mogelijk zijn.
Hoe is niet de vraag van de econoom, wel van de psycholoog.
vi.
Functionele verklaringen?
Er komen functionele verklaringen voor in de economie, maar ze zijn
overbodig doordat er een zekere tendens is naar wat men noemt microreductie: macro-verschijnselen worden dikwijls gereduceerd tot het
samenspel van individuele micro-beslissingen en micro-handelingen.
4. Conclusie








Falsifieerbaarheid: pogingen zijn er niet of heel weinig.
Empirische accuraatheid: veel voorspellingen zijn er niet gevonden. (wel bij
Elias en misschien bij Douglas)
Bereik: klein bereik.
Coherentie: de onderlinge theorieën zijn onderling behoorlijk tegenstrijdig.
Eerlijke tests: nauwelijks.
Onafhankelijke tests: nauwelijks.
Kruistests: niet
Formele kracht: niet
→ Dit betekent niet dat er geen menswetenschappen mogelijk zijn. Wel dat hun
kennisstatuut en –aanspraken niet meteen evident zijn.
Hoofdstuk 5: Logica en denkpsychologie
1. De axiomatische methode ????
De methode van de deductie houdt in dat je als je een formele redenering tegenkomt,
met daarin ‘p → q’ en ‘p’, je dan tot q mag besluiten, wat het pijltje ook betekent. Dit
- 18 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
noemt men afleiden. Afleiden is in essentie een kwestie van syntax, maw van
vormkenmerken van tekencombinaties. De procedure loopt in vier stappen:

De keuze van een aantal ‘primitieve’ tekens:
P, q, r…: veranderlijken voor proposities
-, v, ., →, ↔, (,)

Definitie van regels voor het vormen van Well Formed Formulas:



Elke eenvoudige letter is een WFF.
Het teken – gevolgd door om het even welke WFF is een WFF.
Een open hakje gevolgd door een WFF gevolgd door één van de
tekens ., v, →, ↔, gevolgd door en andere WFF gevolgd door
een gesloten haakje is een WFF.
Uit deze regels kan je besluiten of een opeenvolging van tekens een
juiste tekencombinatie heeft (maw of de opeenvolging de juiste syntax
heeft)

De keuze van axioma’s, dit is een klein aantal basiscombinaties waaruit de
andere kunnen worden afgeleid:





(p v p) → p
q → (p v q)
(p v q) → (q v p)
(p v ( q v r)) →(q v ( p v r))
(q → r) → ((p v q) → (p v r)
Door die axioma’s worden een aantal tekens impliciet gedefinieerd.
Maar je hoeft die interpretatie niet te maken om de axioma’s correct te
kunnen hanteren. Dat gebeurt namelijk door:

De keuze van een aantal afleidingsregels die toelaten uit de axioma’s andere
WFF’s af te leiden:



Een regel voor de ‘substitutie van variabelen’ die toelaat een
variabele te vervangen door een andere, op voorwaarde dat de
vervanging consistent gebeurt door de hele formule heen.
Een regel voor de afleiding die stelt dat uit p → q en p, q mag
worden afgeleid.
Een regel voor de ‘substitutie bij definitie’ die toelaat om een
formule te vervangen door een andere formule die er equivalent
mee is. Door deze regel wordt een aantal tekens expliciet
gedefinieerd.
Hoofdstuk 6: Psychologie van de regelovertreding
1. De Milgram-experimenten (Obedience to Authority)
- 19 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
Onmiddellijk na WOII had men het racistische geweld tov joden in verband gebracht
met een autoritaire persoonlijkheidsstructuur. (cfr The Authoritarian Personality)
De bevindingen van Milgram toonden eveneens een verband aan tussen de bereidheid
tot geweldpleging en de persoonlijkheidsstructuur, maar het verband was zwakker dan
verwacht. Bovenal bleek het belang van situationele factoren.
Milgram maakte bij zijn experimenten gebruik van de experimentele methode: die
bestudeert het menselijk gedrag in het kader van gecontroleerde
laboratoriumexperimenten door:




Isolering van het te bestuderen gedrag: afzonderen in een laboratorium
De systematische variatie van variabelen in de situatie: de variabelen die het te
bestuderen gedrag beïnvloeden worden stelselmatig gevarieerd.
De meting van de reacties op de wijzigingen en van de wijzigingen zelf: vb. bij
de studie van de invloed van de temperatuur op de klederdracht gaat men de
temperatuur meten en de klederdracht ‘meten’.
Het verzekeren van de principiële herhaalbaarheid van het experiment: dit om
de geldigheid te toetsen.
Men gaat ervan uit dat het gedrag een afhankelijke variabele is, die wordt bepaald door
een reeks onafhankelijke variabelen. Het effect van een afzonderlijke variabele wordt
bepaald door die veranderlijke te variëren terwijl de overige worden constant
gehouden.
Experiment van Milgram: p117 e.v. + bevindingen
Conclusies:




In een autoritaire setting, waarbij gebruik wordt gemaakt van het
‘gezag’ van de wetenschappen, is de meerderheid (2/3) van de
proefpersonen bereid om zelfs tegen internpersoonlijke weerstand in,
een weerloos slachtoffer te pijnigen.
Deze bereidheid neemt af met de nabijheid van het slachtoffer.
Wanneer meerdere personen optreden als beul, draagt onenigheid
tussen die personen bij tot daling van de bereidheid tot pijniging.
Wanneer er onenigheid bestaat bij de gezagsdragers over wat de
correcte handelwijze is, valt de bereidheid om orders uit te voeren weg.
De experimenten staan voldoende dicht bij real-life situaties om voorzichtige
hypothesen over het reële gedrag toe te laten.
Men kan moeilijk ontkennen dat de Milgram situaties nogal wat kenmerken gemeen
hebben met echte autoriteitssituaties.
Belangrijke opmerkingen bij de Milgramsituatie:
 Paradox van de sequentiële handeling: Het verschijnsel dat mensen bereid zijn
om nadat zij een kleine stap gezet hebben (30 Volt) een volgende even grote
stap te zetten (30 V toevoegen) hoewel zij aanvankelijk niet bereid zouden zijn
om meteen grote stap te nemen (60V toedienen). Psychologisch mechanisme:
als men het toedienen van 30 V niet problematisch ziet moet men ook de
bijkomende 30 v als niet problematisch zien (2x even grote overtreding). Als
men de verhoogde spanning als een probleem ziet, dient men te erkennen dat
- 20 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske

ook de 1e stap verkeerd was. Je kan jezelf m.a.w. alleen witwassen door je
zwart te maken. De meeste mensen verkiezen het zichzelf als wit te blijven zijn
en gaan dus door met het zwarte handelen.
Learning by doing: door shocks toe te dienen leer je het toedienen van shocks
verdragen.
2. De Lerner-experimenten
Onderzoekshypothese van Lerner: getuigen van onverdiend lijden zullen trachten de
rechtvaardigheid in een situatie te herstellen door het slachtoffer te helpen. Als dat niet
mogelijk is, zullen zij de rechtvaardigheid in de situatie herstellen door het slachtoffer
te blameren → ze willen het geloof in een rechtvaardige wereld staande houden.
Experimenten van Lerner: p120 e.v.
Opstellingen: p121
Bevindingen: p122
Conclusies:




Als de proefpersonen geloven dat het model elektroshocks zal krijgen
beschrijven ze het als minder aantrekkelijk dan als zij dat niet geloven.
Als de proefpersonen geloven dat het model shocks zal krijgen, wordt
de martelaar sterker verworpen dan de niet-martelaar.
Als de proefpersonen geloven dat het model geen shocks zal krijgen,
dan wordt de martelaar als even aantrekkelijk, zoniet aantrekkelijker
ervaren dan de niet-martelaar.
Als de proefpersonen geloven dat het model shocks zal krijgen, maar
ook geloven dat het in hun plaats shocks krijgt en zij zich net zo goed in
die situatie konden bevinden, zal het model als aantrekkelijker worden
ervaren dan wanneer het gevoel van een mogelijk gedeeld lot niet
aanwezig is.
→ Als men een slachtoffer kan helpen zal men dat doen.
→ Als men het slachtoffer niet kan helpen, verkiest de meerderheid om het te
blameren.
→ De ervaring van verschillend-zijn is essentieel voor het accepteren van leed
aangedaan aan anderen. Anders gezegd: hoe meer men zichzelf ervaart als
gelijk aan het slachtoffer, hoe minder men geneigd zal zijn om te blameren.
Verklaringen:



De frustratie-agressiehypothese: mensen nemen wraak op het
slachtoffer voor de spanning die zij zelf ervaren bij het zien van het
lijden van het slachtoffer.
De schuldreductiehypothese: het blameren van het slachtoffer reduceert
het schuldgevoel bij de toeschouwers als ze het slachtoffer niet kunnen
helpen.
De dissonantiereductiehypothese: als je een diepe behoefte hebt om te
geloven dat iets het geval is, zal je informatie die daarmee in strijd is
negeren, bedreigende informatiebronnen vermijden en consonante
informatiebronnen opzoeken.
- 21 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske

De rechtvaardige-wereldhypothese: de meeste mensen geloven dat wij
in een rechtvaardige wereld wonen en als zij dan iemand zien gepijnigd
worden denken zij dat dit tot deze rechtvaardige wereld behoord en dat
het zijn verdiende loon is. (Waarnemingen in strijd met de rooskleurige
wereldvisie worden m.a.w. gereduceerd.)
≠ dissonantiereductiehypothese
3. Het model van Albert Bandura
Uit de Milgram- en Lernerexperimenten blijkt dat ‘normale’ mensen in bepaalde
situaties- en dit tegen hun eigen waarden en overtuigingen in – kunnen pijnigen.
Albert Bandura heeft geprobeerd om een overzicht te geven van mechanismen die
mensen gebruiken om tegen hun eigen waarden en normen te handelen. Een overzicht:




Morele justificatie: hoewel men start van de overtuiging dat iets verkeerd is,
wijzigt men de overtuiging doordat men in een bepaalde situatie komt te staan
waarin zich een morele justificatie aandient voor het foute handelen. Essentieel
voor deze justificatie is dat mensen er gehoor aan geven omdat dit hen uitkomt
en niet zozeer omdat de argumentatie hen overtuigt.
Palliatieve vergelijkingen: door het vergelijken van een voorgenomen
verkeerde daad met één die nog slechter is, overtuigt men zichzelf dat de
voorgenomen daad nog niet zo slecht is.
Eufemistische uitdrukkingen: uitdrukkingen die de zaak mooier voorstellen
dan zij is. Dergelijke uitdrukkingen dienen eerder om de buitenstaanders te
misleiden dan om de daders zelf gerust te stellen.
Verplaatsing van de verantwoordelijkheid:


In autoritaire structuren: men schuift de verantwoordelijkheid af op een
hoger geplaatste.
Men kan de verantwoordelijkheid afschuiven op een
bewustzijnstoestand (vb. dronken).

Diffusie van de verantwoordelijkheid: als men zichzelf ziet als een onderdeel
van een groter radarwerk, kan men zichzelf eveneens ontlasten van
verantwoordelijkheid.
 Het minimaliseren, negeren of verkeerd inschatten van de gevolgen van de
handelingen.
De gevolgen zien er door de ogen van de daders heel anders uit dan bekeken
door de ogen van de slachtoffers.
 Dehumanisering: mensen gaan gemakkelijker over tot het stellen van
‘problematische’ daden als zij de ander zien als geheel verschillend van
zichzelf (vb. taal, uitzicht). Dit noemt men vergroten van de psychische
afstand. Ook de fysieke afstand kan bijdragen tot het depersonaliseren en
dehumaniseren van mensen (cfr. Milgramexperimenten)
 Blameren van het slachtoffer: daders zullen het slachtoffer zelf de schuld geven
van wat hen overkomt.
4. Het verklaren van grootschalige geweldpleging
- 22 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
Browning heeft bij zijn onderzoek de leden van de politiemoordbrigade bestudeerd.
Dit waren volgens hem gewone mannen zonder echt gewelddadig verleden of
sadistische aanleg. Browning toont aan hoe die mannen het moorden leerden door het
te doen (learning by doing) en hoe sommigen zich ontwikkelden tot volleerde sadisten.
Belangrijke vaststellingen van Browning zijn:







Men trachtte de afstand tussen de beul en het slachtoffer psychisch en fysiek zo
groot mogelijk te maken.
Men dronk zich voor een moordpartij zat (ontremming).
Bij een operatie zonder officieren nam de bereidheid tot moorden af
(autoriteit).
Het belang van groepsconformisme: dit is de wil om voor de ogen van je
kameraden niet te kort te schieten.
De meesten hadden psychische problemen met het moorden maar toch deed
ongeveer 80% van de mannen mee ook al werden ze daartoe niet gedwongen.
Er was geen pre – of zelfselectie om deel te worden van deze groep. Het waren
vooral oudere mannen die ongeschikt waren voor de dienst.
De mannen keurden zelf hun gedrag af.
Eigenlijk kan men het optreden van dergelijk moordbrigades zien als een
geïnstutionaliseerde manier om de hoger vermelde ontremmingsmechanismen te
bevorderen. In gewone omgeving zullen mensen wel de neiging hebben om deze
mechanismen te gebruiken wanneer zij onder druk staan om een regel die ze zelf
aanvaarden te overtreden. Het zijn dus uitzonderingssituaties.
5. Rationeel gedrag of niet?
Uit studies blijkt dat als men weet wat een persoon vindt dat hij zou moeten doen, in
slechts 10% van de gevallen zijn gedrag kan voorspeld worden. Dus als je weet wat
volgens mensen hoort, zullen zij in 90% van de gevallen anders reageren. Dit zou men
zo kunnen zien dat de ‘diepe’ moraliteit wordt gedoubleerd door een ‘situationele’
moraliteit die onder de druk van omstandigheden aan de oppervlakte komt.
Er zijn allerlei factoren gevonden die zorgen voor meer overeenstemming tussen
‘diepe’ en ‘situationele’ moraliteit zoals opvoeding; persoonlijkheid en
levensgeschiedenis.
Sociaal psychologen zien dit gedrag van mensen in extreme situaties als
onvoorspelbaar en hun beslissingen dus als irrationeel. Men spreekt immers van
rationeel handelen, als je handelt op grond van beslissingen waarvoor je goede redenen
hebt. Toch kan me dit gedrag als rationeel beschouwen volgens Becker. Want volgens
hem is groepsconformisme rationeel gedrag. De grondgedachte van deze theorie is de
volgende: stel dat in iemands preferentieordening groepsconformisme boven het
moorden staat. Dit is al altijd zo geweest maar tot nu toe kon deze persoon deze twee
preferenties gelijktijdig bevredigen. Maar stel dat deze persoon in een situatie komt
waar dit niet het geval is dan zal hij moeten kiezen voor datgene waar hij het meeste
belang aan hecht namelijk het groepsconformisme. Dus zal de persoon rationeel voor
het moorden kiezen.
Maar de vaststelling dat de meeste politiemannen diepe crisissen doormaakten toont
aan dat er een breuk is in hun preferentiestructuur. We hebben dus te maken met
inconsistente en niet-transitieve preferentieordeningen. Ook het voorkomen van
- 23 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
“learning by doing” en de “paradox van de sequentiële handeling” is moeilijk te
verklaren vanuit de stabiliteit van de preferenties. Het lijkt er veel meer op dat de
actoren zelf hun preferenties gaan wijzigen terwijl zij leren hun weerstanden tegen hun
eigen handelswijze te overwinnen.
De zienswijze van Becker toont wel aan dat de zaken misschien niet zo gemakkelijk
liggen als men op het 1e zicht zou denken. Het leert ons echter ook iets over de
gebrekkige onderlinge coherentie van de gedragswetenschappen. De uitgangspunten
van de experimentele sociale psychologie en de economie bepalen in zeker mate of
men gedrag als rationeel of irrationeel gaat interpreteren.
Rationele actoren: contra:
- rol: situatie (wordt gekozen)
- onvoorspelbaarheid
- inconsistente preferenties: depressies, gebruik excuses
- preferentiewijziging: learning by doing
Rationele actoren: pro:
- onbewuste berekening van voordelen
- consistente preferenties op gewijzigd markt
 actor prefereert waardering door anderen
Uitroeiingskampen
 Slachtofferperspectief
- kwaad is intentioneel
- kwaad hangt samen met schadelust, sadisme
- het slachtoffer is onschuldig en goed
 Daderperspectief
- hebzucht en ambitie (indianengenocide)
- wraak en egoïsme (servische gewelddaden tegen Kroaten)
- idealisme (jodengenocide)
- plezier (5% vd gewelddaden)
Hoofdstuk 7: Sociale systemen
1. Methodologisch individualisme en holisme
De discussie tussen methodologische individualisme en holisme wordt het best
begrepen als een vraag naar de reduceerbaarheid van de wetenschappelijke taal van
een bepaald domein naar een taal van een ander domein. Maw een theorie T2 kan
slechts gereduceerd worden tot een theorie T1 als en slechts als T2 afgeleid kan
worden uit T1. Micro-reductie: de objecten van T1 zijn delen van de objecten van T2
(vb. T1 = atomen, T2 = moleculen → atomen zijn deeltjes van moleculen dus dit
geldt).
De discussie tussen methodologisch individualisten en holisten in de
maatschappijwetenschappen betreft de reduceerbaarheid van de theorie van de groepen
naar de theorie van de individuen.
 Methodologisch individualisten (leunt aan bij de economie) menen dat
sociale instituties reduceerbaar zijn tot individuele beslissingen. De
gedragswetenschappen zijn bijvoorbeeld afleidbaar tot de Rational Choice
Theorie. Stelling: Volgens de methodologisch individualisten zijn alle
maatschappelijke evoluties verklaarbaar vanuit twee zaken:
- 24 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske


De keuzepsychologie van het rationele individu
De interactiestructuur waarin dat individu kiest
Voor de analyse van situaties waar er twee kiezende personen aanwezig zijn, worden
meestal wiskundige modellen gebruikt die de individuele beslissingsprocessen
beschrijven in situaties waar de uitkomsten van die beslissingen afhangen van de
beslissingen van anderen (speltheorie). Een speciaal soort van spelsituaties zijn deze
die leiden tot zogenaamde suboptimale resultaten.
Suboptimaliteit heeft iets te maken met de zogenaamde fallacy of composition
(drogreden van de samenstelling). Hieronder verstaat men de foutieve veronderstelling
dat wat mogelijk is voor elk individu afzonderlijk in een groep, mogelijk is voor alle
leden van die groep samen (vb. opletten, volwassen gedragen; tegenvb. weigeren
taken, werkgelegenheid). In de gevallen van de tegenvoorbeelden kan zelfs
contraproductiviteit ontstaan: de aggregatie van individuele beslissingen leidt tot
resultaten die tegengesteld zijn aan wat elk afzonderlijk heeft beoogd met zijn/haar
beslissing (vb. p139).
Het methodologisch individualisme is goed verenigbaar met de uitgangspunten van de
neo-klassieke economische theorie. De economie is sterk methodologisch
individualistisch getint. (paar uitz.)

Volgens de holisten (leunt aan bij de sociologie) echter zijn de sociale
instituties niet herleidbaar tot individuele beslissingen. Men kan het holisme op
twee manieren definiëren:


Een theorie die ontkent dat de theorie van maatschappijen
herleidbaar is tot die van individuen.
Een theorie die stelt dat een maatschappij reële kenmerken heeft
die niet herleidbaar zijn tot de individuen waaruit die
maatschappij is samengesteld
2. Een gevalstudie: toegang tot het hoger onderwijs
Democratisering: verschillen tussen de objectieve kansen voor de leden van
verschillen de categorieën nemen af.

Men wil een democratisering van het onderwijs forceren door financiële
prikkels (daling van de kosten) wat zou moeten leiden tot meer toegang tot het
hoger onderwijs. Maar dit kan niet door de feiten bevestigd worden.
P. Bourdieu geeft een holistische verklaring voor de falende democratisering.
Volgens hem speelt de hele vooraf bestaande structuur van de verdeling van de
kansen een rol. Elke sociale categorie neemt in die structuur een positie in en
tendeert ernaar preferenties en subjectieve inschattingen van kansen te
ontwikkelen die objectief aangepast zijn aan haar positie.
De preferenties worden bepaald door de objectieve posities van de betrokkenen
in het economisch veld. Deze preferenties noemt men adaptieve preferenties
en zij weerspiegelen wat in feite mogelijk is voor de leden van de betrokken
groepen (vb. vos en druiven).
- 25 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
Volgens het methodologisch individualisme zou je verwachten dat zij die
kansen zouden hebben aangegrepen, tenminste als zij in staat waren om de
studies aan te vatten en als zij op de hoogte waren van de nieuw geboden
kansen. Waarom zouden ze die kansen aangrijpen? Ten eerste omdat zij als
rationele actoren met kennis van de mogelijkheden liever hoger onderwijs
volgen dan niet, ten tweede omdat de kosten voor het realiseren van de
geprefereerde optie zijn gedaald. (cfr subsidiëring)
De school wordt a priori ervaren als ‘iets dat er niet voor ons is’. Financiële
hulpmiddelen hebben wel een invloed op de feitelijke doorstroming van
kinderen uit de lagere klassen naar het hogere onderwijs, maar de effecten zijn
zo objectief klein dat zij de subjectieve verwachtingen van de betrokkenen niet
decisief beïnvloeden. De daling van de financiële kosten is m.a.w. te klein om
de perceptie van de haalbaarheid te wijzigen. Ze gaan zichzelf diskwalificeren
voor het hoger onderwijs.
Je moet in de lagere klassen goed presteren in het secundair om een kans te
maken om door te stromen naar het hoger onderwijs. Terwijl de hogere klassen
in ieder geval gaan.
 De studiekeuze daarentegen kan dan weer perfect verklaard worden aan de
hand van het methodologisch individualisme. De leden van de lagere klassen
gaan bij hun studiekeuzes nu meer risico’s durven nemen door de dalende
financiële kosten. Daarvoor moesten ze er zeker door zijn, nu kunnen ze zich
een misstap permitteren. De dalende kosten hebben gezorgd voor een
verschuiving van het evenwicht tussen V en A.
Maar ook op de studiekeuze bestaat een holistische kijk. Letteren en
wetenschappen eisen namelijk ‘schools succes’ voor het toekomstig
beroepsleven, terwijl geschiedenis en rechten dit niet eisen zij eisen vooral
sociaal en economisch kapitaal. Dus gaan mensen uit de lagere klassen voor
het eerste kiezen en de rijkere voor het tweede.
Een belangrijke opmerking is nog dat de grens tussen holistische en methodologisch
individualistische benaderingen niet scherp kan worden getrokken. Er is namelijk nog
een tussenvorm: de interactionistische benadering. Die gaat noch uit van de
reduceerbaarheid van maatschappelijke verschijnselen tot individuele keuzen, noch
van het bestaan van zelfstandige groepskenmerken. Zij neemt aan dat de sociale
werkelijkheid een relationeel bestaan heeft: het zijn niet de individuen die de basis
vormen van de maatschappij maar de relaties tussen individuen.
(Vb. p142- 146)
3. De dynamiek van sociale systemen: enkele modellen
Er is een verschil tussen evolutie en vooruitgang. Het begrip evolutie slaat op een
veranderingsrichting, terwijl het begrip vooruitgang slaat op een gewenste
veranderingsrichting.
Sommige theorieën focussen zich op de determinanten zelf; andere op de
evenwichtstoestanden. Vandaar:

Evenwichtstheorieën: hier staat het begrip homeostasis centraal.
Een homeostasis of evenwichtstoestand is een toestand waarbij
de elementen van het systeem in zo een onderlinge staan d at
kleine wijzigingen in één van de elementen worden gevolgd
- 26 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
door wijzigingen in de andere elementen, zo dat het effect van
de oorspronkelijke verandering wordt tenietgedaan. Dit
evenwicht kan statisch (niveau van het evenwicht blijft gelijk)
of dynamisch(niveau verschuift) zijn vb. algemene
systementheorie, menselijk-ecologische benadering,…
Veranderingstheorieën: hier legt men de nadruk op de
verandering zelf en zien die verandering als inherent in elk
sociaal systeem.

De bekendste zijn:
1) algemene systementheorie van Talcott Parsons
2) menselijk-ecologische benadering
(p. 148)
a. Karl Marx: economisch determinisme
i.
Leven en werk (Trier 1818, Londen 1883)











ii.
Zoon van een Joods advocaat
Studeerde in Bonn en Berlijn
Liberaal
1842: journalist Rheinische Zeitung
1843-1844: na het verbod op de Zeitung: Parijs
kennismaking met de Engelse economisten; Franse
communisten en anarchisten
1846: Brussel
1848: Manifest van de communistische partij
Vlucht Londen
1864: medestichter Eerste Nationale
1867 Das Kapital
Algemeen overzicht

Het dialectisch materialisme
Volgens Marx is de wereld in ontwikkeling. Deze visie op
ontwikkeling heeft hij gekopieerd van Hegel.
Marx ziet de ontwikkeling als evolutie van de materie. Hij
noemt zich dus materialist maar neemt daarbij duidelijk afstand
van wat hij het ‘vulgair materialisme’ noemt: de opvatting dat de
werkelijkheid zou kunnen verklaard worden door middel van
louter mechanische, fysische wetten. Grondslag: opvatting dat
de dialectiek hierin een decisieve rol speelt. De werkelijkheid
kent geen continue evolutie, maar maakt discontinue overgangen
mee die het resultaat zijn van de conflictwerking tussen
contradictorische krachten. Kwantitatieve verandering resulteert
immers herhaaldelijk in kwalitatieve sprongen.
- 27 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske

Het historisch materialisme
Het basis principe is dat verandering en ontwikkeling van de
maatschappij gebeurt op grond van objectieve wetten.
Zijn voornaamste stelling van zijn historisch materialisme is: “in
de maatschappelijke productie van hun leven treden mensen in
bepaalde, noodzakelijke, van hun wil onafhankelijke
productieverhoudingen die aan een bepaalde ontwikkelingsfase
van hun materiële productiekrachten beantwoorden. Het geheel
van deze productieverhoudingen vormt de economische
structuur, de reële basis, waarop zich een juridische en politieke
bovenbouw verheft en waaraan bepaalde bewustzijnsvormen
beantwoorden. De productiewijze van het materiële leven
conditioneert het sociale, politieke en geestelijke levenspatroon
in het algemeen, hun maatschappelijk zijn dat hun bewustzijn
bepaalt.”
Men herkent hierin het klassiek geworden onderscheid tussen
infrastructuur en superstructuur (bovenbouw).
Volgens Marx is dus het essentiële wat de mens van de dieren
onderscheidt het feit dat hij zijn bestaansmiddelen produceert.
De wijze waarop dit gebeurt, heeft tot gevolg dat er welbepaalde
sociale relaties ontstaan (vb. arbeidsverdeling). Dit geeft
aanleiding tot instituties en bepaalde wijzen van
conceptvorming.
Wanneer zich grondige veranderingen in de productie voordoen,
zullen automatisch andere sociale relaties daar het gevolg van
zijn en naderhand dan ook andere instituties en andere
denkbeelden. Hieruit mag men wel niet besluiten dat Marx de
relatie tussen de infrastructuur en de superstructuur uitsluitend
zag als eenrichtingsverkeer. Wel denkt dat hij dat de
ontwikkeling van de productieverhoudingen uiteindelijk
doorslaggevend. Toch is hij overtuigd dat ideeën, instituties,
enz. de ontwikkeling in belangrijk mate kunnen versnellen of
vertragen.

De economische theorie
De grondslag van deze theorie is de opvatting over de waarde
van economische goederen. Een goed heeft een gebruikswaarde
als het menselijke behoeften bevredigt maar ze behoort pas tot
het economisch proces wanneer zij ook een ruilwaarde heeft.
Wanneer goederen dezelfde ruilwaarde hebben zij iets
gemeenschappelijk. Volgens Marx is dit gemeenschappelijke dat
ze een product zijn van menselijke arbeid. Als kwantitatieve
maatstaf voor de waarde van een economisch goed stelt Marx nu
de maatschappelijk gemiddeld noodzakelijke arbeidstijd die erin
bevat is. Dit noemt men de arbeidswaardetheorie.
In een kapitalistisch maatschappij is arbeid een economisch
goed. De arbeider is verplicht om zijn arbeidskracht te verkopen
- 28 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
aan de kapitalist omdat dit het enige goed is waarover hij
beschikt. De kapitalist betaalt voor deze arbeidskracht alleen de
waarde die hier ook bepaald wordt door de arbeidstijd
gemiddeld nodig voor de productie ervan.
De arbeidskracht wordt hoofdzakelijk geproduceerd door
bestaansmiddelen. De waarde van de arbeid wordt dus bepaald
door de arbeidstijd die nodig is om deze bestaanmiddelen te
produceren. Echter naarmate de productiviteit stijgt, zou de
arbeider een kleiner aantal uren moeten werken om zich in zijn
levensonderhoud te voorzien. De kapitalist slaagt er echter in om
de arbeider een groter aantal uren dan nodig te doen werken. Zo
wordt door de arbeider een meerwaarde gerealiseerd die door de
kapitalist wordt toegeëigend. Dit noemt men de uitbuitings – of
exploitatietheorie.
Doordat de waarde van een goed bepaald wordt door de
maatschappelijk gemiddeld noodzakelijke arbeidstijd, zullen de
kapitalisten de productiviteit van hun arbeidsproces opdrijven,
want wie boven het gemiddelde werkt, verwerft een
marktvoordeel. Dit leidt tot een productiviteitsstrijd, die zich uit
in een verhoogde concentratie van het kapitaal(machines).
Omdat de meerwaarde voor de kapitalist gerealiseerd wordt op
de rug van de arbeid en de aanbreng van deze arbeid steeds
geringer wordt moet de winstmarge op lange termijn dalen (dit
kan tegengegaan worden door verhoogde uitbuiting zoals
kinderarbeid). Maar hierdoor zal het kapitalisme zijn eigen basis
ondergraven en dit zal uitlopen in een structurele crisis.
Dit hangt samen met de zogenaamde wet van de dalende tendens
op de winstvoet. Merk op dat dit verenigbaar is met een stijging
in absolute term van de winst.
Het gevolg hiervan is dat de zwakkere kapitalisten opgeslokt
zullen worden door de sterkere waardoor er steeds minder
kapitalisten zijn. Dit leidt tot een vergroting van de tegenstelling
tussen de kapitalisten en de maatschappij zelf. Een groot deel
van de bevolking heeft een zo danig klein inkomen dat zij zich
geen goederen meer kunnen permitteren (koopkracht
gereduceerd tot minimum) wat zal leiden tot overproductie en
crisissen. Wat leidt tot de ineenstorting van het kapitalistisch
systeem.
Na de ineenstorting van het kapitalisme ontstaat er een periode
van socialisme waarin de productiemiddelen worden beheerd
door de staat. Uiteindelijk mondt dit uit in een klassenloze
communistische maatschappij, waarin de staat verdwenen is en
de productiemiddelen door samenwerkende gemeenschappen
worden beheerd.
Door deze reële bevrijding zal ieder mens zijn fysische en
intellectuele gaven optimaal kunnen ontplooien.

De wijsgerig-humanistische theorie
- 29 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
Marx bestudeert de ellende van het proletariaat niet louter als
een historisch gegeven, maar hij keurt het ook af op morele
gronden. De filosofische fundering van deze waardebelevingen
komt echter hoofdzakelijk in zijn eerste geschriften naar voor,
namelijk in de theorie van de vervreemding of aliënatie.




iii.
Vervreemding met betrekking tot de arbeid bestaat
hierin dat het voorwerp dat door de arbeider wordt
geproduceerd, tegenover hem komt te staan als een
vreemd wezen, als een macht die van hem nu
onafhankelijk is geworden.
De arbeid als activiteit vervreemd: gedwongen arbeid
leidt tot fysieke uitputting en geestelijke verdwazing.
De vervreemding van de medemens: alleen de
menselijke relatie tussen de arbeider en zijn
verdrukker blijft over.
Economische vervreemding is hier belangrijk.
Andere vormen, zoals de religieuze vervreemding
zijn daar een gevolg van en spelen zich hoofdzakelijk
in het bewustzijn af.
Opmerkingen





Het is moeilijk om bij Marx’ dialectisch materialisme het
idealistisch wereldbeeld van Hegel om te zetten in een
materialistisch wereldbeeld en toch vast te houden aan een
dialectisch ontwikkelingsproces.
Historisch materialisme: het is een definitieve verworvenheid
dat men bij elke totaalbeschrijving van een maatschappij de
relaties moet onderzoeken tussen de economische infrastructuur
en de superstructuur van institutionele en ideologische aard.
Een belangrijk deel van de economische theorie staat en valt bij
de arbeidswaardentheorie. Het probleem is dat een precieze
definitie en afbakening van het begrip ‘arbeid’ niet duidelijk is.
Naarmate het belang van de machines groter wordt, naarmate
bovendien in het productieproces de rol van de informatie
uitbreiding neemt, wordt dit definitieprobleem ingewikkelder.
Daarnaast stelt zich het probleem van de heterogeniteit van
arbeid: het is niet evident dat de verschillende soorten arbeid
herleidbaar zijn tot een waardefactor, namelijk tijd.
Een ander probleem is dat de uitbuitingstheorie is gebaseerd op
de arbeidswaardetheorie. Een andere benadering (speltheorie)
houdt rekening met de hetereogeniteit van de arbeid. Marx gaat
uit van de impliciete veronderstelling dat iedereen gelijke
eigendomsaanspraken kan maken en dus berust op een ethische
opvatting over wie welke eigendom verdient.
Een positief punt is dat er redelijk nauwkeurig voorspellingen
zijn over de verdere ontwikkeling van de maatschappij.
- 30 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
De wetenschappelijke ernst van de theorie wordt echter
aangetast door diegenen die niet willen toegeven dat de
voorspellingen van Marx in enkele belangrijke punten niet zijn
uitgekomen. De wetenschappelijkheid van zijn economische
theorie blijkt uit het feit dat ze op verschillende punten werd
weerlegd.
 Het historische materialisme heeft een onmiskenbaar holistische
bijklank. De economische theorie van Marx is echter perfect
formuleerbaar in individualistisch methodologische termen.
b. Max Weber: Cultureel determinisme
i.
Theorie
Max Weber geeft een verklaring voor het ontstaan van het kapitalisme
die althans in een gesimplifieerde versie haaks staat op de historischmaterialistische zienswijze.
In meerdere van zijn werken ziet Weber de rationalisering als centraal
kenmerk van de Westerse maatschappijen. Het sociale handelen
veronderstelt namelijk dat een bepaalde berekenbaarheid van het gedrag
van anderen en van jezelf is. Die berekenbaarheid kan, volgens Weber,
op drie manieren gebeuren:



Doelrationeel: (zweckrational) het gedrag van anderen en de rol
van voorwerpen wordt gezien als een middel om een doel te
bereiken. Hier worden de verschillende mogelijke manieren om
een doel te bereiken beschouwd en de meest optimale
gedragswijze wordt geselecteerd.
Waardenrationeel: (wertrational) het handelen wordt bepaald
door een geloof in de intrinsieke waarde van een ethische,
morele, esthetische, religieuze of andere gedragsvorm,
onafhankelijk van de kansen op welslagen. Men handelt dus
omdat men iets belangrijk vindt.
Traditioneel: het handelen wordt bepaald door de overlevering
of de gewoonte.
Weber signaleert een belangrijk parallellisme tussen de rationele
organisatie van de economie en de rationele organisatie van andere
activiteitsgebieden in het Westen.
Belangrijke kenmerken van de kapitalistische organisatievorm vindt
men ook in andere maatschappijen dan de Westers (vb. winststreven).
Maar nergens elders werd de vorm van kapitalisme ontwikkeld die
berust op de rationeel-kapitalistische organisatie van vrije arbeid.
Andere typische kenmerken van het Westerse kapitalisme die Weber
aanwijst zijn: de scheiding van huishouden en bedrijf; en de rationele
boekhouding.
Weber wijst op de ontwikkeling van een mentaliteit die de praktischrationele levensvoering centraal stelt. Dit heeft zijn oorsprong in het
protestantisme (meer bepaalt calvinisme) en hangt nauw samen met de
- 31 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
predestinatieleer. Dit gaat ervan uit dat alle mensen van nature zondig
zijn en dat zijn werken hem niet kunnen redden. Daar kwam nog bij dat
de predestinatieleer de psychologische behoefte opwekte om zichzelf te
overtuigen van het uitverkoren-zijn. Het succes in het zakendoen,
gecombineerd met een ascetische levenshouding, werd gezien als een
teken van de goddelijke genade.
ii.
Bedenkingen
In feite zijn Max Webers verklaringen niet eenduidig ‘culturalistisch’:
het is zelfs niet altijd duidelijk of hij de religie ziet als oorzaak van de
economische veranderingen of hij wijst op een parallellisme tussen
economie en religie.
Ook is de tekst van Weber intern contradictorisch.
Transitiedebat is het debat over de vraag hoe het kapitalisme is
ontstaan. Transitiehistorici proberen door het gebruik van vergelijkend
materiaal uit verschillende periodes en culturen constanten te vinden in
de evolutie van maatschappelijke systemen.
Hoofdstuk 8: rechtvaardigheidstheorieën
1. Inleiding
Er zijn 3 soorten uitspraken:

Empirische uitspraak: zij legt een feitelijk verband tussen 2 onderwerpen
(beschrijvende vaststelling)
 Technisch relatie: zegt wat men kan doen om iets tegen te gaan, het zijn
feitelijke uitspraken  verifieerbaar
Niet elke technische relatie geeft aanleiding tot een normatieve!
 Normatieve uitspraak: zegt wat men hoort te doen om iets tegen te gaan.
 geen waarheid, geen valsheid
 wel of niet justifieerbaar
→ Alleen technische maatregelen die ook normatief gejustifieerd zijn, komen in
aanmerking voor uitvoering.
Positieve economie: een wetenschap die zich beperkt tot het vaststellen en
verklaren van feitelijke verbanden en tot het aangeven van technische
mogelijkheden om vooraf gegeven doelen te bereiken.
(verklaring manier waarop g en d onder omstandigheden van schaarste worden
verdeeld)  geen voorschriften, niet hoe men zou moeten handelen
Normatieve economie: een econoom die allerlei aanbevelingen doet stapt eigenlijk
in een normatieve rol.
De rechtvaardigheidstheorieën hebben een normatieve basis van de allocatie van
maatschappelijke middelen als onderwerp. Ze maken deel uit van de normatieve
- 32 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
economie. De filosofische grondslagen worden dan weer onderzocht in de ethiek.
De ethiek omvat het kritisch onderzoek van de methodes voor het justifiëren en
onderzoeken van normen, waarden, regels en beginsels en de justificatie zelf van
deze gegevens.
Het normatieve gaat hier dus om de ethische verdeling van goederen en diensten.
 een distributieve of verdelende rechtvaardigheid: “ hoe hoort men lasten en
baten (pos. en neg. inkomens, kansen, macht, …) te verdelen?”
 justificaties van de verdeelpatronen
2 typen:


in termen van het beschikken over middelen om fundamentele zaken te
doen (utilitarisme, Rawls)  doelen realiseren
in termen van negatieve basisrechten (Locke, Nozick)
2. Utilitarisme
a. Inleiding
J.S. Mill formuleerde de grondslagen van het utilitaristisch programma in zijn
Utilitarianism.
Utilitarisme is een consequentialistische (stelt dat men datgene moet doen dat
het goede maximaliseert) moraaltheorie.
Het blijvend succes van het utilitarisme (ondanks heel wat fundamentele
tegenwerpingen) is verklaarbaar uit het gegeven dat vanuit haar premissen
rechtstreekse verbanden konden worden gelegd en werden gelegd tussen de
moraaltheorie, spel theorie en economische theorie.
Het probleem van de maximalisering van het menselijk geluk is immers nauw
verwant met het probleem van de (strijd tegen de) schaarste en het realiseren
van welvaart (welfare economics). De interesse van talrijke economen vor het
utilitarisme inspireerde een voortdurende verfijning van de theorie.
Economie – Ethiek
Economie (neo-klassiekers): zegt hoe een rationele actor zich zou gedragen
mocht hij zijn verwachte utiliteit willen maximaliseren.
Ethiek: zegt hoe een rationele actor zich zou gedragen mocht hij een gelijk
gewicht geven aan het welzijn van alle betrokken actoren.
 vergelijking, overeenkomst
2 basisbeginselen:
- utiliteitsbeginsel: greatest happiness of the greatest number
 grootste welzijn voor betrokken populatie
- beginselen van algemene welwillendheid:
elk telt als 1 en slechts als 1:
gelijke belangen dienen een gelijk gewicht te krijgen.
b. The greatest happiness of the greatest number
De grondlegger van het utilitarisme is Jeremy Bentham. Hij beweert dat de
mens geleid wordt door twee fundamentele drijfveren, het streven naar lust
- 33 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
(pleasure) en het vermijden van pijn (pain). Deze twee drijfveren bepalen wat
mensen doen, maar ook wat zij behoren te doen, wat goed of slecht is, wat
goed- of afkeurenswaardig is. De drijfveer in kwestie zijn waarderingen,
gebaseerd op het principle of utility.
Dat beginsel geldt zowel op collectief als individueel vlak:
- het individu streeft voor zichzelf naar maximalisering van de eigen lust en
minimalisering van de eigen pijn
- collectief: greatest happiness of the greatest number. Een handeling is moreel
juist indien ze het meest bijdraagt tot de vermeerdering van de totale
maatschappelijke lust en/of vermindering van de totale maatschappelijke pijn.
Daarbij is die totale maatschappelijke lust of pijn niets anders is dan de soms
van de lust en de pijn van individuen.
c. De morele calculus
(= effect voorgestelde handelswijze op welzijn van alle betrokkenen)
Het verband tussen wat nuttig is en wat rationeel is voor de mens ziet er in het
utilitarisme van Bentham als volgt uit:
 Goederen zijn al deze objecten die lust opwekken en daarom
nuttig zijn.
 De nuttigheid stijgt bij toename van de goederenconsumptie
zodat een rationeel individu steeds liever meer dan minder
verkiest van een goed.
 Een individu is onverschillig (indifferent) in de keuze tussen 2
pakketten goederen die dezelfde kwantiteit lust / onlust
opleveren gezien hun nuttigheid dezelfde is en alleen
kwantitatieve verschillen in lust / onlust relevant zijn.
Om lust en onlust te kunnen vergelijken zou dit moeten gemeten worden. Op
die manier zou men de voorkeuren kunnen ordenen. Maar dit veronderstelt het
bestaan van een meeteenheid wat tot een probleem kan leiden. Indien dit wel
bestaat dan hoort bij elke voorkeur een kardinaal getal en aan de hand van deze
getallen kan men de voorkeuren gaan vergelijken en ordenen.
Elk individu kan de waarde voor zichzelf van de sensaties van pijn en van lust
op zichzelf meten op grond van de volgende 6 criteria: 4 ervan moeten
toegepast worden op de sensaties van lust of pijn:




Intensiteit.
Duurzaamheid.
(On)zekerheid.
Nabijheid.
De overige 2 moeten worden toegepast op de handeling in kwestie:


Vruchtbaarheid: leidt de handeling al dan niet tot sensaties van
dezelfde aard.
Zuiverheid: wat is de kans dat de handeling gevolgd wordt door
sensaties van tegenovergestelde aard.
- 34 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
Tenslotte:

Moet worden nagegaan hoeveel individuen door de handeling worden
geraakt.
 Ieder moet voor zich de lust en de onlust berekenen op grond van de 6
bovenvermelde criteria.
 De lust en de onlust van de verschillende betrokkenen moet worden
opgeteld.
 Deze uitkomst moet vergeleken worden met de uitkomst die zou
opgeleverd worden door alle andere mogelijke handelswijzen.
Benthams programma had onder meer een politieke dimensie. Hij zag zijn
utilitarisme als een politiek hervormingsprogramma dat door een verdeling van
de goederen volgens het utiliteitsbeginsel het menselijk geluk kon realiseren.
Daarbij kwam de staat een centrale rol toe: hij zag de staat als het instrument
om de allocatie van de goederen te realiseren.
d. Verdeling van de lust/onlust over een populatie
Kritiek op het utilitarisme:


Men kijkt enkel naar de totale lust, maar men heeft geen oog
voor de verdeling van de lust en onlust (pijn) over een populatie
(dus zou het toegelaten zijn om iemand te doden om de totale
lust te maximaliseren).
Indien men alleen kijkt naar de totale lust zijn er grote sociale
ongelijkheden toegelaten (individuen kunnen immers uit
dezelfde kwaliteit goederen heel verschillende lusthoeveelheden
putten).
Mogelijke oplossing: indien men niet naar de totale, maar wel naar de
gemiddelde nuttigheid (average utility) als morele standaard neemt. Maar dit
brengt terug een probleem met zich mee:
Wanneer men naar het gemiddelde kijkt dan heeft men geen enkel besef meer
van het aantal individuen.
Sommige utilitaristen kennen een eigen waarde toe aan de verdeling van de
nuttigheid. Drie mogelijkheden dienen zich aan:



Egalitarisme: een zo gelijk mogelijke verdeling van een zo groot
mogelijke nuttigheid wordt de waardestandaard
Maximaal toegelaten nuttigheidsverschillen worden bepaald.
Een minimaal nuttigheidsniveau voor ieder individu wordt
gegarandeerd
In elk van deze drie gevallen kan men niet mee over zuiver utilitarisme
spreken omdat het wezenskenmerk ervan is prijsgegeven. Namelijk dat
de structuur van de verdeling er naast nuttigheid, een zelfstandige
waarde verwerft.
Overigens dient men er op te wijzen dat het utilitarisme vanzelf een
zekere tendens naar egalitarisme (gelijkheidsstreven) bevat. Bentham
- 35 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
was ook de 1e om de wet van het dalende grensnut te formuleren.
Allocatie in de richting van de minder bedeelden, en dus een zeker
egalitarisme, is vanzelf aanwezig in het utilitarisme.
e. Gelijkheid van wat?
Egalitarisme slaat niet noodzakelijkerwijs op gelijke verdeling van goederen of
bezittingen. Het slaat eigenlijk op de gelijkheid van lustbeleving of van
nutservaring.
Utilitaristen die verder gaan dan de strikt utilitaristische beginselen, en
daarnaast ook een egalitaire verdeling op zich een belangrijke waarde achten,
verdedigen een egalitaristische variant van het utilitarisme. Dergelijke
theorieën worden geconfronteerd met het probleem van de ongelijke kosten die
de realisatie van min of meer gelijke nuttigheidsbalansen met zich meebrengt.
Als men een gelijk nuttigheidsniveau beoogt dan is het best mogelijk dat de
ene persoon daarvoor weinig en de andere persoon daarvoor veel of dure
goederen voor nodig heeft. Dit noemt men het probleem van expensive tastes.
Het utilitarisme van Bentham tendeert ernaar om gelijkheid van welzijn
(equality of welfare) te verdedigen. Mensen zijn gelijk als zij hetzelfde
welzijnsniveau hebben (subjectieve gelukstoestand).
Andere mogelijkheden zijn:
- equality of wealth: men meet (on)gelijkheid naar het criterium bezittingen
- equality of resources: men gaat uit van de gedachte dat mensen gelijke
kansen hebben wanneer zij gelijke hulpbronnen hebben
- equality of functioning capability: initiële ongelijkheden compenseren, men
moet dus de nadruk leggen op wat mensen kunnen doen met hun middelen.
Wat mensen kunnen doen met hun middelen is niet herleidbaar naar
lustervaringen.
 afwijkingen van utilitarisme: niet meer welzijn maar preferentie centraal
Er zijn twee verschillende noties van welzijn:


Klassiek utilitarisme: hedonistisch: wat gemeten wordt zijn
sensaties van lust of pijn en nuttigheid wordt bepaald door
plezier/pijn.
Sommige latere utilitaristen: uitgangspunt is niet plezier/pijn,
maar preferenties en strevingen (desires).
Welfare economics: welvaart is de totaliteit aan bevrediging van preferenties in
de maatschappij. Maar hierbij moet men rekening houden dat de bevrediging
van de voorkeuren verschillend is van het persoonlijk luststreven, want mensen
hebben voorkeuren die hun persoonlijk luststreven niet dienen.
De meting van deze voorkeuren in tegenstelling tot lustgevoelens kan gebeuren
door in plaats van een cardinale ordening een ordinale ordening te maken. Dit
maakt het meten heel wat gemakkelijker. Men moet hier geen rekening meer
houden met de criteriums maar wel met de subjectieve keuzen van mensen die
blijken uit hun marktgedrag.
Het (moreel) waardevolle kan niet slechts berusten op psychische sensaties, dit
illustreert Nozick met zijn experience machine. Mensen wensen een zekere
- 36 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
persoon te zijn en zekere dingen te doen en niet eenvoudig ervaringen te
beleven.
f. Welk soort preferenties
De standaardtheorie over de rationaliteit van actoren maakt de volgende
vooronderstellingen:

Een persoon handelt rationeel als zijn preferenties rationeel zijn,
en zijn preferenties zijn rationeel als:


Zijn preferenties transitief zijn.
Zijn preferenties compleet zijn: ofwel verkiest met x
boven y ofwel y boven x ofwel staat hij indifferent
tegenover beide.
Onder die voorwaarden zijn zijn preferenties geordend en kan
men ze voorstellen als een utiliteitsfunctie van goederen die
preferenties bevredigen.
Er zijn drie uitgangshypothesen van de standaardeconomische theorie:



Actoren trachten de utiliteitsfunctie te maximaliseren.
Het gedrag van actoren die hun utiliteit maximaliseren wordt
gecoördineerd door het bestaan van markten. De maximalisatie
van U brengt een aantal kosten mee. Een actor maximaliseert
zijn utiliteit als de verhouding tussen de marginale waarde van
twee gegeven goederen gelijk is aan de verhouding tussen hun
kosten.
De preferenties van actoren zijn stabiel en onafhankelijk van
prijzen en marktdistributie, dus wanneer een goed teveel kost
zal men wel zijn gedrag wijzigen.
Die hypothesen van de standaardtheorie over rationaliteit zijn vanuit de
normatieve hoek in vraag gesteld. Hier zijn een paar tegenwerpingen:


Het bestaan van erroneous preferences of foute voorkeuren:
mensen kunnen zich vergissen in hun preferenties omdat ze
onvoldoende informatie hebben. Soms kan consumptie van
experience goods leiden tot een endogene verandering in de
preferenties. Dit wil zeggen dat je als je een goed een tijd
geconsumeerd hebt, je het toch niet meer zo geweldig vindt en
het een lagere waardering krijgt waardoor je preferenties gaan
veranderen.
Het bestaan van adaptive preferences: deze preferenties gaan de
informatie vervalsen: mensen passen zich aan hun
omstandigheden aan, en preferenties ontwikkelen voor datgene
wat binnen hun bereik ligt, terwijl ze dat wat buiten hun bereik
ligt niet willen. Deze adaptieve behoeften kunnen dus afwijken
van de werkelijke behoeften.
- 37 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
g. Utilitarisme en intermenselijke handelingscoördinatie
Het utilitarisme is een ethische doctrine: het vraagt aan actoren zo te handelen
dat in hun utiliteitsfunctie de belangen van anderen mee worden verrekend
→ each counts as one and no more than one. Maar bij dezelfde personen
kunnen verschillende behoeften een verschillend gewicht hebben. In die zin is
het utilitarisme altruïstisch, want het vraagt te rekenen in het voordeel van
jezelf en anderen.
De vraag stelt zich welke motieven kan de utilitarist hebben voor deze
samenwerking met anderen

We bekijken het antwoord op deze vraag eerst vanuit de positieve
economie:



Samenwerking is maar mogelijk en rationeel wanneer de
afzonderlijke actoren voordelen putten uit de
samenwerking met anderen die zij niet alleen kunnen
realiseren (vb. speltheorie)
Rationeel gedrag in suboptimale situaties geeft
aanleiding tot de tragedy of the commons: wat rationeel
is vanuit het standpunt van de persoonlijke
utiliteitsfunctie blijft onbepaald zolang er geen zekerheid
bestaat over het gedrag van de anderen vb. prisoner’s
dilemma p. 185 - 186
Nu bekijken we het antwoord op de vraag vanuit het utilitarisme:


De belangen van anderen wegen even zwaar als de eigen
belangen (altruïst).
Maar in samenwerkingverbanden waar zijn eigen
bijdrage niet essentieel is voor het realiseren van de
beoogde voordelen kan hij meer utiliteit realiseren door
egoïstisch te handelen dan door samen te werken met de
andere actoren: als dat zo is, moet hij egoïstisch
handelen.
Conclusie: dit leidt tot suboptimale resultaten: in een
gemeenschap van utilitaristen zal iedereen zijn voordeel
nastreven op voorwaarde dat de anderen samenwerken.
h. Daad – en regelutilitarisme
Men kan uit het voorgaande afleiden dat de individuele
utiliteitsmaximalisering in veel gevallen geen rationele uitkomst heeft. De
enige manier om dit te maximaliseren bestaat erin het gedrag van anderen
voorspelbaar te maken door bijvoorbeeld regels af te spreken met anderen die
men volgt, ook als zij soms niet utiliteitsmaximaliserend zijn.
- 38 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
Het verschil met het daadutilitarisme (Bentham) is dat dit utilitarisme dicteert
in een gegeven situatie de meest optimale beslissing te nemen. Een actor is hier
niet irrationeel als hij bijvoorbeeld gedane beloften verbreekt. Alles komt
immers aan op de positieve gevolgen van de handelingen, niets op de waarde
van het volgen van regels.
De basisgedachte van het regelutilitarisme is de zelfde als die van het
daadutilitarisme: maximalisering van een utiliteitsfunctie bepaald de morele
waarde van een handeling. De functie opereert echter niet op individuele
beslissingen, maar op de regels die de beslissingen leiden. Deze regels worden
zo gekozen dat hun samenspel tot de meeste utiliteit leidt, als alle actoren die
regels volgen.
De tegenstelling tussen daad – en regelutilitarisme kan als volgt worden
verduidelijkt: voor een daadutilitarist is een handeling moreel juist als zij
betere of minstens even nuttige gevolgen heeft dan eender welke handeling die
de betrokkene kan stellen. Voor een regelutilitarist is een handeling moreel
juist als zij wordt voorgeschreven door een regel, waarvan de algemene
navolging de meest nuttige gevolgen heeft.
i. Handelen onder onzekerheid
De utilitaristische calculus is toekomstgericht. Maar het behoort tot de
fundamentele kenmerken van ‘de toekomst’ dat zij onzeker is.
Toekomstgericht handelen, is handelen op grond van waarschijnlijkheden.
Daardoor stelt zich een probleem: kan men berekenen wat de numerieke
waarschijnlijkheid is dat een handeling een welbepaald gevolg zal hebben?
Daarom gaat men een onderscheid maken tussen subjectieve en objectieve
waarschijnlijkheden:


De Bayesiaanse interpretatie gaat ervan uit dat subjectieve
waarschijnlijkheden afhankelijk zijn van het overtuigingssysteem dat
iemand aankleeft en opdat zij rationeel zouden zijn volstaat het dat zij
consistent zijn met dat geloofssysteem.
Tegenover deze interpretatie staat een objectivistische die
waarschijnlijkheden definieert aan de frequentie van een gebeurtenis
relatief aan een verzameling mogelijke gebeurtenissen.
Zowel in de standaardeconomische theorie als in het utilitarisme opteert men
voor de subjectivistische interpretatie van waarschijnlijkheden. Maar opnieuw
stellen zich de problemen dat overtuigingen foutief of adaptief kunnen zijn.
Een bijkomend probleem is dat actoren tijdpreferenties hebben. Men verstaat
daaronder de tendens om het gewicht van preferenties die in de toekomst
moeten worden bevredigd te onderschatten.
j. Andere problemen
Tegen het utilitarisme werd opgeworpen dat het geen onderscheid maakt tussen
‘persoonlijke’ en ‘externe’ preferenties. Nochtans heeft het eerste betrekking
op het eigen leven en het tweede heeft betrekking op het leven van anderen.
- 39 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
Door niet te differentiëren tussen persoonlijke en externe preferenties kan het
utilitarisme grote bemoeizucht legitimeren met het leven van anderen.
Evenmin weet het utilitarisme de betekenis van individuele rechten, als
hinderpalen tegen inbreuken op de belangen van de enen ten voordele van die
van de anderen, een juiste plaats toe te kennen. Dit probleem van de rechten
stelt zich scherp in het utilitarisme. Op één of andere manier benadert die
theorie de maatschappelijke totaliteit als één groot individu in functie waarvan
de echte individuen hun handelen moeten richten.
Morele monstruositeit: kleine groep onschuldigen boeten voor grote groep
schuldigen  welzijn maximaliseren.
3. Het libertair bezitsindividualisme van Robert Nozick
a. Inleiding
i.
Nozick ↔ Rawls
Nozick heeft het boek Anarchy, State and Utopia gepubliceerd als
antwoord/kritiek op het boek A theory of justice. Maar op
sommige vlakken vertonen deze twee boeken gelijkenissen:



ii.
Het is allebei een fundamenteel individualistische
benadering
Beiden zijn sterk beïnvloed door het verlichtingsdenken
Bij allebei speelt het concept ‘toestemming’ een centrale
rol.
Wat zijn natuurrechten?


Rechten: iets is een recht = zeggen dat er terecht mag op
aangedrongen worden. Rechten genereren verplichtingen
bij anderen. Men kan positieve (rechten die opgenomen
zijn in wetten of conventies) en morele (niet zo) rechten
onderscheiden.
Natuurrechten: zij vormen een subcategorie bij de morele
rechten. Ze zijn prelegaal (iedereen heeft deze rechten) en
presociaal (ze gaan vooraf aan het bestaan van sociale en
politieke structuren) vb. mensenrechten.
Ze worden meestal omschreven in termen van de volgende
drie kenmerken:



Ze zijn universeel (gelden voor iedereen)
Ze zijn onvervreemdbaar (ze kunnen niet
weggenomen worden)
Ze zijn van doorslaggevende aard (ze wegen
zwaarder door dan eender welke andere
overweging)
- 40 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
De rechten waarover de libertairen het hebben zijn in de
eerste plaats de rechten die individuen moet beschermen
tegen de belangen van grote aantallen anderen. Dit
centrale uitgangspunt (dat de natuurrechten moeten
beschermd worden) heeft niets te maken met een
berekening van de voor – en nadelen van het respecteren
van die rechten, of met het egaliseren van de verdeling
van baten en lasten in de samenleving, maar uitsluitend
met ‘entitlements’. Op basis hiervan construeert Nozick
zijn rechtvaardigheidstheorie met als uitgangspunt: de
overtuiging dat er bepaalde dingen zijn die men niet
behoort te doen ten aanzien van anderen, hoe groot ook
de voordelen zouden zijn indien men het wel zou doen.
De rechtvaardiging van dit uitgangspunt: een absoluut
zelfbeschikkingsrecht.
b. Individuele vrijheid contra paternalisme
De libertaristische moraaltheorie gaat uit van de onvervreemdbaarheid van het
individuele recht op vrijheid als zelfbeschikkingsrecht en als eigendomsrecht
en keert zich tegen eender welke vorm van paternalisme waarbij individuele
vrijheidsrechten om welke reden ook met de voeten wordt getreden.
Maw iedereen heeft zijn basisrechten of entitlements (vb. schoonheid) en men
mag deze aanwenden om bepaalde dingen te verkrijgen waarna men de
verkregen dingen voor zichzelf mag houden.
De opzet van Nozicks Anarchy, State and Utopia is tweeërlei:
1) hij ontwikkelt een denkkader waarbinnen morele justificaties voor het
monopolie over geweld en voor de herverdelende functies van de staat worden
ontkracht.
Nozick grijpt terug naar het liberale individualisme, zoals hij het aantreft in het
werk van John Locke. Daarin vormt de erkenning van zekere onvervreemdbare
natuurlijke vrijheidsrechten van het individu het uitgangspunt. De vraag is dan
of op grond van dergelijk uitgangspunt, de staat als legitiem kan verschijnen.
Een centraal argument van Nozick is dat pogingen om baten en lasten te
verdelen volgens een vastgelegd schema, onaanvaardbaar zijn omdat ze een
onaanvaardbare inmenging in de individuele autonomie impliceren, en omdat
ze gedoemd zijn om te mislukken omwille van het gebrek aan betrouwbare
informatie over samenlevingen en economieën.
c. Twee soorten beginselen van rechtvaardigheid
i.
Benaderingen die zich baseren op eindtoestanden
Deze benaderingen hebben volgens Nozick geen enkele morele waarde.
Hij verwijt benaderingen die zich baseren op eindtoestanden vooral dat
zij een voortdurende inmenging met individuele vrijheidsrechten
legitimeren.
ii.
Nozicks benadering: het principle of entitlement
- 41 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
Dit luidt: ‘from each as they choose, to each as they are chosen. Dit is
volgens Nozick de enige manier om te ontvluchten aan de
rechtvaardigheidstheorieën die zich om eindtoestanden bekommeren.
Een rechtvaardige, libertaire samenleving huldigt volgens Nozick
volgende stelregels:



Mensen hebben recht op hun natuurlijke eigenschappen.
Indien mensen recht hebben op iets dan hebben zij ook recht op
alles wat daaruit voorspruit zolang ze de rechten van anderen
respecteren.
Eender welke verdeling van eender welk goed is moreel
aanvaardbaar, als zij maar het resultaat is van vrijwillige
interindividuele transacties.
In deze benadering vormen rechten side constraints die onder geen
enkel beding, zelfs niet om de welvaart van de hele maatschappij te
verhogen mogen worden overschreden en die evenmin op grond van
een regelutilitarisme tegenover elkaar mogen worden afgewogen.
Alleen het individu is souverein binnen zijn rechten.
De vrije markt is volgens Nozick een superieur verdeelmechanisme
omdat het de individuele vrijheidsrechten van mensen respecteert
terwijl het bovendien de economische efficiëntie bevordert. De markt
brengt een superieure maatschappelijk ordening tweed: een evolutionair
ordeningsmechanisme (cosmos), niet een gewild geplande ordering
(taxis).
Beginselen als: voor iedereen evenveel zijn voor Nozick
onaanvaardbaar  principle of entitlement
“from each as they choose, to each as they are choosen”
Het is de enige mogelijkheid om te ontsnappen aan de voortdurende
interferentie met individuele vrijheidsrechten die iedere
rechtvaardigheidstheorie bekommerd om eindtoestanden met zich
meebrengt. Hij justifieert dit beginsel als volgt: een theorie die ervan
uitgaat dat er zekere goederen zijn die men te verdelen heeft berust op
drijfzand. (vb. ‘Wilt Chamberlain’ casus)
d. De moraliteit van liftersgedrag
Vanuit dit perspectief ontkent Nozick tevens dat individuen een morele plicht
tot sociale solidariteit zouden hebben die gebeurlijk afdwingbaar zou zijn.
Solidariteit afdwingen is in strijd met een individueel vrijheidsmoraal.
Belasting en iedere vorm van herverdeling zijn niets anders dan moderne
vormen van slavernij.
e. De minimale staat
Men zou denken dat in de theorie van Nozick er geen plaats meer is voor een
staat die over een geweldmonopolie beschikt maar dit klopt niet helemaal. Er
- 42 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
kan een staat ontstaan als die staat zich beperkt tot het beschermen van de
basisrechten: minimal state of nightwatchman state.
Volgens Nozick verloopt het ontstaan van deze staat in vijf stappen:





State of nature: ieder individu oefent zijn rechten over zichzelf en over
de externe natuur vrijelijk uit. Ieder heeft hier het recht om zich delen
van de natuur toe te eigenen zonder dat de positie van anderen daardoor
verslechtert. Maar dit kan leiden tot jaloezie. En tegen wie het niet zo
nauw neemt met de rechten van anderen zullen individuen zich op eigen
kracht wapenen. Dit zal leiden tot wederzijds wantrouwen en een
voortdurend gevoel van onveiligheid.
Mutual protective agencies: omdat men in een suboptimale toestand
komt te staan waar individuen meer tijd in de bescherming dan in de
uitoefening van hun basisrechten, zullen zij wederzijdse
bondgenootschappen sluiten waarbij zij afspreken als een van hen
wordt aangevallen, zullen alle bondgenoten samen de agressie afslaan.
Private protective agencies: dit zal uiteindelijk leiden tot een zekere
arbeidsdeling waarbij individuen zich zullen specialiseren in hetgeen
waarin zij uitmunten. Dit zal leiden tot het ontstaan van private
beschermende agentschappen waarbij individuen zich toeleggen op
verdedigende activiteiten en hun diensten aanbieden aan andere
individuen in ruil voor zekere goederen.
Dominant protective agency: dit zal leiden tot een concurrentieslag
tussen de veiligheidsagentschappen en tenslotte zal één agentschap een
dominante positie verovert hebben over een welbepaald territorium.
Minimal state: het dominante agentschap zal uiteindelijk ook
beperkingen opleggen aan de niet-leden op zijn territorium. En dit
agentschap zal ook instaan voor de veiligheid van zijn niet-leden. Dus
de leden betalen voor de bescherming van de niet-leden. Dit is een
vorm van herverdeling waarin Nozick een wezenskenmerk van de staat
ziet.
f. Een paar kritieken




Nozick geeft geen justificatie voor de natuurrechten/basisrechten die hij
als uitgangspunt neemt. Het enige wat hij doet is stellen dat deze
rechten gelinkt worden aan de idee van een zinvol bestaan.
In Nozicks argumentatie over het derde basisrecht (verwerven van
eigendom) is er sprake van een randvoorwaarde: de ‘aquisition’ mag de
anderen niet off worse maken. Dit veronderstelt dat hoe dan ook
gevolgen overwogen worden: utilitaristisch element.
Een belangrijk aspect van Nozicks theorie betreft het rechtzetten van
onrechtvaardigheden. Rechtzetting is noodzakelijk indien de
verwerving is gebeurd zonder dat er arbeid aan te pas is gekomen, of
via onvrijwillige transacties.
Kritiek vanuit de communitaristische strekking door Nozicks vijandige
houding tegenover distributieve opvattingen van rechtvaardigheid
- 43 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
houdt hij er totaal geen rekening mee dat het feit dat sommigen in staat
zijn meer bezit te verwerven dan anderen sterk afhankelijk is van:




De samenleving waarin ze leven
Hun sociale klasse, familie geslacht, …
Geluk of ongeluk wat betreft hun gezondheid
Geluk of ongeluk wat betreft plaats waar, en het moment
waarop ze zijn geboren
4. De rechtvaardigheidstheorie van John Rawls
Hij vertrekt van de gedachte dat een maatschappij een samenwerkingsverband is
tussen rationele personen ter bevordering van hun belangen. Om zijn opvattingen van
rechtvaardigheid te introduceren, stelt hij zich voor dat de basisstructuur van de
maatschappij het voorwerp vormt van een oorspronkelijk contract tussen rationele
personen die hun eigenbelang nastreven. De voorwaarden van dit contract zijn:




Een egalitaristisch beginsel: een notie van gelijkheid staat centraal en er moet
steeds rechtvaardiging worden gegeven voor het afwijken van deze
gelijkheidsregel.
Een fainess-beginsel: de principes afgesproken in het maatschappelijk contract
dienen alle verdere afspraken te reguleren.
De contractanten zijn ‘rationeel’ in de standaardbetekenis van de economische
theorie: zij proberen alleen hun doelen te bereiken met de meest efficiënte
middelen.
De contractanten zijn wederzijds gedesinteresseerd: zij zijn niet geïnteresseerd
in de belangen van anderen.
In de oorspronkelijke gelijkheidspositie worden de beslissingen genomen achter een
‘sluier der onwetendheid’: de contractanten weten met andere woorden niet welke
plaats ze zullen innemen in welk soort maatschappij, welke gaven en gebreken ze
zullen hebben, tot welke generatie ze behoren, wat hun sociale klasse zal zijn…. Zij
weten alleen dat er dingen zijn waarvan zij liever meer dan minder hebben.
Het samenwerkingsverband tussen de contractanten heeft betrekking op de verdeling
van de primaire sociale goederen (dit zijn goederen die elk mens nodig heeft om een
menswaardig bestaan te leiden). Er zijn vijf soorten:





Basisvrijheden: met betrekking tot meningsuiting, politieke vrijheid,
geweten, vereniging, persoonlijke integriteit.
Vrijheid van beweging en beroepskeuze.
Macht en voordelen verbonden aan ambten en verantwoordelijke
posities.
Inkomen en vermogen
De sociale grondslagen van het zelfrespect
Deze goederen moeten rechtvaardig verdeeld worden want zij vormen de basis van elk
levensplan.
- 44 -
copyright by Tomas mee zijn sexy mutske
In de oorspronkelijke gelijkheidspositie, waarin de contractanten zich bevinden achter
een ‘sluier der onwetendheid’, zullen zij de volgende twee regels in acht nemen:


Het vermijden van risico’s (risk aversion) wat leidt tot een maximin-strategie:
zij zullen zo kiezen dat mochten zij terechtkomen in een slechte situatie, die
toch zo goed mogelijk is.
Het principle of redress (beginsel van herstel): onverdiende ongelijkheden
vragen om correctie. Dit houdt in dat zowel geluk als ongeluk gecorrigeerd
moet worden (vb. handicap, erfenis).
De toepassing van deze twee regels zal volgens Rawls de contractanten ertoe brengen
twee beginselen vast te leggen (het eerste heeft voorrang op het tweede):


Het gelijkheidsbeginsel: iedereen behoort een gelijk recht te hebben op
het meest uitgebreide totale systeem van gelijke basisvrijheden, dat
verenigbaar is met een gelijksoortig systeem van vrijheden voor
eenieder.
Sociale en economische ongelijkheden moeten zo geregeld zijn dat ze
tegelijk aan deze twee beginselen voldoet:


Verschilbeginsel: de sociale en economische ongelijkheden
moeten in het grootste voordeel van de minst begunstigden
uitvallen.
Beginsel van de faire gelijkheid van kansen: sociale en
economische ongelijkheden moeten gekoppeld zijn aan
maatschappelijke posities die voor iedereen openstaan in
omstandigheden die een faire gelijkheid van kansen verzekeren.
De theorie van Rawls heeft alvast een ‘raamwerk’ geboden waarbinnen normatieve
ethische theorie kan worden beschreven. In die zin spreken we van een ‘Rawlsiaans
paradigma’: een paradigma waarin morele argumentatie wordt gecombineerd met
economische theorie en analythische wijsbegeerte.
Rawls tracht om zijn rechtvaardigheidsconceptie zoveel mogelijk los te koppelen van
ethische overwegingen: de besliskunde (rational choice theory) is het primaire kader.
- 45 -
Related documents
Download