Hoofdstuk 2: Economie - Utrecht University Repository

advertisement
Energie voor de toekomst
In hoeverre kunnen de Nederlandse aardgasreserves
bijdragen aan een duurzamer Nederland?
Marijn Bolhuis (3702626)
Bachelorscriptie Liberal Arts & Sciences
Universiteit Utrecht
Juli 2013
Vakreferent economie: Marc Schramm
Vakreferent milieuwetenschappen: n.v.t.
Aantal woorden: 12 942
Voorwoord
De afgelopen vier maanden heb ik mij intensief bezig gehouden met deze scriptie, het
sluitstuk van mijn bacheloropleiding Liberal Arts & Sciences aan de Universiteit Utrecht.
Vanuit mijn twee hoofdrichtingen economie en milieuwetenschappen leek het me
interessant om te onderzoeken welke bijdrage de resterende gasvoorraden kunnen leveren
aan de duurzaamheid van de Nederlandse maatschappij. Aardgas is van vitaal belang voor
Nederland en zijn burgers. Het is een bron van overheidsinkomsten en biedt ons
energiezekerheid. Bovendien is het een actueel onderwerp, in het licht van de recente
aardbevingen in Groningen als gevolg van de aardgaswinnning.
Dit onderzoek heeft me veel tijd gekost, maar ook veel opgeleverd. Ik ben trots op
mijn eerste grote onderzoek dat ik zelfstandig heb uitgevoerd. Ik hoop dat het iets kan
bijdragen aan het Nederlandse aardgasbeleid.
Ik wil mijn begeleider dr. Herman Hendriks bedanken voor zijn adviezen.
Daarnaast gaat mijn dank uit naar dr. Marc Schramm voor zijn feedback op mijn
economische hoofdstuk.
Marijn Bolhuis, Utrecht, juli 2013
2
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 1: Inleiding …………………………………………………………………
p. 5
Hoofdstuk 2: Economie ………………………………………………………………..
p. 11
2.1 Duurzame overheidsfinanciën ...................................................................... p. 11
2.2 Geschiedenis ……………………………………………………………...... p. 16
2.2.1 De periode 1959-1973 …................................................................ p. 16
2.2.2 De periode 1973-1993 ……………………………………………. p. 17
2.2.3 De periode 1993-2010 ……………………………………………. p. 18
2.2.4 De periode 2011-heden ………………………………………….. p. 19
2.3 De resource curse ………………………………………………………….. p. 20
2.3.1 Dutch disease …………………………………………………….. p. 21
2.3.2 Overheidsbeleid ………………………………………………….. p. 23
2.4 Oplossingen ………………………………………………………………… p. 26
2.4.1 Sovereign wealth fund …………………………………………… p. 26
2.4.2 Staatsschuldreductie ……………………………………………… p. 28
2.4.3 Investeringsfonds …………………………………………………. p. 29
Hoofdstuk 3: Milieuwetenschappen …………………………………………………..
p. 32
3.1 Duurzaamheid ……………………………………………………………… p. 32
3.2 Energiegebruik in Nederland ……………………………………………… p. 32
3.3 Klimaatverandering ………………………………………………………… p. 34
3.4 Luchtvervuiling .............................................................................................. p. 38
3.5 Aardgas in de energietransitie ……………………………………………… p. 38
3.5.1 Flexibiliteit ……………………………………………………….. p. 39
3.5.2 Gas en windenergie ……………………………………………… p. 42
3.6 Onzekerheid ……………………………………………………………….. p. 43
3
Hoofdstuk 4: Integratie ………………………………………………………………..
p.46
4.1 Analyse van disciplinaire inzichten ………………………………………. p. 46
4.1.1 Overzicht …………………………………………………………. p. 46
4.1.2 Overeenkomsten en verschillen ………………………………… p. 48
4.2 Common ground …………………………………………………………… p. 49
4.3 A more comprehensive understanding ……………………………………. p. 51
Hoofdstuk 5: Conclusie ………………………………………………………………..
p. 52
5.1 Beleidsaanbevelingen ………………………………………………………. p. 52
5.2 Discussie …………………………………………………………………….. p. 56
5.3 Suggesties voor verder onderzoek …………………………………………. p. 58
Literatuur .......................................................................................................................... p. 60
Appendix ………………………………………………………………………………. p. 72
4
Hoofdstuk 1: Inleiding
Nederland is een gasland. Sinds de ontdekking van het gasveld in Slochteren in 1959
is Nederland uitgegroeid tot een van de belangrijkste leveranciers van aardgas ter wereld.
De Nederlandse productie is de tiende van de wereld en levert 2.4% van het mondiale
gasaanbod (IEA, 2012).
De Nederlandse overheid heeft groot belang bij de gaswinning in Nederland. Sinds
1959 heeft de schatkist van het rijk ruim 235 miljard euro aan gasbaten ontvangen.1 De
jaarlijkse inkomsten fluctueren sterk doordat de gasprijs aan de olieprijs is gekoppeld. Als
gevolg hiervan maakten de aardgasbaten vooral de laatste jaren een substantieel deel uit
van de Nederlandse begroting. Vanaf 2006 had de overheid gemiddeld meer dan 10
miljard euro aardgasinkomsten per jaar. Voor 2012 wordt een recordopbrengst van 14
miljard verwacht; dit is bijna gelijk aan de jaarlijkse bezuinigingen van het kabinet Rutte I
(NOS, 2011).
De afgelopen decennia is er veel kritiek geweest op de wijze waarop de
Nederlandse aardgasbaten zijn beheerd. Kees Koedijk, hoogleraar economie aan de
Universiteit Tilburg, zegt hierover: “De staat gaf het geld uit, maar niet aan investeringen.
Het kortetermijnbeleid heeft het gewonnen van de langetermijnvisie.” (Algemene
Energieraad, 2009). Ook Rick van der Ploeg, oud-staatssecretaris en momenteel
hoogleraar economie in Oxford, heeft kritiek: “Het geld is verkwanseld.” (RTL Z, 2013).
En: “Het aardgas is geen zegen, maar een vloek”, aldus Ruud Lubbers, oud-minister van
Economische Zaken en oud-premier (Algemene Energieraad, 2009).
Naar verwachting zullen de aardgasopbrengsten in de toekomst afnemen. Het
Centraal Planbureau (CPB) schat dat binnen 25 jaar de Nederlandse gasreserves zullen zijn
opgeraakt en de aardgasbaten geen belangrijke bijdrage meer kunnen leveren aan de
begroting (Van der Horst et al., 2010). Dit veroorzaakt (afhankelijk van de gasprijs) een
gat van een paar procent van het BBP dat zal moeten worden opgevuld (Van der Horst et
al., 2010; Stolwijk, 2011).
1
Bron: CBS Statline.
5
Aardgas is niet alleen van belang voor de Nederlandse overheidsfinanciën, maar vormt
ook een belangrijke energiebron voor burgers, bedrijven en de overheid: 47% van het
Nederlandse energieverbruik betreft aardgas (IEA, 2012). De opkomst van de Nederlandse
chemiesector is voor een groot deel aan aardgas te danken. Nederlandse huishoudens zijn
in de jaren ’60 en ’70 massaal op aardgas overgestapt om te koken en hun huis te
verwarmen (Lubbers & Lemckert, 1980).
Toch is het gebruik van aardgas niet zonder problemen. Het heeft een negatief
effect op het klimaat en milieu. Aardgas is een fossiele brandstof en bij de verbranding
komt veel koolstofdioxide (CO2) vrij, een belangrijk broeikasgas. Bovendien zorgen
productie, transport en opslag gezamenlijk voor nog eens 20% extra CO2-uitstoot (Blok,
2009). De uitstoot van CO2 leidt tot klimaatverandering, met alle negatieve gevolgen van
dien. Naast klimaatverandering heeft aardgas ook op andere gebieden een negatieve
impact op het milieu. Zo gaat de productie gepaard met de uitstoot van de giftige stoffen
zwaveldioxide en stikstofoxiden (veroorzakers van smog en ademhalingsproblemen)
(Herberg, 2011). En recentelijk hebben er in Groningen diverse aardbevingen
plaatsgevonden als gevolg van bodemdaling door de gaswinning (KNMI, 2013). De
aardbevingen worden niet opgenomen in dit onderzoek omdat er nog veel onzekerheid
over bestaat. Momenteel lopen er elf onderzoeken naar (beperking van) schade door
aardbeving, waarvan de meeste eind 2013 zullen worden gepubliceerd (Rijksoverheid,
g.d.a).
Aardgaswinning heeft dus gemengde gevolgen voor Nederland. Enerzijds is het aardgas
onmisbaar voor de overheidsfinanciën en vormt het een belangrijke energiebron voor
particulieren en bedrijven. Anderzijds draagt de productie bij aan de opwarming van de
aarde en aan andere milieuproblemen. Bovendien is er veel kritiek op de besteding van de
aardgasbaten. Deze zouden zijn verkwanseld. Een belangrijk gegeven hierbij is dat het
aardgas snel (binnen 25 jaar) zal opraken.
Het moge duidelijk zijn dat beide aspecten van het aardgasgebruik een probleem vormen
6
voor het welzijn van Nederland. Door het wegvallen van de aardgasbaten staan de
stabiliteit en duurzaamheid van de overheidsfinanciën onder druk. Door de productie van
aardgas verandert het klimaat en raakt het milieu vervuild. Het is daarom van belang om
deze twee ontwikkelingen te verbinden en te verkennen in hoeverre de problemen
kunnen worden voorkomen of bestreden. Het doel van deze scriptie is dan ook te
onderzoeken in hoeverre de resterende aardgasreserves kunnen bijdragen aan een
duurzamer Nederland.
De afgelopen maanden is er veel aandacht geweest voor mogelijke winning van
schaliegas in Nederland. De geschatte voorraden schaliegas variëren tussen 200 en 500
miljard m3. Ter vergelijking: in 2011 bedroeg de ‘conventionele’ aardgasvoorraad in
Nederland ongeveer 1300 miljard m3 gas (Zijp, 2012). Momenteel doet de overheid
onderzoek naar het risico van schaliegas. Het is nog niet zeker of het gewonnen zal mogen
worden. (Rijksoverheid, g.d.b). Daarom worden de schaliegasreserves niet in dit
onderzoek opgenomen.
Dit onderzoek vereist een interdisciplinaire aanpak op grond van inzichten vanuit zowel
de economie als de milieuwetenschap. Het onderzochte probleem voldoet aan de vijf
criteria opgesteld door Repko (2012):
 Het probleem is complex en overschrijdt de grenzen tussen de disciplines.
 Het probleem wordt door beide disciplines onderzocht.
 Geen enkele discipline kan het probleem alleen oplossen.
 Het is een breed onderwerp en verschillende disciplines kunnen er een interessant
licht op werpen.
 Het gaat om een maatschappelijk probleem.
De vijf criteria sluiten elkaar niet uit en tonen enige overlap. Zo impliceert de
complexiteit van een probleem (eerste criterium) dat geen enkele discipline het alleen kan
oplossen (derde criterium) en dat meerdere disciplines er licht op kunnen werpen (vierde
7
criterium) omdat een complex probleem de grenzen tussen de disciplines overschrijdt
(eerste criterium).
Voor dit onderzoek betekent dit dat noch milieuwetenschappen, noch economie
de onderzoeksvraag volledig kan beantwoorden (derde criterium) en dat het probleem dus
complex is en de grenzen tussen de disciplines overschrijdt (eerste criterium). Het
probleem wordt door meerdere disciplines onderzocht (tweede criterium) en meerdere
disciplines bieden een interessant perspectief (vierde criterium). Dit komt doordat er
duidelijk twee kanten aan het probleem zitten. Het probleem omvat zowel economische
duurzaamheid (stabiele en gezonde overheidsfinanciën) als ecologische duurzaamheid
(klimaatverandering en milieuvervuiling). Daarom kan geen enkele discipline alleen
antwoord geven op de onderzoeksvraag: milieuwetenschappen ontberen kennis over
rijksfinanciën en economen hebben geen verstand van klimaatverandering en
milieuvervuiling.
De economie ziet aardgaswinning in Nederland als een inkomstenbron voor de
overheid en een belangrijke bron van werkgelegenheid. Economen onderzoeken waar de
overheid de aardgasinkomsten het beste aan kan besteden, opdat de economische positie
en de overheidsfinanciën van Nederland in de toekomst niet zullen verslechteren
wanneer het gas opraakt. Daarnaast speelt intergenerationele rechtvaardigheid
(intergenerational justice) hier een rol: ook toekomstige generaties hebben recht op de
opbrengsten uit aardgas (Bos & Teulings, 2010).
Milieuwetenschappen bestudeert de aardgaswinning in Nederland vanuit drie
oogpunten. Ten eerste is aardgas niet duurzaam doordat de voorraden eindig zijn. Binnen
25 jaar is het aardgas op, waardoor toekomstige generaties met een energietekort worden
opgescheept. Ten tweede draagt aardgas bij aan klimaatverandering door de uitstoot van
broeikasgassen. Dit brengt het welzijn van toekomstige generaties in gevaar doordat de
biodiversiteit wordt aangetast, de zeespiegel stijgt, landbouwopbrengsten dalen, etc. Ten
derde zorgt aardgas voor milieuschade doordat het landschap en de lucht worden vervuild
en er aardbevingen ontstaan (Miller & Spoolman, 2009).
8
De twee disciplinaire perspectieven zijn dus totaal verschillend, maar beide zijn nodig om
de onderzoeksvraag ‘In hoeverre kan aardgas bijdragen aan een duurzamer Nederland?’ te
beantwoorden. Duurzaamheid heeft immers meerdere dimensies. Voor een compleet
antwoord op de onderzoeksvraag zijn dan ook inzichten van beide disciplines onmisbaar.
Men kan zich afvragen waarom slechts deze twee disciplines nodig zijn om de
onderzoeksvraag te beantwoorden. Zijn er wellicht andere disciplines die kunnen
bijdragen aan het onderzoek? Men zou hierbij kunnen denken aan disciplines als
bestuurskunde en politicologie, die onderzoeken hoe de politiek en het openbaar bestuur
een bijdrage kunnen leveren aan het vraagstuk. Dit onderzoek gaat echter enkel over de
vraag in hoeverre aardgas een bijdrage kan leveren aan een duurzamer Nederland en wat
de overheid hieraan moet doen. Hoe deze plannen vervolgens door de politiek en de
overheid het beste in beleid kunnen worden omgezet is een andere vraag en ligt buiten
het bereik van dit onderzoek.
Andere potentieel relevante disciplines zijn de sociologie en culturele antropologie,
die bij vraagstukken over duurzame ontwikkeling de sociale kant onderzoeken (Barbier,
1987) . Deze disciplines zijn wellicht interessant wanneer het gaat over duurzame
ontwikkeling in ontwikkelingslanden, omdat milieuproblemen daar vaak gepaard gaan
met slechte arbeidsomstandigheden en schendingen van mensenrechten (Miller &
Spoolman, 2009). In Nederland is dit echter niet het geval. In de gassector zijn (naar het
zich laat aanzien) de arbeidsomstandigheden goed en worden geen mensenrechten
geschonden.
De rest van deze scriptie bestaat uit drie hoofdstukken en een conclusie. Eerst wordt, na
een schets van de geschiedenis en de huidige situatie rond de aardgasproductie in
Nederland, ingegaan op de economische kant van het probleem en de eventuele
oplossingen. Hetzelfde gebeurt vervolgens voor de milieukant. Daarna wordt er common
ground gecreëerd en worden de inzichten vanuit de disciplines geïntegreerd tot een
9
antwoord op de onderzoeksvraag. Het onderzoek eindigt met een conclusie waarin
beleidsaanbevelingen, een discussie en suggesties voor verder onderzoek zijn opgenomen.
10
Hoofdstuk 2: Economie
In dit hoofdstuk wordt het economisch perspectief op aardgasbaten behandeld. In
hoeverre kunnen de resterende aardgasbaten bijdragen aan de duurzaamheid van
Nederland? Om dit te onderzoeken moet eerst worden bepaald wat economische
duurzaamheid eigenlijk is. Daarna worden de aardgasbaten in historisch perspectief
geplaatst: hoe is het geld vroeger besteed? Vervolgens worden enkele manieren besproken
waarop de overheid de aardgasbaten duurzaam kan gebruiken.
2.1 Duurzame overheidsfinanciën
De overheidsfinanciën van een land zijn duurzaam wanneer de huidige instituties (zoals
pensioenen, sociale zekerheid en gezondheidszorg) op de lange termijn in stand kunnen
worden gehouden zonder dat de overheidsschuld extreem toeneemt2 (Bos & Teulings,
2010). De toekomstige inkomsten moeten dus voldoende zijn om de toekomstige uitgaven
te betalen, inclusief de rente op de bestaande schuld (Van der Horst et al., 2010). Een
andere vaak gestelde eis aan duurzaamheid is dat alle generaties evenveel moeten betalen
voor de productie van publieke goederen. Dit heet het Musgrave-criterium: iedere
generatie draagt een gelijk deel bij aan de overheidsfinanciën (Bos & Teulings, 2010).
In hoeverre zijn de Nederlandse overheidsfinanciën duurzaam? De huidige
economische crisis resulteert in grote overheidstekorten, veroorzaakt door tegenvallende
belastingopbrengsten en extra uitgaven aan sociale zekerheid. Tegelijkertijd verandert de
leeftijdsopbouw van de bevolking op drastische wijze. Dit is het effect van ontgroening en
vergrijzing. Er worden steeds minder kinderen geboren en tegelijkertijd leven
Nederlanders langer. Hierdoor daalt het aandeel van de werkende bevolking en stijgt het
aandeel gepensioneerden. Er zal steeds meer overheidsgeld naar ouderen stromen
2
Wat ‘extreem toenemen’ of ‘exploderen’ (Bos & Teulings, 2010) inhoudt, is nog onduidelijk. Onderzoek
naar de duurzaamheid van overheidsschuld is pas recentelijk actueel. Zie de studies van ECB (2012) en
Ghosh et al. (2011). Volgens Lukkezen & Rojas-Romagosa (2012) is de Nederlandse staatsschuld na de
Tweede Wereldoorlog nooit onhoudbaar geweest.
11
(gezondheidszorg, AOW) en er zullen minder werkenden zijn om dit te betalen. Al met al
betekent dit dat de lasten niet gelijk over generaties zullen worden verdeeld (Van der
Horst et al., 2010).
De dalende aardgasinkomsten vormen een extra reden waarom de balans tussen
inkomsten en uitgaven van de overheid op termijn zal verslechteren. De huidige
instituties worden voor een deel uit de aardgasbaten betaald en zijn dus niet te handhaven
wanneer de aardgasbaten in de toekomst zullen afnemen (Van der Horst et al., 2010).
Deze ongelijke verdeling over generaties is goed weergegeven in Figuur 2.1.
Nettoprofijt is het verschil tussen wat men ontvangt van de overheid en wat men aan
belastingen heeft afgedragen. Bijna alle generaties hebben een positief nettoprofijt, wat
met name te danken is aan de aardgasbaten. Het nettoprofijt van de babyboomers is lager
omdat de jaren ’50 en ’60 relatief arm waren en de verzorgingsstaat toen nog moest
worden opgebouwd. Ook is te zien hoe toekomstige generaties duidelijk minder
nettoprofijt zullen hebben door ontgroening, vergrijzing en afnemende aardgasbaten (Van
der Horst et al., 2010).
Figuur 2.1: De ontwikkeling van het nettoprofijt in Nederland, 1946-2058.
Bron: Van der Horst et al. (2010).
12
Hoe kunnen de resterende aardgasbaten bijdragen aan duurzame overheidsfinanciën? Uit
de definitie van Bos & Teulings (2010) volgt dat de aardgasbaten de nettovermogenspositie
van de overheid niet mogen verslechteren. Dit wordt bevestigd door Koedijk3 (Banning,
2009) en Wierts & Schotten (2008): staatsinkomsten uit natuurlijke bronnen moeten
worden omgezet in vermogen. Bovendien mogen de aardgasbaten niet ongelijk over
generaties worden verdeeld, iedere generatie dient een gelijk deel bij te dragen aan de
overheidsfinanciën.4
De nettovermogenspositie bestaat uit twee delen: de bezittingen en de schuld van
de overheid. Het nettovermogen is een betere indicator voor de financiële positie van de
overheid dan de staatsschuld, omdat er ook rekening wordt gehouden met bezittingen. Dit
verschil is goed te zien in Figuur 2.2. Vanaf 1970 fluctueerde de Nederlandse staatsschuld
tussen de 40 en 80 procent van het BBP. Het nettovermogen nam in die periode echter
drastisch af. In 1970 bedroeg het nog bijna 140 procent van het BBP, in 2010 was het
gedaald tot ongeveer 40 procent. Het nettovermogen is echter nog steeds positief, wat
betekent dat de bezittingen van de overheid meer waard zijn dan de schuld (Van der
Horst et al., 2010).
3
Kees Koedijk – Hoogleraar financieel management aan de Universiteit van Tilburg – zei dit in een
interview met het NRC Handelsblad (Banning, 2009).
4 Deze definitie van duurzaamheid komt niet overeen met de theorie van Ricardiaanse equivalentie
(Ricardo, 1888), die stelt dat brugers rekening houden met toekomstige budgetrestricties van de overheid. In
de Appendix wordt uitgelegd waarom deze theorie waarschijnlijk niet geldt voor het Nederlandse
aardgasbeleid.
13
Figuur 2.2: De ontwikkeling van het nettovermogen en schuld van de Nederlandse
overhead, 1970-2010.
Bron: Van der Horst et al. (2010).
De daling van het nettovermogen is vooral te wijten aan de afname van de
aardgasvoorraad. De bezittingen van de overheid bestaan uit de publieke
kapitaalgoederenvoorraad (zoals gebouwen en infrastructuur), de financiële activa (zoals
het vermogen van DNB) en de gasvoorraad. In Figuur 2.3 is te zien dat de waarde van de
financiële activa en de kapitaalgoederenvoorraad in de periode 1970-2010 weliswaar
fluctueerden, maar ongeveer gelijk zijn gebleven. De waarde van de financiële activa
bedraagt steeds ongeveer 30 procent, de waarde van de kapitaalgoederenvoorraad 60
procent. Daarentegen daalde de aardgasvoorraad van 100 procent in 1970 tot ongeveer 20
procent in 2010 (Van der Horst et al., 2010). Tabel 2.1 is een overzicht van het verwachte
Nederlandse vermogen en schuld in 2040 bij onveranderd beleid. De aardgasvoorraad
bedraagt dan nog maar 1% van het BBP. Door de vergrijzing zal de schuld sterk
toegenomen en het nettovermogen wordt negatief.
14
Figuur 2.3: De ontwikkeling van de Nederlandse overheidsbezittingen, 1970-2010
Bron: Van der Horst et al. (2010).
Tabel 2.1: Vermogen en schuld, % van BBP (2040)
Kapitaalgoederenvoorraad (+)
53
Financiële activa (+)
48
Aardgasvoorraad (+)
1
EMU-schuld (-)
- 132
Nettovermogen
- 31
Bron: Van der Horst et al. (2010).
Om de nettovermogenspositie constant te houden bij een afnemende gasvoorraad, zijn er
drie opties. De aardgasbaten kunnen worden omgezet in kapitaalgoederen, maar ook in
financiële activa. In beide gevallen blijft de waarde van de bezittingen gelijk. Een derde
manier is om de aardgasbaten te gebruiken voor staatsschuldreductie. In dat geval neemt
de waarde van de bezittingen weliswaar af, maar de waarde van de schuld ook. In
Paragraaf 2.4 wordt op deze opties teruggekomen. Eerst is het van belang om de besteding
van de aardgasbaten in historisch perspectief te plaatsen, opdat van het verleden geleerd
kan worden.
15
2.2 Geschiedenis
De geschiedenis van de besteding van de aardgasbaten kan in vier perioden worden
verdeeld. De eerste is die van 1959 tot 1973. Het is de periode vanaf de ontdekking van
het gasveld in Groningen tot de eerste oliecrisis. In de tweede periode, die van 1973 tot
1993 duurde, nam de waarde van de aardgasbaten toe en werden deze opgenomen in de
lopende overheidsbegroting. Gedurende de derde periode, van 1993 tot 2010, werden de
aardgasbaten in het Fonds Economische Structuurversterking (FES) gebruikt. Vanaf 2011
worden de aardgasbaten weer aan de lopende begroting toegevoegd.
2.2.1 De periode 1959-1973
In 1959 vonden de eerste proefboringen plaats in Groningen. In 1963 schatte de NAM dat
er 1100 miljard kubieke meter gas in de bodem zat; acht jaar later ging men uit van 2000
miljard m3; en in 2009 werd het gasveld van Slochteren geraamd op 2700 miljard m3,
waarvan inmiddels 60% was gewonnen (Banning, 2009).
Al snel ontstond er een debat over de besteding van de aardgasbaten. PvdA-politici
Lieftinck en De Pou stelden voor om een ‘sovereign wealth fund’ (SWF) op te richten,
omdat zij verwachtten dat de voorraden binnen één generatie zouden worden opgemaakt
(Lubbers & Lemckert, 1980). De toenmalige minister van Financiën, Jelle Zijlstra, was
echter tegen de instelling van een dergelijk fonds. Hiervoor had hij drie redenen. Ten
eerste was Zijlstra van mening dat een apart fonds toch voor extra uitgaven zou worden
gebruikt, terwijl dat dit binnen de overheidsbegroting voorkomen zou kunnen worden
(Lubbers & Lemckert, 1980). Ten tweede dacht hij dat de aardgasbaten simpelweg te
gering waren om de oprichting van een fonds te rechtvaardigen (Banning, 2009). En
tenslotte had hij ook een politieke reden: een SWF zou onder het Ministerie van
Economische Zaken vallen en daardoor aan zijn supervisie ontsnappen. Hij vreesde dat dit
zou leiden tot opportunistisch beleid (Boonstra, 2008).
Zijlstra won de discussie en de aardgasbaten kwamen in de jaarlijkse
overheidsbegroting terecht. De Nederlandse Gasunie werd opgericht om het Groningse
16
gas te exploiteren. Aandeelhouders werden de Nederlandse overheid (50%), Shell (25%)
en ExxonMobil (25%) (Van Eerd, 2010).
Intussen had het CPB onderzocht hoe de aardgasbaten optimaal konden worden
besteed. Het concludeerde dat de aardgasvoorraden binnen één generatie moesten worden
opgemaakt. De verwachting was dat olie en kernenergie binnen tientallen jaren
goedkoper zouden zijn, waardoor het Nederlandse gas eigenlijk waardeloos zou worden.
Al het gas moest daarom voor de eeuwwisseling verkocht zijn (Lubbers & Lemckert,
1980). De aanbevelingen van het CPB werden in 1962 opgenomen in de Aardgasnota (Gas
in beeld, g.d.).
In de daaropvolgende jaren werd de Nederlandse gasinfrastructuur in een snel
tempo aangelegd. Consumenten en de private sector profiteerden van de lage gasprijs.
Huishoudens schakelden voor centrale verwarming en koken over op gas, dat goedkoper
was dan kolen of olie. Bovendien leverde het aardgasnetwerk goedkope energie voor de
industrie. Energie-intensieve sectoren als de chemische industrie groeiden dan ook
(Lubbers & Lemckert, 1980).
Eind jaren ’60 besloot de Gasunie om gas te exporteren, waardoor de aardgasbaten
toenamen. De gasprijs werd gekoppeld aan de olieprijs. Bovendien werd het aandeel van
de staat in de Gasunie verhoogd tot 85%. De strategie was simpel: de Gasunie verkocht
grote hoeveelheden gas aan Duitsland en België tegen een prijs die net iets lager was dan
die van het alternatief – olie. Op deze manier verdienden zowel de overheid als Shell en
ExxonMobil grote bedragen (Van Zanden, 1998).
2.2.2 De periode 1973-1993
Vanaf 1973 namen de aardgasbaten explosief toe. Door de oliecrisis stegen de olieprijzen –
en dus de gasprijzen – met 70 procent (De Jong, 2005). De effecten van de crisis op de
Nederlandse economie waren gemengd. Aan de ene kant raakte Nederland in een recessie,
maar aan de andere kant ontving de overheid een recordbedrag aan aardgasbaten (Van
Eerd, 2010).
Het kabinet Den Uyl gebruikte de aardgasbaten om de kwakkelende economie te
17
stimuleren. Het geld werd niet geïnvesteerd maar geconsumeerd (Lubbers & Lemckert,
1980). De economie werd gestimuleerd door de sociale zekerheid op te bouwen (Lubbers
& Lemckert, 1980; McMahon, 2000). Bovendien gebruikte de overheid de aardgasbaten
om de industrie te stimuleren. Energie-intensieve sectoren als de chemie- en staalsector
kregen de mogelijkheid om goedkoop gas in te kopen (Scholtens, 2004).
Gedurende de jaren ’80 bleef Nederland erg afhankelijk van gas. Dit maakte de
economie zeer gevoelig voor prijsschommelingen. In 1985 vormden de aardgasbaten 17%
van de overheidsinkomsten, maar in 1989 was dit gedaald tot 4%. Ook op het gebied van
de internationale handel speelde gas een belangrijke rol. In 1970 importeerde Nederland
52% van de energie, in 1988 nog maar 21,6%. Dit leidde tot een groot overschot op de
Nederlandse betalingsbalans (Van Eerd, 2010).
2.2.3 De periode 1993-2010
In 1993 werd het Fonds Economische Structuurversterking (FES) ingesteld. Dit fonds had
de bedoeling om een deel van de opbrengsten uit aardgaswinning af te zonderen van de
overheidsbegroting. De aardgasbaten zouden niet worden geconsumeerd, maar gebruikt
om de economische structuur van Nederland te versterken. Deze investeringen waren
additioneel en kwamen bovenop de reguliere investeringen van het Rijk en de lagere
overheden. De gedachte achter het fonds was om “ondergronds vermogen” (de
aardgasvoorraden) om te zetten in “bovengronds vermogen” (economische infrastructuur)
(Ros, 2009). Uiteindelijk werd besloten om 40% van de aardgasbaten naar het FES te laten
vloeien. De overige 60% zou moeten worden gebruikt om de staatsschuld af te lossen (Bos,
2008).
Door de volatilieit van de olieprijs (waaraan de gasprijs gekoppeld is) fluctueerden
de aardgasbaten sterk. Bij hoge olieprijzen leidde dit automatisch tot een hogere voeding
van het FES dan verwacht. Hierdoor ontstond bestedingsdrang: het geld moest per se
worden geïnvesteerd. De kwaliteit van de investeringen kwam onder druk te staan. Vanaf
2008 werkte het FES daarom met een vaste van te voren ingeschatte voeding (Verhagen,
2012; Bos, 2008).
18
De Betuweroute, een goederenspoorlijn van Rotterdam naar Duitsland, was het eerste
grote project dat het FES financierde. Het CPB voerde vooraf een kosten-batenanalyse uit,
waarvan de uitkomst negatief was: de Betuweroute was niet rendabel. Deze conclusie
werd door de overheid genegeerd en de Betuweroute kwam er toch. De kosten van de
Betuwelijn liepen vervolgens steeds verder op, tot het dubbele van het budget (Bos, 2008).
Hetzelfde gebeurde bij de Hogesnelheidslijn Schiphol-Antwerpen, die ook door het FES
werd gefinancierd (Ros, 2009).
Hoewel het FES werd ingesteld om kortetermijndenken en overhaaste consumptie
van de aardgasbaten te voorkomen, blijkt een groot deel van de investeringen achteraf
onrendabel. In 2006 deed het CPB onderzoek naar de bijdrage van de FES-projecten aan
de Nederlandse economie. Slechts 14 van de 49 onderzochte projecten gaven een gunstig
totaalbeeld (Verrips, 2006). Over de hele linie droegen de meeste projecten zeer weinig bij
aan de economie, en het meeste geld werd simpelweg geconsumeerd in plaats van
geïnvesteerd (Koedijk, 2009).
De resterende 60% van de aardgasbaten diende te worden gebruikt om de
staatsschuld af te lossen (Bos, 2008). Het is echter onduidelijk waarvoor dit deel van de
aardgasbaten in feite is gebruikt, omdat het niet werd afgezonderd van de lopende
begroting (Wierts & Schotten, 2008). Het ware beter geweest wanneer dit wel zou zijn
gebeurd. De afname van de gasvoorraad zou dan door extra staatsschuldreductie moeten
worden gecompenseerd (Bos, 2008), teneinde het nettovermogen constant te houden.
2.2.4 De periode 2011–heden
Met ingang van 2011 is de voeding van aardgasbaten aan het FES stopgezet, waardoor er
geen nieuwe projecten uit het FES meer worden gefinancierd. Met het oog op de toename
van de staatsschuld in recente jaren geeft het kabinet de voorkeur aan aflossing van de
staatsschuld boven het FES of een ‘sovereign wealth fund’ (SWF) zoals Lieftinck en De
Pou dat indertijd voorstelden. Dit komt erop neer dat de aardgasbaten tegenwoordig
geheel ten goede komen aan de overheidsbegroting (Kamp, 2012).
19
De aardgasbaten worden in de macro-economische verkenning5 geschat en in de
begroting opgenomen. Zij worden niet expliciet gebruikt om de staatsschuld af te lossen.
Eventuele mee- of tegenvallers ten opzichte van de meerjarenraming worden echter
buiten inkomsten- en uitgavenkaders gehouden en werken direct door in het
overheidstekort en de staatsschuld. Dit betekent dat een eventuele meevaller wordt
gebruikt om de staatsschuld af te lossen bij een tegenvaller loopt de staatsschuld op
(Kamp, 2012).
Momenteel bestudeert het Ministerie van Economische Zaken een voorstel voor
een nieuw fonds voor de aardgasbaten, afkomstig van een werkgroep die onderzoekt hoe
het draagvlak voor de aardgaswinning verbeterd zou kunnen worden. Het voorstel is om
een deel van de aardgasbaten te besteden aan een fonds dat lokale duurzame
energieprojecten financiert (Kamp, 2012).
2.3 De resource curse
Zijn de Nederlandse aardgasbaten in het verleden duurzaam gebruikt? De afgelopen
decennia is er veel kritiek geweest op de wijze waarop de aardgasbaten zijn beheerd. “Het
aardgas is geen zegen, maar een vloek”, aldus Ruud Lubbers, oud-minister van
Economische Zaken en oud-premier (Algemene Energieraad, 2009).
Deze vloek wordt in de economische literatuur de resource curse genoemd. De
term wordt vaak gebruikt om te verwijzen naar ontwikkelingslanden met een grote
voorraad aan natuurlijke grondstoffen. Hoewel men zou verwachten dat een dergelijke
bodemschat economisch voordelig is, is uit onderzoek gebleken dat de economieën van
deze landen trager groeien dan die van landen zonder grote voorraden (Stevens, 2003).
Zowel internationaal vergelijkend onderzoek (Sachs & Warner, 1995, 1999; Busby et al.,
2004; Mehlum et al., 2006) als verschillende case studies (Gelb, 1988; Karl, 1997; Ross,
5
Voorafgaand aan een nieuwe kabinetsperiode publiceert het CPB een macro-economische verkenning voor
de daaropvolgende vier of vijf jaren. Deze middellangetermijnverkenning (mlt) reikt tot het einde van de
nieuwe kabinetsperiode. In deze analyse worden de inkomsten en uitgaven van de overheid geschat (CPB,
g.d.).
20
1999, 2001) bevestigen het bestaan van de resource curse.
Enkele onderzoeken hebben geprobeerd om dit negatieve verband tussen
grondstoffen en economische groei op te splitsen in ‘transmissiekanalen’: verschillende
manieren waarop de aanwezigheid van grondstoffen economische groei ondermijnt.
Gylfason (2000) onderscheidt vier kanalen: Dutch disease; inefficiënt overheidsbeleid;
rent seeking6 en corruptie; en onderinvestering in onderwijs en de
kapitaalgoederenvoorraad. Voor Nederland zijn er aanwijzingen voor de aanwezigheid
van Dutch Disease en inefficiënt overheidsbeleid in het verleden (Mehboob, 2012). In de
volgende paragrafen wordt dit verder toegelicht.
2.3.1 Dutch disease
De term ‘Dutch disease’ werd in 1977 geïntroduceerd door The Economist om de afname
van de maaksector in Nederland te beschrijven. Volgens het tijdschrift kwam dit doordat
de verkoop van aardgas had geleid tot een waardetoename van de gulden. Dit
ondermijnde de internationale concurrentiepositie van de maaksector, waardoor deze
slonk (The Economist, 1977).
Het economisch model dat de Dutch disease beschrijft werd geïntroduceerd door
Corden & Neary (1982). Zij splitsten de impact van natuurlijke hulpbronnen op in een
resource movement effect en een spending effect. Beide leiden tot een hogere wisselkoers.
Volgens Corden & Neary bestaat de economie uit twee delen: de booming sector –
in het geval van Nederland de gassector – en de rest van de economie. Het resource
movement effect ontstaat doordat de booming sector arbeid en kapitaal uit andere
sectoren aantrekt. Vaak gaat dit ten koste van de industriële sector, aangezien deze het
meest verwant is aan de booming sector (in tegenstelling tot bijvoorbeeld de
dienstensector). Dit heeft twee gevolgen. Ten eerste treedt er directe deïndustrialisatie op
en neemt de productie van de industrie af. Ten tweede stijgen als gevolg van deze
Rent seeking is het inzetten van middelen (tijd, geld) door maatschappelijke partijen (bedrijven,
vakbonden, ambtenaren, etc.) om publieke gelden te genereren. Dit ondermijnt economsiche groei omdat er
er middelen verloren gaan bij de verdeling van rijkdom, en niet bij de creatie ervan (Conybeare, 1982).
6
21
verschuiving van productiefactoren ook de prijzen van arbeid en kapitaal in de overige
sectoren doordat het aanbod ervan afneemt. Hierdoor worden de producten in de
industriële sector duurder en stijgt de reële wisselkoers7 (Corden, 1984).
Het spending effect ontstaat doordat het geld dat wordt verdiend aan de
natuurlijke hulpbronnen (gedeeltelijk) binnenlands wordt uitgegeven. Hierdoor neemt de
vraag en dus de prijs van binnenlandse producten toe, wat ook weer leidt tot een stijging
van de reële wisselkoers (Corden, 1984). Een derde effect op de wisselkoers treedt op
wanneer de natuurlijke hulpbronnen worden geëxporteerd. Dit leidt tot een overschot op
de betalingsbalans. Hierdoor neemt de vraag naar binnenlandse valuta toe en stijgt dus de
wisselkoers (Gurbanov & Merkel, 2010).
Het resource movement effect, het spending effect en het exporteffect zorgen dus
allemaal voor een opwaardering van de wisselkoers, waardoor de concurrentiepositie van
de overige exportsectoren verslechtert. De producten in die sectoren worden immers
duurder zonder dat daar een productiviteitsstijging tegenover staat. Nadat de hulpbronnen
op zijn en de boom over is, resteert het land een te hoge wisselkoers en een kleine
exportsector (Gurbanov & Merkel, 2010).
Er zijn verschillende onderzoeken gedaan naar de Dutch disease in Nederland. Gedurende
de jaren ’70 namen de aardgasbaten toe. Tegelijkertijd werd de gulden meer waard en
daalde de productie van de maaksector: de term ‘Dutch disease’ was geboren. Het is echter
moeilijk om het aardgas hiervan ‘de schuld te geven’. De meeste landen in West-Europa
kampten met dezelfde problemen. Dit gold met name ook voor Duitsland, de belangrijkste
handelspartner van Nederland (Barker & Barilovsky, 1981; Kremers, 1985). Vanaf
halverwege de jaren ’80 herstelde de maaksector zich tot boven het niveau van het begin
van de jaren ’70 (Stijns, 2003; Hutchinson, 1994).
Toch zijn er wel aanwijzingen voor het optreden van de Dutch disease in
Nederland. Rudd (1996) onderzocht de invloed van het resource movement effect en het
7
De reële wisselkoers is de nominale wisselkoers gecorrigeerd voor prijsverschillen tussen landen (Catão,
2007). Wanneer de prijzen in Nederland meer stijgen dan de prijzen in andere landen, neemt de reële
wisselkoers toe en worden de Nederlandse producten duurder voor buitenlanders. Dit ondermijnt de
internationale concurrentiepositie.
22
spending effect in de periode 1960-1990. Met name het spending effect was duidelijk
aanwezig. De besteding van aardgasbaten in de Nederlandse economie leidde tot
deïndustrialisatie. Dit wordt bevestigd door Mehboob (2012). Het resource movement
effect was minder sterk. Waarschijnlijk komt dit doordat de gassector relatief weinig
werkgelegenheid biedt en de sector dus weinig arbeid uit andere sectoren aantrekt (Rudd,
1996).
Al met al is het moeilijk om de aanwezigheid van de Dutch disease te constateren.
Vele andere factoren hebben invloed op de grootte van de maaksector. Zo heeft het beleid
van de centrale bank invloed op de wisselkoers, en dus ook op de maaksector (Rudd, 1996;
Hutchinson, 1994). Energieprijzen zijn eveneens van belang; dit geldt met name voor
energie-intensieve maakindustrieën (Stijns, 2003; Hutchinson, 1994). Voor dit soort
bedrijven was de aanwezigheid van aardgas in Nederland aanvankelijk juist een zegen,
doordat ze toegang kregen tot goedkope, gesubsidieerde energie (Scholtens, 2004).
2.3.2 Overheidsbeleid
Mede doordat de aanwezigheid van de Dutch disease in Nederland moeilijk kon worden
vastgesteld, verschoof begin jaren ’80 de aandacht naar de besteding van de aardgasbaten.
Corden zei hierover:
The true Dutch Disease in the Netherlands was not the adverse effects on manufacturing
of real appreciation but rather the use of booming sector revenues for social service levels
which are not sustainable, but have been politically difficult to reduce. (Corden, 1984, p.
359).
Politici doen tijdens de verkiezingen beloften om kiezers voor zich te winnen. Wanneer
de overheid de controle heeft over een grote hoeveelheid opbrengsten uit grondstoffen,
heeft het eigenlijk ‘gratis geld’ dat kan worden uitgegeven zonder dat er verantwoording
hoeft te worden afgelegd. Bij inkomsten uit belastingen dient dit wel te gebeuren, omdat
de overheid dan direct geld van de burgers wegneemt (Saraf & Jiwanji, 2001).
23
Zulke verkiezingsbeloften zijn meestal op de korte termijn gericht, want
toekomstige generaties kunnen nu eenmaal niet stemmen. Dit creëert een ‘wedloop’ van
verkiezingsbeloften, waarin politici tegen elkaar opbieden. Investeringen die zich pas op
de lange termijn terugverdienen verliezen het hierbij van consumptieve uitgaven op de
korte termijn (Larsen, 2004). Het gevolg is dat er een welvaartsstaat wordt opgebouwd die
naarmate de inkomsten uit natuurlijke grondstoffen opdrogen op de lange termijn steeds
minder houdbaar blijkt (Gylfason & Zoega, 2002; Van der Ploeg & Poelhekke, 2009).
Deze ontwikkeling wordt versterkt doordat inkomsten uit natuurlijke grondstoffen
een gevoel van economische zekerheid geven. Door de extra inkomsten lijkt het land er
economisch beter voor te staan dan werkelijk het geval is. Landen met veel natuurlijke
grondstoffen investeren minder in onderwijs en fysieke infrastructuur dan andere landen.
Bovendien zorgt deze schijnzekerheid ervoor dat economische hervormingen op de lange
baan worden geschoven (Gylfason 2001).
In Nederland zijn de aardgasbaten inderdaad op zo’n manier gebruikt. In de jaren ’70 en
’80 werd de verzorgingsstaat met behulp van dit ‘gratis geld’ opgebouwd (Broersma et al.,
2000). De aardgasbaten verhulden hoe slecht het met de economie ging, die hard was
geraakt door de oliecrisis (Wellink, 1987). In 1993 werd het FES ingesteld om consumptie
van aardgasbaten te voorkomen en het geld te investeren in de economie. De politiek ging
zich echter vaak te buiten aan onnodige prestigeprojecten, die economisch niet rendabel
bleken (Koedijk, 2009).
Er zijn verschillende onderzoeken gedaan naar de besteding van de aardgasbaten.
Uit berekeningen van De Kam en het NRC Handelsblad blijkt dat in de periode 1959-2009
niet meer dan 15,4% van de totale aardgasbaten aan infrastructuur is besteed (zie Tabel
2.2). Het ging hierbij vaak om onrendabele projecten. Slechts 9,2% van de gelden is
besteed aan onderwijs. De resterende 75,4% (159,2 miljard euro) werd besteed aan
consumptieve overheidsuitgaven (Banning, 2009).
24
Tabel 2.2: De bestemming van de uitgaven van aardgasbaten, 1959-2009
Bestemming
Aandeel
Sociale zekerheid
24,8%
Openbaar bestuur en veiligheid
20,1%
Infrastructuur
15,4%
Collectieve zorg
10,4%
Onderwijs
9,2%
Rente
7,0%
Overdracht aan bedrijven
6,2%
Internationale samenwerking
3,5%
Defensie
3,4%
Totaal
100%
Bron: Banning (2009).
Wierts & Schotten (2008) onderzochten het effect van de aardgasbaten op de begroting.
Gedurende de periode 1975-2007 leidde een toename (of afname) van 1% van de
aardgasbaten tot een stijging (of daling) van 0.8% van het primair saldo8. Dit betekent dat
slechts 20% van de aardgasbaten werd gebruikt om de staatsschuld af te lossen. De periode
1994-2007 – waarin 60% van de aardgasbaten werden gereserveerd voor
staatsschuldreductie – wijkt niet af van deze trend.9
Al met al leidde het consumptieve overheidsbeleid tot een verslechtering van de
nettovermogenspositie (zie ook Figuren 2.2 en 2.3). Aardgasbaten werden niet omgezet in
nettovermogen, maar opgemaakt. Daardoor zijn toekomstige generaties benadeeld: zij
zullen niet meer profiteren van inkomsten waar ze vanuit het principe van duurzaamheid
wel recht op hebben.
8
Het primair saldo is het verschil tussen de inkomsten en uitgaven van de overheid, exclusief de
aardgasbaten (Wierts & Schotten, 2008).
9 Dit zou ook kunnen liggen aan het kleine aantal observaties. Wierts & Schotten (2008) sluiten niet uit dat
een analyse over meer jaren wel een verschil zal aantonen, omdat er dan meer gegevens beschikbaar zijn.
25
2.4 Oplossingen
Hoe kunnen de opbrengsten uit de resterende aardgasvoorraad het beste worden besteed?
In lijn met Wierts & Schotten (2008) zijn er drie manieren om dit geld duurzaam uit te
geven:
1. Instelling van een sovereign wealth fund (SWF)
2. Aflossingen van de staatsschuld
3. Instelling van een investeringsfonds
In Paragraaf 2.1 bleken dit de manieren te zijn om het nettovermogen van de overheid
constant te houden. Bovendien leveren ze een jaarlijks rendement op in de vorm van
respectievelijk winst uit de financiële investeringen van het SWF, betaling van minder
rente op de staatsschuld; en economische groei als gevolg van een betere infrastructuur. In
de volgende paragrafen worden de drie opties verder toegelicht.
2.4.1 Sovereign wealth fund
Een sovereign wealth fund (SWF) is een financieel fonds dat eigendom is van de staat en
voor een groot deel investeert in buitenlandse valuta. Een SWF is gericht op de lange
termijn en heeft geen expliciete verplichtingen. Dit betekent dat niet vaststaat waaraan de
gelden worden besteed (anders dan bijvoorbeeld bij een pensioenfonds). De middelen van
het fonds zijn meestal afkomstig uit opbrengsten van de winning van grondstoffen, met
name aardolie (Jen, 2007). Stevens (2003) noemt de volgende voordelen van een SWF:
 Een SWF voorkomt rent seeking en corruptie, doordat er regels zijn over de
besteding van het geld,
 Er kan vermogen voor toekomstige generaties mee worden opgebouwd,
 Door inkomsten niet uit te geven neemt de druk op inflatie af,
 Door inkomsten in buitenlandse valuta te investeren wordt stijging van de
wisselkoers voorkomen,
26
 Het overheidsbudget heeft geen last van onzekerheid door volatiele prijzen (Van
der Ploeg, 2008).
Daarnaast ziet Stevens (2003) de volgende nadelen:
 Een SWF kan een vals gevoel van veiligheid geven, waardoor de fiscale discipline
wordt ondermijnd,
 Vaak worden de regels voor het gebruik van een SWF veranderd wanneer dat
politici goed uitkomt.
Om deze nadelen te voorkomen moeten volgens Stevens (2003) de regels van een SWF als
volgt worden geïmplementeerd:
 Het SWF moet onder leiding staan van een professioneel management, dat
onafhankelijk is van de overheid en gecontroleerd wordt door een onafhankelijk
bestuur.
 Overdracht van geld uit het SWF naar de overheidsbegroting moet worden
gecontroleerd door een onafhankelijke monetaire autoriteit (zoals de centrale
bank).
 De bestemming van gelden uit het SWF moet niet door een onafhankelijk orgaan
worden bepaald maar door de regering zelf, zodat het budgettaire proces niet
wordt ondermijnd.
 Er moeten duidelijke regels zijn over accumulatie en overdracht van geld van en
naar het SWF.
 De overheid moet duidelijk stellen wat het doel is van het SWF (het voorkomen
van Dutch disease, het stabiliseren van opbrengsten, of toekomstige generaties).
 Burgers moeten bewust worden gemaakt van het doel en het belang van het SWF,
om maatschappelijke druk tot het uitgeven van de gelden te voorkomen.
Door het onderbrengen van aardgasbaten in een SWF wordt een jaarlijks rendement
behaald. Dit kan worden opgenomen in de overheidsbegroting en aan de huidige
generatie worden besteed. Dit rendement bestaat uit opbrengsten uit aandelen, obligaties
en andere beleggingen door het SWF.
Het grootste en bekendste SWF is het Noorse pensioenfonds. Sinds 1998 bedraagt
27
het gemiddelde reële rendement10 2,97% (NBIM, 2013). Op de lange termijn gaat het
fonds uit van een reëel rendement van 4%. Dit rendement komt ten goede van de
overheidsfinanciën. Wanneer het economisch slecht gaat is het minder, wanneer het
beter gaat is het meer (Fearnley, 2012).
2.4.2 Staatsschuldreductie
Wanneer aardgasbaten worden gebruikt om een deel van de staatsschuld af te lossen, blijft
het nettovermogen van de overheid gelijk doordat een afname van de aardgasvoorraad
(positief vermogen) wordt gecompenseerd door een afname van de staatsschuld (negatief
vermogen). Het rendement dat op de aardgasvoorraad wordt behaald is dan gelijk aan de
extra rentelasten die zouden moeten worden betaald wanneer de staatsschuld niet zou zijn
verkleind.
Staatsschuldreductie kent dezelfde voordelen als Stevens (2003) aan een SWF
toeschrijft: inefficiënte rent seeking en corruptie worden voorkomen; er kan vermogen
voor toekomstige generaties worden opgebouwd; en door de gelden niet uit te geven
wordt druk op inflatie voorkomen. Het voorkomen van wisselkoersstijging is ook
mogelijk, mits de schuld waarom het gaat in buitenlandse valuta is uitgedrukt.
De kwaliteit van deze oplossing hangt af van de uitvoering. Bovendien kunnen
politici de regels veranderen wanneer hun dat het beste uitkomt. Er dienen daarom enkele
voorwaarden aan deze optie te worden verbonden:
 De aardgasbaten moeten gescheiden worden van het overheidsbudget en mogen
slechts worden gebruikt voor staatsschuldreductie (Bos, 2008; Wierts & Schotten,
2008).
 De staatsschuldreductie met aardgasbaten moet bovenop de ‘normale’ targets
inzake overheidsschuld en -tekort komen en mag geen vervanging van het beleid
zijn (Bos, 2008).
Daarnaast gelden enkele van de voorwaarden die Stevens (2003) voor een SWF
formuleerde. Er moeten duidelijke regels zijn en het doel van de staatsschuldreductie
10
Het reële rendement is het nominale rendement gecorrigeerd voor inflatie.
28
moet duidelijk worden gesteld. Daarnaast moeten burgers bewust worden gemaakt van
het doel en het belang van staatsschuldreductie, om maatschappelijke druk tot het
uitgeven van de gelden te voorkomen.
Door een deel van de staatsschuld af te lossen wordt er een jaarlijks rendement
behaald op de aardgasbaten. Dit kan worden opgenomen in de overheidsbegroting en aan
de huidige generatie worden besteed. Dit rendement is gelijk aan de rente die de overheid
normaal zou hebben moeten betalen over het gedeelte van de staatsschuld dat is afgelost.
Zoals Figuur 2.4 laat zien fluctueerde de rente op de Nederlandse staatsschuld de
afgelopen decennia sterk. Het rendement van deze optie is dus onzeker. Bij hoge rente is
het beter om voor staatsschuldreductie te kiezen. Door de eurocrisis is de rente op de
Nederlandse staatsschuld momenteel echter historisch laag, wat staatsschuldreductie
minder aantrekkelijk maakt (Trouw, 2011).
Figuur 2.4: Ontwikkeling van de rente op de Nederlandse staatsschuld, 1988-2012
Bron: CBS Statline.
2.4.3 Investeringsfonds
Een derde mogelijkheid om de opbrengsten uit de resterende aardgasvoorraad duurzaam
uit te geven is de oprichting van een investeringsfonds, dat de aardgasbaten gebruikt om
te investeren in de fysieke infrastructuur. Het nettovermogen van de overheid blijft dan
29
gelijk doordat de afname van de aardgasvoorraad wordt gecompenseerd door een toename
van de kapitaalgoederenvoorraad. Door een betere infrastructuur neemt de productiviteit
van de private sector toe (Van der Horst et al., 2008). Het rendement dat op het
investeringsfonds wordt behaald is gelijk aan de extra economische groei die zo’n betere
infrastructuur met zich meebrengt.
Een investeringsfonds heeft het voordeel dat er vermogen wordt opgebouwd voor
toekomstige generaties. Bovendien is het overheidsbudget minder onzeker doordat
volatiele opbrengsten niet worden opgenomen (Van der Ploeg, 2008).
Een nadeel van een investeringsfonds is dat de symptomen van Dutch disease niet
te voorkomen zijn. De opbrengsten worden immers binnenlands uitgegeven, wat leidt tot
een hogere reële wisselkoers. Daarnaast kan een investeringsfond rent seeking in de hand
werken, wanneer groepen of individuen lobbyen voor hun investeringsprojecten. In het
slechtste geval leidt dit tot onrendabele investeringen, zoals bij het FES.
Een investeringsfonds dient dan ook aan de volgende voorwaarden te voldoen:
 Het investeringsfonds moet onder leiding staan van een professioneel management,
dat onafhankelijk is van de overheid en gecontroleerd wordt door een
onafhankelijk bestuur.
 Het investeringsfonds moet met een vaste begroting werken en de uitgaven mogen
niet te veel schommelen. Eventuele meevallers door hogere gasprijzen moeten
opzij worden gezet om eventuele toekomstige tegenvallers te compenseren. Zo
wordt voorkomen dat er onrendabele projecten worden gefinancierd omdat het
geld moet worden uitgegeven, wat bij het FES gebeurde voordat er in 2008 een
plafond werd ingesteld.
 De rentabiliteit van projecten moet vooraf met een kosten-batenanalyse worden
geanalyseerd door een onafhankelijk bureau (bijvoorbeeld het CPB). Alleen
projecten met een positieve kosten-batenanalyse mogen worden uitgevoerd.
Eventueel kan hieraan een getal worden verbonden om te voorkomen dat
projecten met een marginaal positief effect op de economie worden uitgevoerd.
30
 Burgers moeten bewust worden gemaakt van het doel en het belang van het
investeringsfonds, om maatschappelijke druk tot het uitgeven van de gelden te
voorkomen.
Het rendement van een investeringsfonds is moeilijk te bepalen. Per project zal van
tevoren met een kosten-batenanalyse het te verwachten rendement moeten worden
bepaald, en worden beslist of dit aanvaardbaar is. De overheid kan ervoor kiezen een
minimumrendement in te stellen. Wanneer het verwachte rendement van een project dan
lager is, wordt het niet uitgevoerd. De hoogte van dit minimumrendement kan worden
gebaseerd op de staatsschuldrente of het verwachte rendement van een SWF.
31
Hoofdstuk 3: Milieuwetenschappen
3.1 Duurzaamheid
Aardgas op zichzelf is geen duurzame bron. Hiervoor zijn twee redenen. Ten eerste is
aardgas een niet-hernieuwbare bron, omdat er maar een beperkte hoeveelheid van in de
aardkorst aanwezig is. Deze kan slechts op een tijdsschaal van miljoenen tot miljarden
jaren door geologische processen worden aangevuld, terwijl de extractie van aardgas veel
minder tijd in beslag neemt. Dit maakt het gebruik van aardgas niet duurzaam: als we het
opmaken kunnen toekomstige generaties er geen gebruik meer van maken (Miller &
Spoolman, 2009).
Een tweede reden waarom aardgas niet duurzaam is heeft te maken met de
verbranding van aardgas. Deze gaat gepaard met de uitstoot van het broeikasgas CO2 (U.S.
EPA, 2012a). Bovendien lekt hierbij het nog sterkere broeikasgas methaan (CH4) weg. De
ingrijpende gevolgen hiervan voor het klimaat worden besproken in Paragraaf 3.3.
Daarnaast leidt de verbranding van aardgas tot luchtvervuiling, doordat er zwaveldioxide
en stikstofoxiden bij vrijkomen (U.S. EPA, 2012b). Dit wordt behandeld in Paragraaf 3.4.
3.2 Energiegebruik in Nederland
Voor de ontdekking van het aardgasveld in Slochteren gebruikte Nederland eigenlijk geen
aardgas. In 1950 was 78% van de energie afkomstig uit steenkool en de rest uit aardolie
(Figuur 3.1).11 In de jaren ‘60 veranderde dit snel. In 1970 bedroeg het aandeel van
steenkool nog maar 10%. Het grootste deel van de energie werd geleverd door aardolie
(58%) en aardgas (31%).
Door de eerste oliecrisis van 1973 nam het totale energieverbruik af, maar het
aandeel van aardgas nam toe. De tweede oliecrisis in 1979 had een sterker effect. Aardgas
had olie inmiddels ingehaald als de belangrijkste energiebron. Door de hoge prijzen en de
11
Bron: CBS Statline.
32
daaropvolgende economische crisis zakte het energieverbruik in de periode 1979-1982
met 19%.
Vanaf 1985 bleef de Nederlandse energieconsumptie geleidelijk toenemen. Hierbij
bleef de verdeling tussen de verschillende energiebronnen ongeveer gelijk: 10 tot 12% was
afkomstig uit steenkool, 32 tot 40% uit aardolie, en 42 tot 52% uit aardgas. Kernenergie is
nooit een belangrijke energiebron geweest; slechts enkele procenten van de energie
worden opgewekt in kerncentrales.
Al met al kunnen we stellen dat Nederland in de loop van 60 jaar massaal steenkool
heeft ingeruild voor aardgas. Dit heeft belangrijke implicaties gehad voor het milieu.
Figuur 3.1: Fossiel energiebruik in Nederland (PJ), 1950-2012.
Bron: CBS Statline.
33
3.3 Klimaatverandering
De verbranding van fossiele brandstoffen gaat gepaard met de uitstoot van broeikasgassen,
waarvan koolstofdioxide (CO2) het belangrijkste is. De emissiefactoren verschillen sterk
per soort fossiele brandstof. Zoals te zien in Tabel 3.1 komt bij de verbranding van aardgas
relatief weinig CO2 (56,6 kg/GJ) vrij, in vergelijking met aardolie (73,3 kg/GJ) en
steenkool (94,7 kg/GJ).
Tabel 3.1: Emissiefactoren van fossiele brandstoffen voor CO2, SO2 en NOx.
Brandstof12 Aardgas
Aardolie
Steenkool
56,6
73,3
94,7
0,00706
0,499
0,540
0,120
0,166
0,249
Vervuiling
CO2-uitstoot (kg per
GJ)
SO2-uitstoot (kg per
GJ)
NOx-uitstoot (kg per
GJ)
Bronnen: Vreuls & Zijlema (2011); U.S.EPA (2012a).
De uitstoot van CO2 heeft een versterkende invloed op het broeikaseffect. Broeikasgassen
absorberen infrarode straling die de aarde uitstraalt, en kaatsen deze terug naar het
aardoppervlak, waardoor de temperatuur op aarde hoger wordt. Een toename van de CO2concentratie in de atmosfeer zorgt dan ook voor een stijging van de temperatuur op aarde,
en dus ook in Nederland (Houghton, 2009).
De afgelopen honderd jaar is de gemiddelde temperatuur in Nederland met 1.7 °C
gestegen. Het aantal jaarlijkse zomerse dagen steeg met bijna 20, terwijl het aantal
vorstdagen ongeveer even veel afnam. De temperatuurstijging is ongeveer twee keer zo
12
Aardgas, aardolie en steenkool zijn verzamelnamen voor groepen fossiele brandstoffen. Voor iedere groep
is de meest voorkomende soort gebruikt. Dit zijn respectievelijk droog aardgas, ruwe aardolie en
bitumineuze steenkool (Vreuls & Zijlema, 2011).
34
groot als de gemiddelde temperatuurstijging op aarde en de afgelopen 20 jaar is er geen
afzwakking van deze trend opgetreden (PBL, 2012).
In Nederland zijn verschillende veranderingen zichtbaar die samenhangen met de
hogere temperatuur (zie Tabel 3.2). Op het gebied van de waterhuishouding is de overlast
toegenomen. De afvoer van rivierwater neemt in de winter toe en in de zomer af.
Bovendien is de temperatuur van het water toegenomen, evenals de verzilting. Opvallend
is dat de zeespiegel voor de Nederlandse kust weliswaar gestegen is, maar dat er geen
versnelling is opgetreden ten opzichte van 1900. De stijging is langzamer dan in de rest
van de wereld (PBL, 2012).
Voor de landbouwsector pakt klimaatverandering over het algemeen positief uit.
Door de hogere CO2-concentratie is de productiviteit toegenomen. Bovendien is het
groeiseizoen verlengd. Daar staat een lichte toename van wateroverlast en verzilting
tegenover (PBL, 2012).
Klimaatverandering heeft ook effect op de menselijke gezondheid. Door warmere
zomers is de sterfte in dat seizoen toegenomen, maar deze ontwikkeling wordt meer dan
gecompenseerd door een lagere sterfte in de winter. Hoewel het totale aantal
sterftegevallen dus daalt door klimaatverandering, neemt het aantal infectieziektes toe.
Bovendien krijgen meer mensen last van allergieën (PBL, 2012).
Tabel 3.2: De gevolgen van klimaatverandering in Nederland.
Sector
Waargenomen
Mogelijke toekomst
verandering t.o.v. 1900
(KNMI)
Water-
Zeespiegel Nederlandse
Afgelopen eeuw 20 cm;
Bij huidig tempo + 35
huishouding
kust
geen versnelling ten
tot + 85 cm (rond
opzichte van 1900
2100); > 100 cm in
extreme
klimaatscenario’s
Jaargemiddelde
rivierafvoeren (Rijn)
Geen toename
Geen eenduidige
verandering
Bron: PBL (2012).
35
Tabel 3.2 (vervolg): De gevolgen van klimaatverandering in Nederland.
Sector
Waargenomen
Mogelijke toekomst
verandering t.o.v. 1900
(KNMI)
Water-
Seizoenen rivierafvoeren
Toename in de winter,
Verdere toename in
huishouding
(Rijn)
afname in de zomer
de winter, verdere
afname in de zomer
Extreme rivierafvoeren
Geen trend
Toename piekafvoer
Wateroverlast
Lichte toename
Sterke toename
Watertemperaturen
Hogere temperaturen in
Verdere stijging met
veel oppervlaktewateren
mogelijke negatieve
invloed op
waterkwaliteit
Verzilting
Toename
Verdere toename
Droogte in zomer
Geen trend
Toename, sterkte
afhankelijk van
scenario
Landbouw
Groeiseizoen
Vijf weken langer
Verdere verlenging
Opbrengsten
Lichte toename
Verdere toename
Wateroverlast
Lichte toename
Frequentere schade
Droogte
Geen trend
Frequentere schade
Verzilting
Frequentere schade
Doorgaande
ontwikkeling
Menselijke
Hittestress en
Toename sterfte door
Verdere toename, ook
gezondheid
zomersmog
hittestress
door zomersmog
Wintersterfte
Minder ziekte en afname
Verdere daling
wintersterfte
Allergieën
Aantal ‘allergiedagen’
Verdere stijging
toegenomen
Infectieziektes
Effecten gemengd, maar
Grote onzekerheid
in totaal toename
Recreatie
Recreatiedagen
Toename
Verdere toename
Bron: PBL (2012).
36
Doordat het energiegebruik in Nederland sinds 1950 drastisch is veranderd (zie Paragraaf
3.2), is de jaarlijkse CO2-uitstoot sterk gedaald. Was in 1950 de uitstoot van CO2 nog 90 kg
per GJ, in 1970 was deze met 22% gedaald tot 70 kg per GJ.13 Dit heeft alles te maken met
het feit dat Nederland meer gebruik ging maken van aardgas, ten koste van de consumptie
van steenkool. Doordat bij de verbranding van aardgas 40% minder CO2 wordt uitgestoten
dan bij de verbarnding van steenkool zijn de emissies sterk gedaald. Vanaf 1970 namen de
emissies verder af tot 62 kg per GJ in 2012 (zie Figuur 3.2).
Figuur 3.2: Emissies van CO2, SO2 en NOx (kg per GJ), 1950-2012.
Bronnen: CBS Statline, Vreuls & Zijlema (2011).
13
Uitgaande van de constante emissiefactoren van Vreuls & Zijlema (2011) en de energieconsumptie van
CBS Statline. Door schonere productietechnieken vergeleken met vroeger is de daling van de emissies in
werkelijkheid forser. Uitstoot van broeikasgassen wordt in Nederland echter pas sinds 1990 geregistreerd
(Compendium voor de Leefomgeving, 2013).
37
3.4 Luchtvervuiling
Een belangrijke bron van stedelijke luchtverontreiniging in het Nederland van de jaren
’50 en ’60 was het gebruik van steenkool (Clarenburg, 1999). Kolen werden gebruikt om
elektriciteit op te wekken en voor de productie van stoom in de industrie, maar ook voor
de verwarming van huizen. In die tijd deden zich ook de eerste gevallen van extreem hoge
niveaus van luchtverontreiniging voor (Burema et al., 1964). De belangrijkste bronnen
van luchtvervuiling waren zwaveldioxide en stikstofoxiden.
Deze stoffen hebben een schadelijk effect op de menselijke gezondheid en het
milieu. Wetenschappers brengen blootstelling aan zwaveldioxide in verband met diverse
gezondheidsproblemen, zoals bronchitis, astma en oogirritatie (U.S. EPA, 2012b).
Stikstofoxiden hebben vergelijkbare negatieve effecten op de gezondheid (U.S. EPA,
2013). Daarnaast remt zwaveldioxide de groei van gewassen en is het een belangrijke
veroorzaker van smog en zure regen (U. S. EPA, 2012b).
De introductie van aardgas aan het einde van de jaren ’60 zorgde voor een snelle
vermindering van de luchtvervuiling (Clarenburg, 1999). Tussen 1960 en 1980 nam de
uitstoot van zwaveldioxide met 51% af. In diezelfde periode daalde de uitstoot van
stikstofoxiden met 29%.14 Het gebruik van aardgas heeft dus een gemengd effect op
klimaat, milieu en gezondheid. Aardgasgebruik leidt tot klimaatverandering en
luchtvervuiling, maar aardgas is schoner dan steenkool. Het gebruik van aardgas als
alternatief voor steenkool heeft dan ook een positief effect.
3.5 Aardgas in de energietransitie
Het doel van het Nederlandse energiebeleid op de lange termijn is het bereiken van een
duurzame energiehuishouding. Daarmee wordt bedoeld dat de geproduceerde en
14
Uitgaande van de constante emissiefactoren van U.S. EPA (2012) en de energieconsumptie van CBS
Statline. Door schonere productietechnieken vergeleken met vroeger is de daling van de emissies in
werkelijkheid forser. Het ontbreekt aan een consistente dataset over de luchtvervuiling in Nederland na de
Tweede Wereldoorlog.
38
geconsumeerde energie schoon, betrouwbaar en efficiënt is. Het traject in de richting van
een duurzame energiehuishouding wordt de energietransitie genoemd (Ministerie van
Economische Zaken, 2008; Van Foreest, 2010). De rol van aardgas in deze transitie blijft
tot 2030 – wanneer de Nederlandse aardgasreserves zo goed als op zullen zijn – om drie
redenen belangrijk:
 Aardgas is nog enkele decennia aanwezig en relatief goedkoop. Het gebruik van gas
is komt dan ook ten goede van de betrouwbaarheid en de economsiche efficiëntie
van de energievoorziening (Van Foreest, 2010).
 Aardgas is de schoonste fossiele brandstof (zie Paragraaf 3.3 en 3.4). Dit is niet
alleen goed voor het milieu, maar draagt ook bij aan de economische efficiëntie. Bij
een stijgende CO2-prijs zijn gascentrales rendabeler dan kolen- en oliecentrales
(Van Foreest, 2010).
 Aardgas vormt een natuurlijke combinatie met duurzame energie omdat het
flexibel inzetbaar is. Gascentrales zijn geschikt om te voorzien in de
reservecapaciteit voor elektriciteitsopwekking uit zon en wind, omdat ze relatief
gemakkelijk en goedkoop kunnen worden aan- en uitgezet (Van Foreest, 2010).
Bovendien kan gas in combinatie met duurzame energiebronnen als
biobrandstoffen en zonne-energie op efficiënte wijze warmte opwekken (Correljé,
2011).
We gaan nu verder in op de laatstgenoemde reden.
3.5.1 Flexibiliteit
Aardgascentrales zijn flexibeler dan kern- en kolencentrales en kunnen goed voorzien in
de reservecapaciteit voor elektriciteitsopwekking uit zon en wind, omdat ze relatief
gemakkelijk en goedkoop kunnen worden aan- en uitgezet. Dit maakt aardgas tot de beste
fossiele brandstof om tijdens de energietransitie wind- en zonne-energie te ondersteunen
(Van Foreest, 2010)
39
Vos (2012) onderscheidt verschillende manieren om de flexibiliteit van een
elektriciteitscentrale te bepalen (zie Tabel 3.3). Ten eerste is de starttijd van belang. Een
flexibele centrale moet zo snel mogelijk kunnen opstarten. Gas is hiervoor het meest
geschikt. De starttijd van een gascentrale bedraagt 10 tot 40 minuten, van een
kolencentrale 40 tot 60 minuten en van een kerncentrale 60 tot 120 minuten,15 Ten
tweede zijn de startkosten medebepalend voor de flexibiliteit. Dit zijn de brandstof- en
arbeidskosten die nodig zijn om de centrale op het niveau te krijgen waarop elektriciteit
wordt geproduceerd. Aardgascentrales hebben lagere startkosten dan kolen- en
kerncentrales. Ten derde is de schakelsnelheid van belang. Dit is het tempo waarin een
centrale vermogen kan af- of bijschakelen. Een aardgascentrale heeft de hoogste
schakelsnelheid en is dus ook in dit opzicht het meest flexibel. Tenslotte is er de minimale
stabiele generatie. Dit is het laagste vermogen dat een centrale zonder significante
technische moeilijkheden kan leveren. Ook hier scoort aardgas het beste (Vos, 2012).
Tabel 3.3: Vergelijking van de flexibiliteit van aardgas-, kolen- en kerncentrales.
Starttijd
Startkosten
Schakelsnelheid
Minimum stabiele
generatie
Aardgas
++
+
+
+
Kolen
-
--
-
-
Kernenergie
--
--
-
--
Bron: Vos (2012).
De kosten van een elektriciteitscentrale bestaan uit een variabel en een vast deel.
Variabele kosten, zoals brandstoffen. zijn afhankelijk van het geleverde vermogen, zoals
brandstofkosten. Vaste kosten, zoals investerings- en onderhoudskosten, zijn
onafhankelijk van het geleverde vermogen. Wanneer een centrale meer vermogen levert
worden de vaste kosten gespreid en dalen de kosten per kWh (Vos, 2012).
15
Dit zijn de starttijden van een ‘hete’ start, een start nadat de centrale korter dan 8 uur inactief is geweest.
Wanneer een centrale langer buiten werking is geweest zijn de verschillen tussen de opstarttijden groter,
wat de flexibiliteit van gascentrales verder vergroot (Vos, 2012).
40
Door de lagere investeringskosten van gascentrales nemen bij afname van de geleverde
capaciteit de productiekosten niet zo snel toe als bij kolen- en kerncentrales. De relatief
lage investeringskosten maken van gas in economisch opzicht de meest aantrekkelijke
brandstof voor een elektriciteitscentrale die flexibel dient te zijn en vaak een lage
capaciteit moet leveren. Bij een capaciteitsfactor16 van 85% of lager is elektriciteit
opgewekt in een gascentrale het goedkoopst (zie Figuur 3.3) (Vos, 2012). Als in de
toekomst het aandeel van duurzame energiebronnen in het Nederlandse energiegebruik
toeneemt, zal de capaciteitsfactor van conventionele elektriciteitscentrales afnemen,
omdat deze slechts als basis en ondersteuning dienen. Dit is in het voordeel van
aardgascentrales.
Figuur 3.3: De productiekosten van elektriciteit uit kernenergie, aardgas en steenkool,
afhankelijk van capaciteitsfactor.
Bron: Vos (2012).
De belangrijkste duurzame energiebron in Nederland is windenergie. We zullen nu nader
ingaan op de specifieke combinatie van gas en wind als energiebronnen.
16
De capaciteitsfactor geeft aan hoeveel energie een centrale per jaar opwekt als percentage van de
hoeveelheid energie die hij maximaal had kunnen opwekken (Blok, 2009).
41
3.5.2 Gas en windenergie
Windenergie is aantrekkelijk voor Nederland, met zijn grootschalige vlakke en open
landschappen aan de kust, de relatief ondiepe Noordzee, en de off-shore expertise
(Ministerie van Economische Zaken, 2011). Wind heeft een prominente rol te spelen in de
energietransitie omdat het de enige duurzame energiebron is die op grote schaal kan
worden ingezet. De beperkte beschikbaarheid van tweede-generatie biobrandstoffen
zonder negatief effect op de voedselprijzen staat het gebruik van biobrandstoffen op grote
schaal in de weg, en grootschalig gebruik van zonnepanelen is in Nederland nog te duur
(Van Foreest, 2010).
De inzet van windenergie heeft belangrijke implicaties voor de rol van gas in de
energietransitie. Het belang van een flexibele productiecapaciteit neemt daardoor om drie
redenen toe:
 Windsnelheden zijn moeilijk te voorspellen (Vos, 2012). Onderschatting leidt tot
verspilling: er wordt dan onnodig elektriciteit geïmporteerd. Bij overschatting
moet er snel elektriciteit worden geïmporteerd, wat de prijs opdrijft. Daarom is het
nodig dat windenergie wordt ondersteund door flexibele elektriciteitscentrales die
gemakkelijk aan- en uitgezet kunnen worden. Gas is hier het meest geschikt voor
(Van Foreest, 2010).
 Het vermogen van wind varieert sterk en is onafhankelijk van de vraag.
Windturbines hebben een lage capaciteitsfactor vergeleken met conventionele
energiebronnen, tussen 20% en 40%. Ook dit vraagt om een aanvulling met gas,
omdat gascentrales flexibel zijn en de variatie in windenergie kunnen
compenseren (Van Foreest, 2010; Vos, 2012).
 Bij te hoge snelheden moeten windturbines worden uitgezet. In dat geval daalt het
vermogen van maximaal naar nul (Vos, 2012).
42
3.6 Onzekerheid
Transities worden gekenmerkt door een hoge mate van onzekerheid en complexiteit (Van
Foreest, 2010). Op de lange termijn (na 2030) is de positie van gas in de energietransitie
niet langer eenduidig. De gasreserves zijn dan wellicht op. Daarnaast zijn er nog twee
factoren bepalend voor de rol van gas. Ten eerste heeft de vraag naar duurzame energie
directe invloed op de vraag naar gas. Hoe meer duurzame energie er wordt opgewekt, hoe
meer flexibele gascentrales er nodig zullen zijn. Ten tweede is de vraag naar gas
afhankelijk van de infrastructuur. Wanneer het elektriciteitsnet flexibeler wordt en er
elektriciteit kan worden opgeslagen wordt de rol van aardgas minder belangrijk.
Vraag naar duurzame energie
Er bestaat onzekerheid over de invloed van het streven naar duurzaamheid op de vraag
naar en de rol van aardgas in de toekomst (Correljé, 2011). Hoewel het kabinet ambitieuze
langetermijndoelstellingen heeft wat betreft de duurzaamheid van het energiebeleid
(Ministerie van Economische Zaken, 2011), is de lobby tegen duurzame energie tamelijk
dominant. De industrie beschermt haar belangen en heeft grote invloed op de wet- en
regelgeving. Duurzame energie zit in een niche en radicale verandering wordt
tegengewerkt (Kern & Smith, 2008).
Een andere belangrijke factor is de CO2-prijs. Momenteel is elektriciteit uit kolen
goedkoper dan elektriciteit uit gas en worden gascentrales slechts gebruikt wanneer er
behoefte is aan flexibiliteit. Dit kan doordat de vraag naar elektriciteit fluctueert of
doordat aardgas gebruikt wordt in combinatie met duurzame energiebronnen als zon en
wind. Wanneer de CO2-prijs toeneemt wordt kolen economisch minder aantrekkelijk dan
gas, omdat bij de verbranding van kolen meer CO2 wordt uitgestoten (MIT, 2011; Van
Foreest, 2010).
Infrastructuur
Een goede infrastructuur is van cruciaal belang voor een goede energiemarkt. De volgende
ontwikkelingen hebben invloed op de rol van aardgas in de toekomst:
43
 Uitbreiding en verzwaring van bestaande netten: hierdoor kan de wisselende
productie als gevolg van het groeiend aandeel van duurzame energie – met name
wind- en zonne-energie – worden opgevangen. Elektriciteit zou binnen de
Europese markt van plaatsen met een overschot naar plaatsen met een tekort
kunnen worden getransporteerd (Ministerie van Economische Zaken, 2011).
Hierdoor zou het belang van aardgas als flexibele energiebron afnemen.
 Ontwikkeling van efficiënte opslagtechnieken voor elektriciteit. Grootschalige
opslag van elektriciteit vermindert de vraag naar flexibele opwekkingscapaciteit
(Ministerie van Economische Zaken, 2011).
Toekomstbeleid
Door een aantal grote onzekerheden is het lastig om een langetermijnstrategie voor het
Nederlandse gasbeleid te ontwikkelen. Een aantal van die onzekerheden heeft grote
invloed op de toekomstige energievoorziening. Er zit veel speelruimte in de rol en het
belang van aardgas. Daarom is het belangrijk om adaptieve strategieën te ontwikkelen die
rekening houden met veranderingen en verschillende mogelijke trends (Correljé & Van
Geuns, 2006). Dit geldt des te meer doordat het bouwen van een energiecentrale erg lang
duurt. Om een lock-in17 van onrendabele energiecentrales te voorkomen is het zaak
flexibel beleid te voeren en meerdere opties open te houden (Van Foreest, 2010).
Het is daarom van cruciaal belang dat de overheid een breed uitgedragen visie
ontwikkelt op de toekomstige energievoorziening en de rol van gas daarbinnen. Zo’n visie
ondersteunt de private sector bij het doen van de meest geschikte investeringen en geeft
lokale overheden een richtlijn voor ruimtelijke planning en het verlenen van
vergunningen. Bovendien geeft een dergelijke visie energieverbruikers en burgers richting
Arthur (1989) beschrijft een lock-in als een situatie waarbij een bepaalde technologie dominant is en er
sprake is van toenemende schaalopbrengsten. Dit voorkomt de introductie van andere technologieën (in het
begin op een kleinere schaal), die op grote schaal wellicht superieur zijn aan de dominante technologie. Van
Foreest (2010) past dit toe op het Nederlandse energiesysteem en waarschuwt voor het inzetten op één
technologie, om te voorkomen dat de introductie van nieuwe, duurzame technologieën in de toekomst door
een lock-in geblokkeerd wordt.
17
44
bij de aanschaf en het gebruik van energieconsumerende apparaten en diensten (Correljé,
2011).
45
4: Integratie
In dit hoofdstuk worden de disciplinaire inzichten samengevoegd tot een nieuw geheel.
Dit gebeurt in drie stappen. In de analyse worden de disciplinaire inzichten besproken en
worden de overeenkomsten en verschillen duidelijk gemaakt. Daarna wordt er common
ground gecreëerd door botsende inzichten met elkaar te verzoenen. Dit leidt tenslotte tot
een more comprehensive understanding, een antwoord op de onderzoeksvraag dat beide
disciplines in zich verenigt.
4.1 Analyse van disciplinaire inzichten
4.1.1 Overzicht
Tabel 4.1: Een overzicht van de disciplinaire inzichten.
Economie

De Nederlandse aardgasbaten
Aardgas op zichzelf is niet duurzaam doordat
het een niet-hernieuwbare bron is, leidt tot
geld is niet geïnvesteerd maar
luchtvervuiling en bijdraagt aan
geconsumeerd en het
klimaatverandering.

Aardgas is wel de schoonste fossiele brandstof.
is gedaald.
Het gebruik van aardgas heeft de afgelopen
Om de aardgasbaten in de
honderd jaar geleid tot minder luchtvervuiling
toekomst duurzaam te besteden
en een afname van broeikasgasemissies.
zijn er drie mogelijkheden: een


zijn niet duurzaam besteed. Het
nettovermogen van de overheid

Milieuwetenschappen

Aardgas kan bijdragen aan een duurzamere
SWF, een investeringsfonds en
wereld indien het in elektriciteitscentrales
staatsschuldreductie.
wordt gebruikt om windenergie (en andere
Het is van belang om de
variabele duurzame energiebronnen) te
aardgasbaten te beschermen
ondersteunen.
tegen politiek
kortetermijndenken en een

Het is van belang om een stabiel energiebeleid
te vormen dat op de lange termijn is gericht.
langetermijnvisie op te stellen.
46
Een overzicht van de disciplinaire inzichten is weergegeven in Tabel 4.1.
Economische inzichten
Economisch gezien zijn er drie belangrijke inzichten. Ten eerste zijn de aardgasbaten in
het verleden niet op een duurzame wijze besteed. De aardgasvoorraad is niet omgezet in
vermogen (kapitaalgoederen, financiële activa) of gebruikt om de staatsschuld af te lossen.
Het geld is niet geïnvesteerd, waardoor toekomstige generaties er niet van kunnen
profiteren.
Het tweede inzicht gaat over de ideale besteding van de aardgasbaten. Er zijn
hiervoor drie mogelijkheden. De overheid kan de aardgasvoorraad omzetten in financiële
activa en deze storten in een Sovereign Wealth Fund (SWF). Ook kan het geld gebruikt
worden voor investeringsfonds. Een andere mogelijkheid is om de aardgasbaten te
gebruiken om de staatsschuld af te lossen. De keuze voor één van deze drie opties hangt af
van het rendement en van de mate waarin de voorwaarden van de drie mogelijkheden
kunnen worden nageleefd.
Tenslotte is het van belang om de aardgasbaten te beschermen tegen
kortetermijndenken door politici. Deze proberen stemmen te trekken door te beloven de
aardgasbaten voor consumptie te gebruiken. Dit baat de huidige generaties, maar zorgt
ervoor dat het nettovermogen van de overheid daalt en dat toekomstige generaties niet
van het geld kunnen profiteren. Het is daarom belangrijk om een beleid te ontwikkelen
dat gericht is op investeringen op de lange termijn.
Milieuwetenschappelijke inzichten
Milieuwetenschappelijk gezien zijn er vier belangrijke inzichten. Ten eerste is het aardgas
als energiebron niet duurzaam. De aardgasvoorraden zijn eindig, waardoor gebruik van
aardags door huidige generaties voorkomt dat toekomstige generaties ervan kunnen
profiteren. Daarnaast gaat de verbranding van aardgas gepaard met de uitstoot van
broeikasgassen, waardoor het klimaat verandert. Bovendien komen bij de verbranding
zwaveldioxide en stikstofoxiden vrij, wat leidt tot luchtverontreiniging.
47
Aardgas is echter wel de schoonste fossiele brandstof, en daarom duurzamer dan
kolen en olie. Nederland is na de ontdekking van het aardgas in Groningen en de oliecrisis
op grote schaal overgestapt op het gebruik van aardgas. Vervolgens nam de kwaliteit van
de lucht toe en werden er minder broeikasgassen uitgestoten. Op die manier heeft aardgas
Nederland duurzamer gemaakt.
Een derde inzicht betreft het flexibele karakter van aardgas. In Nederland wordt
steeds meer elektriciteit duurzaam opgewekt. Dit gebeurt met name door het gebruik van
windenergie. Het door turbines opgewekte vermogen wisselt sterk, doordat
windsnelheden variëren. Om dit op te vangen zijn er elektriciteitscentrales nodig die
flexibel aan en uit kunnen worden gezet. Gascentrales zijn hier het meest geschikt voor.
Tenslotte geldt ook voor het energiebeleid dat een duidelijke langetermijnvisie van
belang is. Dit geeft private partijen en burgers zekerheid in hun investeringen. Bovendien
voorkomt het een lock-in, indien er wordt ingezet op meerdere alternatieven.
4.1.2 Overeenkomsten en verschillen
Overeenkomsten

Vanuit beide disciplines wordt
Verschillen

Investeringen kunnen economisch
gehamerd op een consistente
duurzaam zijn, maar het milieu
langetermijnvisie.
vervuilen.

Duurzaam energiebeleid draagt
weliswaar bij aan een schoner milieu,
maar is niet per se economisch
duurzaam.
Beide disciplines belichten verschillende aspecten van het probleem. Dit zorgt ervoor dat
er weinig overeenkomsten en verschillen zijn tussen de disciplinaire inzichten. Toch zijn
is er één duidelijke overeenkomst: de nadruk op de lange termijn. Om aardgasbaten
duurzaam te gebruiken moet er een duidelijke langetermijnvisie komen die gericht is op
toekomstige generaties. Het is zaak de aardgasbaten te isoleren van de politieke waan van
de dag, om te voorkomen dat de gelden geconsumeerd worden en toekomstige generaties
48
er niet van profiteren. Voor het energiebeleid geldt hetzelfde. Een consistent beleid geeft
burgers, bedrijven en lokale overheden zekerheid.
Daarnaast bestaan er twee verschillen tussen de disciplinaire inzichten. Deze
hebben heeft te maken met het concept duurzaamheid, dat in beide disciplines iets anders
betekent. Ten eerste kunnen investeringen economisch duurzaam zijn, maar kunnen de
gevolgen ervan het milieu schaden. Dit geldt voor fysieke investeringen, zoals de aanleg
van vervuilende infrastructuur, maar ook voor beleggingen in ondernemingen die slecht
zijn voor het milieu. Andersom is het mogelijk dat een overheid inzet op duurzame
energie zonder dat dit economisch rendabel is. Dit beperkt de inkomens van toekomstige
generaties en is dus vanuit economisch oogpunt niet duurzaam.
4.2 Common ground
De verschillen tussen de inzichten die in de voorgaande paragraaf zijn geïdentificeerd
voorkomen dat er een eenduidig antwoord op de onderzoeksvraag kan worden gegeven.
De eisen die beide disciplines aan het concept ‘duurzaamheid’ verbinden komen niet
overeen. Als iets economisch duurzaam is, is het niet automatisch ook duurzaam wat
betreft het milieu, en vice versa.
Dit verschil moet worden ‘gladgestreken’ om tot een eenduidig antwoord te
komen. Repko (2012) noemt dit het creëeren van common ground, het vinden van een
manier waarop je verschillende inzichten met elkaar kan verzoenen. In de literatuur over
interdisciplinariteit worden drie mogelijke situaties geïdentificeerd:

er is geen echt conflict tussen de inzichten maar vanwege een terminologisch
verschil zijn de overeenkomsten onzichtbaar;

de inzichten zijn wel verschillend, maar botsen niet met elkaar omdat ze
alternatieven geven;

de inzichten staan recht tegenover elkaar en sluiten elkaar uit.
In dit onderzoek is sprake van het tweede type situatie. Economische duurzaamheid en
duurzaamheid qua milieu bieden alternatieven. Iets kan duurzaam zijn wanneer het de
49
vermogenspositie van toekomstige generaties of de kwaliteit van de leefomgeving van
toekomstige generaties niet aantast.
De ‘techniek’ die wordt gebruikt om een dergelijk probleem te verhelpen wordt
extensie genoemd. Hierbij wordt een theorie of concept als het ware ‘opgerekt’. De
betekenis van een theorie of concept verheft zich dan boven de twee disciplines, en blijft
niet meer beperkt tot één discipline (Repko, 2012).
We kunnen extensie toepassen in dit onderzoek door de definities van het concept
‘duurzaamheid’ van beide disciplines met elkaar te verbinden. Zo zijn de disciplinaire
inzichten niet langer alternatieven, maar voorwaarden om iets duurzaam te kunnen
noemen. Er is geen sprake meer van ‘of’ maar van ‘én’: een fenomeen is duurzaam
wanneer het én economisch duurzaam is én duurzaam qua milieu.
Dit inzicht is niet nieuw. In het rapport Our Common Future van de VNcommissie Brundtland wordt duurzame ontwikkeling gedefinieerd als: “development that
meets the need of the present without compromising the ability of future generations to
meet their own needs.” (United Nations, 1987). In navolging van Barbier (1987) wordt dit
vaak opgesplitst in drie domeinen: ecologische duurzaamheid (planet), economische
duurzaamheid (profit) en sociale duurzaamheid (people)18. Er kan pas sprake zijn van
duurzame ontwikkeling wanneer aan de eisen van alle drie de dimensies wordt voldaan.
In de wetenschappelijke praktijk wordt het concept duurzaamheid echter niet zo breed
gebruikt. De meeste wetenschappers doen onderzoek vanuit hun eigen discipline, en
toetsen verschijnselen enkel aan de opvatting van duurzaamheid die in hun vakgebied
gangbaar is (Clarke & Dickson, 2003).
18
Hodgson (g.d.) geeft de volgende definitie van sociale duurzaamheid: “Social sustainability occurs when
the formal and informal processes; systems; structures; and relationships actively support the capacity of
current and future generations to create healthy and livable communities.”
50
4.3 A more comprehensive understanding
Op basis van deze common ground kunnen we de disciplinaire inzichten tot een nieuw
geheel integreren. Dit is een antwoord op de onderzoeksvraag in de ‘nieuwe taal’ van de
common ground, die inzichten vanuit beide disciplines samenbrengt. Repko (2012) noemt
zo’n antwoord een more comprehensive understanding.
Onze onderzoeksvraag luidt: In hoeverre kunnen de resterende Nederlandse
aardgasreserves bijdragen aan de duurzaamheid van Nederland? Op basis van de
disciplinaire inzichten en het gebruik van het interdisciplinaire concept van
duurzaamheid kan de more comprehensive understanding als volgt worden samengevat:
Aardgas kan bijdragen aan de duurzaamheid van Nederland wanneer de waarde van de
aardgasreserves wordt omgezet in positief nettovermogen en aardgas een ondersteunende
rol speelt bij de opwekking van energie uit duurzame bronnen. Dit beleid dient te zijn
gestoeld op een geïntegreerde, interdisciplinaire langetermijnvisie, waarbij binnen het
concept van duurzame ontwikkeling wordt gekeken naar de economische én de
ecologische duurzaamheid van de maatregelen.
Deze integratie biedt een betere oplossing voor het probleem dan de afzonderlijke
disciplinaire inzichten. Beide disciplines werpen immers slechts licht op een deel van het
probleem. In deze integratie worden de disciplines samengebracht en verbonden door het
overkoepelende en centrale concept van duurzaamheid. In Hoofdstuk 5 worden enkele
beleidsaanbevelingen gedaan over de manier waarop dit interdisciplinaire inzicht in de
praktijk kan worden toegepast.
51
5 Conclusie
In het vorige hoofdstuk is een geïntegreerd antwoord gegeven op de onderzoeksvraag in
de nieuwe, interdisciplinaire ‘taal’ van de common ground. In dit hoofdstuk wordt dit
antwoord in de vorm van beleidsaanbevelingen naar de praktijk vertaald. Vervolgens
worden de onzekerheden van dit onderzoek en de overeenkomsten en verschillen met
andere, niet-wetenschappelijke onderzoeken besproken, en tenslotte worden enkele
suggesties voor verder onderzoek gedaan.
5.1 Beleidsaanbevelingen

Uit de voorgaande hoofdstukken kunnen beleidsaanbevelingen worden
gedestilleerd die betrekking hebben op het economisch beleid en het
energiebeleid. Daarnaast is het van belang dat er een interdisciplinaire denktank
wordt opgericht die gericht is op de lange termijn.
Economisch beleid
Hoewel niet eenduidig vaststaat wat er precies met de aardgasbaten moet
gebeuren, zijn er wel enkele principes die moeten worden gevolgd. Voor alle drie
de opties uit Hoofdstuk 2 gelden de volgende eisen:De nettovermogenspositie van
de overheid mag niet verslechteren. Dit betekent dat de aardgasvoorraad niet
geconsumeerd mag worden. De aardgasbaten moeten worden gebruikt voor het
aanvullen van de kapitaalgoederenvoorraad of de financiële activa om ervor te
zorgen dat de vermogenspositie gelijk blijft. Ook is het mogelijk om een deel van
de staatsschuld af te lossen met de aardgasbaten. In dat geval verminderen zowel
het overheidsvermogen als de overheidsschuld en blijft het nettovermogen gelijk.
52

Het rendement op de aardgasbaten moet ten goede komen aan de huidige
generatie. Dit helpt een ongelijke verdeling tussen generaties voorkomen.
Bovendien creëert het draagvlak bij de huidige generatie, die zo niet het gevoel
krijgt met lege handen te staan. De hoogte van dit rendement is echter onzeker
door de risico’s van beleggingen en investeringen en de fluctuerende rente op de
staatsschuld.

Burgers moeten goed geïnformeerd worden over de besteding van de aardgasbaten
om maatschappelijke druk tot consumeren te voorkomen. Aardgasbaten zijn
eigenlijk ‘gratis geld’. Voor politici is de verleiding daarom groot om ‘er stemmen
mee te kopen’.
Daarnaast gelden er per optie nog specifieke eisen . Bij eventuele staatsschuldreductie
is het vooral belangrijk om de aardgasbaten expliciet te scheiden van de
overheidsbegroting, zodat ze ook echt worden gebruikt om de staatsschuld af te lossen.
Voor het investeringsfonds geldt geldt dat investeringen pas mogen worden gedaan
nadat er een kosten-batenanalyse is gemaakt met een positief rendement als uitkomst.
Misschien is de aard van de investeringen nog wel belangrijker. De aardgasbaten
zullen pas echt duurzaam worden gebruikt wanneer de projecten ook duurzaam zijn.
Investeringen in fossiele energiebronnen en illegale houtkap zijn daarom niet geschikt.
Investeringen in duurzame energiebronnen en duurzame kap daarentegen wel.
Energiebeleid
Aardgas is geen duurzame energiebron. Toch kan het wel bijdragen aan een duurzamer
Nederland. Hierbij moeten de volgende richtlijnen worden gevolgd:

Aardgas moet worden gebruikt om variabele duurzame energiebronnen te
ondersteunen. Dit kan vooral in aanvulling op windenergie. Niet alleen
ondersteunt aardgas zo de inzet van duurzame energiebronnen, maar vervangt het
ook steenkool en olie. Dit resulteert in minder uitstoot van broeikasgassen en
minder luchtverontreiniging.
53

Het is van belang om adaptieve strategieën te ontwikkelen. Deze moeten rekening
houden met de onzekerheden omtrent energie en met veranderingen en trends. Zo
kunnen lock-ins voorkomen worden.

Energiebeleid moet consistent zijn, breed uitgedragen worden en op de lange
termijn zijn gericht. Dit geeft de private sector, burgers en lokale overheden een
richtlijn.
Interdisciplinaire langetermijndenktank met slagkracht
Het is van belang dat er bij het maken van overheidsbeleid meer rekening wordt
gehouden met de lange termijn en de complexe, interdisciplinaire aard van veel
maatschappelijke problemen. Zoals blijkt uit dit onderzoek zijn de Nederlandse
aardgasbaten voor een groot deel verkwanseld. Politici dachten vooral aan de huidige
generatie en ‘kochten stemmen met beloftes die door de aardgasbaten werden
gefinancierd. Ook bij het energiebeleid ontbreekt een visie voor de lange termijn.
Nederland loopt achter op het gebied van duurzame energie en het is vooralsnog
onduidelijk wat de rol van aardgas in de energietransitie zal zijn.
Dit staat niet op zichzelf. Recentelijk presenteerde de Commissie Huizenprijzen
bijvoorbeeld een vernietigend rapport over de Nederlandse huizenmarkt, met als
conclusie: de afgelopen decennia is de Nederlandse huizenmarkt een zeepbelgeweest, die
door de economische crisis onlangs is uiteengespat. De overheid had meer kunnen doen
om de prijsstijgingen te voorkomen. Waarschuwingen van economen werden jarenlang
genegeerd. Zij adviseerden naar aanleiding de hypotheekrenteaftrek aan te passen, om zo
de financieringsmogelijkheden van huizenkopers te beperken. Dit vond echter bij weinig
politici gehoor: afschaffing van de hypotheekrenteaftrek zou op de korte termijn te veel
kiezers kosten (Commissie Huizenprijzen, 2013).
Om dergelijke problemen in de praktijk aan te pakken moet er een nieuw orgaan
worden opgericht. Dit kan in de vorm van de Sociaal-Economische Raad (SER), waarin
wetenschappers en bestuurders uit verschillende wetenschapsgebieden en politieke
partijen plaatsnemen. De wetenschap zou daarbij kunnen worden vertegenwoordigd door
54
het CPB (voor het economische oogpunt), het PBL (voor de milieuwetenschappelijke
invalshoek) en het SCP (voor het sociaal-culturele perspectief).
De leden van dit orgaan komen bijeen om interdisciplinaire maatschappelijke
problemen te bespreken en een langetermijnvisie te bepalen. Zo kan worden voorkomen
dat verschillende disciplinaire organisaties langs elkaar werken. Bovendien geeft zo’n
orgaan zekerheid en ontstijgt het de waan van de dag. Zekerheid is sowieso een groot
goed, waaraan de laatste decennia steeds meer behoefte is ontstaan. Door ontzuiling en
zwevende kiezers is het Nederlandse overheidsbeleid steeds minder consistentie gaan
vertonen.
Bij de verkiezingsuitslagen vanaf 197719 valt het op dat de verkiezingsuitslagen
gedurende de eerste decennia eigenlijk weinig van elkaar verschilden. Het CDA won alle
verkiezingen en de drie grote partijen (CDA, PvdA en VVD) kregen 80 tot 90 procent van
de stemmen. Bovendien maakten alle kabinetten hun termijn af, wat zorgde voor politieke
rust en consistent beleid. In 1994 ontstond een trendbreuk. Vanaf dat jaar geven de
verkiezingsuitslagen een sterk wisselend beeld. De drie grote partijen behaalden nog maar
55 tot 75 procent van de stemmen. Geen enkele partij deed mee aan alle kabinetten. Het
CDA leverde drie keer de premier, de PvdA en de VVD beide twee keer. Bovendien heeft
sinds het kabinet Kok I geen enkel kabinet de volledige regeerperiode meer afgerond.
Door deze ontwikkeling is het beleid van de overheid steeds veranderlijker en
wisselvalliger geworden. Kabinetten volgen elkaar snel op en in elk nieuw regeerakkoord
wordt nieuw beleid afgesproken. In deze context heeft de hierboven besproken
interdisciplinaire denktank het doel de politieke korte termijn te negeren en de lange
termijn te bewaken.
19
In 1977 fuseerden de KVP, APR en CHP tot het Christelijk Democratisch Appèl (CDA). Dit luidde het
begin in van de ‘driepartijendemocratie’ waarin de politieke partijen CDA, PvdA en VVD jarenlang 80 tot
90% van de stemmen kregen.
55
5.2 Discussie
Meningen uit het maatschappelijke veld
Er zijn duidelijke verschillen en overeenkomsten tussen deze scriptie en andere, nietwetenschappelijke onderzoeksrapporten. Verschillende maatschappelijke actoren hebben
verschillende belangen en ideologieën. Non-profitorganisaties, de overheid, politieke
partijen, werkgevers en de gassector verschillen daardoor ook van mening over het
aardgas in Nederland.
In overeenstemming met het hier gerapporteerde onderzoek benadrukt nonprofitorganisatie Greenpeace (2008) het belang van de combinatie van wind en aardgas
voor duurzame elektriciteitsproductie in Nederland. Deze is beter voor het klimaat en de
menselijke gezondheid dan elektriciteit uit kolen. Om deze optie economisch
aantrekkelijk te maken wijst Greenpeace op de noodzaak van een hogere CO2-prijs. Vanaf
20 euro per ton CO2 zijn kolen duurder dan wind en gas.
Ook het Ministerie van Economische Zaken (2011) ziet in de energietransitie een
belangrijke rol weggelegd voor gas. Het vindt gas een flexibele, relatief schone en ruim
voorradige energiebron. Op de lange termijn is de positie van gas echter onduidelijk door
mogelijke toekomstige ontwikkelingen in duurzame energiebronnen en de infrastructuur
(zie Paragraaf 3.6).
Wat betreft de besteding van de aardgasbaten contrasteert de visie van de overheid
en de politiek met de uitkomsten van dit onderzoek. Geen van de politieke partijen is voor
een investeringsfonds, een SWF of staatsschuldreductie (CPB, 2012). Alle aardgasbaten
worden momenteel aan de lopende begroting toegevoegd en niet gebruikt om de
overheidsfinanciën te verduurzamen (Kamp, 2012).
Werkgeversorganisatie VNO-NCW pleit voor één van de drie bovengenoemde
bestemmingen van de aardgasbaten, namelijk een investeringsfonds. De baten moeten
gereserveerd worden voor aansprekende, renderende investeringsprojecten die iets
toevoegen aan het groeivermogen van de Nederlandse economie. Voorwaarden voor de
investeringen zijn dus dat de baten moeten opwegen tegen de kosten en dat het resterende
56
aardgasvermogen wordt besteed aan investeringen die bijdragen aan economische groei
(Energieraad, 2008).
Ook gasproducenten wijzen op de belangrijke rol van aardgas in de
energietransitie, wat op grond van hun belang valt te verwachten (Gasterra, 2012;
Overdiep, g.d.; Energy Valley, 2012). Het Energie-Forum NL, een bedrijvenplatform voor
gas- en elektriciteitsproducenten, meent dat het combineren van hernieuwbare
energiebronnen met aardgas de beste perspectieven biedt op het verwezenlijken van een
duurzame energievoorziening en een reductie van de CO2-uitstoot. Het forum wijst
hierbij ook op het belang van een hoge CO2-prijs (Gasterra, 2012). Energy Valley, een
publiek-privaat energienetwerk, vindt het belangrijk dat er een stabiel energiebeleid komt
dat op de lange termijn is gericht. Ook wordt er een belangrijke rol toegekend aan
aardgas, maar daarvoor moet wel de CO2-prijs omhoog (Energy Valley, 2012).
Al met al is de conclusie dat er maatschappelijk brede steun is voor duurzaam
gebruik van aardgas in de energietransitie. Daarentegen zijn de overheid en alle politieke
partijen tegen duurzaam gebruik van de aardgasbaten. Er zal dus nog veel moeten
veranderen voordat aardgas kan bijdragen aan een duurzamer Nederland.
Onzekerheden en beperkingen
Zowel wat betreft de milieuwetenschappelijke als de economische inzichten kent dit
onderzoekt enkele onzekerheden en beperkingen. In Hoofdstuk 3 kwamen al
onzekerheden in het energiebeleid aan bod. Deze hebben ook invloed op de uitkomsten
van dit onderzoek. Het is moeilijk iets specifieks te zeggen omdat de toekomst zo onzeker
is.
Ook economisch gezien vertoont dit onderzoek beperkingen. In Hoofdstuk 2 zijn drie
opties geïdentificeerd om de aardgasbaten duurzaam in te zetten. Over deze opties is
echter nog weinig informatie beschikbaar, wat de resultaten van dit onderzoek beperkt. In
Paragraaf 5.3 wordt hier verder op ingegaan.
57
5.3 Suggesties voor verder onderzoek
Economische analyse
In deze scriptie zijn drie manieren besproken om aardgasbaten duurzaam te besteden: een
SWF, een investeringsfonds en staatsschuldreductie. Deze mogelijkheden hebben elk hun
eigen voor- en nadelen. Ook zijn er per alternatief regels bepaald. Zo moet een SWF
onafhankelijk zijn van de overheid, dient voor investeringen eerst een kostenbatenanalyse te worden uitgevoerd en vereist staatsschuldreductie dat de aardgasbaten
van het lopende overheidsbudget worden gescheiden.
Een volgende vraag is welke van de drie alternatieven het beste is. Welk alternatief
draagt het meeste bij aan een duurzamer Nederland? Deze vraag valt buiten het bestek
van dit onderzoek. Zoals Wierts & Schotten (2008) al eerder opmerkten is er meer
onderzoek nodig dat niet alleen kwalitatief maar ook kwantitatief bepaalt hoe deze opties
zich tot elkaar verhouden.
Democratisch lange termijndenken
Om het hierboven voorgestelde orgaan voor de lange termijn tot een succes te maken,
dient het invloed op overheidsbeleid te hebben. De vraag is hoe dit te verenigen is met
een democratisch politiek bestel. Indien de leden van het orgaan democratisch gekozen
worden zijn het eigenlijk politici en zullen ze dientengevolge minder op de lange termijn
zijn gericht (zie ook Paragraaf 2.3.2). Wanneer hun benoemingsproces echter niet
democratisch verloopt kan de invloed van het orgaan slechts gering zijn, omdat in een
parlementaire democratie burgers invloed dienen uit te oefenen op het beleid. Het is
daarom van belang dat er onderzoek wordt gedaan naar de haalbaarheid van een balans
tussen deze twee mogelijkheden. Hoe kan een adviesorgaan politieke invloed krijgen
zonder dat dit botst met democratische beginselen? Ook dit is een interdisciplinair
vraagstuk, dat onderzocht kan worden vanuit staats- en bestuursrecht, politicologie en
bestuurskunde.
58
Onderzoek in andere landen
Voor zover bekend is dit het enige beschikbare onderzoek dat interdisciplinair is en
natuurlijke hulpbronnen benadert vanuit zowel economisch als milieuwetenschappelijk
perspectief. Zo’n benadering kan ook voor andere landen bruikbaar zijn. Verschillende
onderzoekers wijzen er bijvoorbeeld op dat Canada geplaagd wordt symptomen van de
Dutch disease (Huffington Post, 2013). Tegelijkertijd raden wetenschappers de Canadese
overheid af om de olieproductie verder op te voeren, omdat dit negatieve gevolgen heeft
voor het milieu (Goldenberg, 2013). Voorbeelden van andere landen waarvoor een
interdisciplinaire benadering vruchten zou kunnen afwerpen zijn Noorwegen, Indonesië,
Nigeria en Rusland.
59
Literatuur
Algemene Energieraad. (2009). ‘Vijftig jaar aardgas, vijftig jaar boven onze stand geleefd.’.
Geraadpleegd op: http://www.energieraad.nl/newsitem.asp?pageid=12514
Arthur, B. (1989). Competing technologies, increasing returns, and lock-in by historical
events. The Economic Journal, 99, pp. 116-131.
Banning, C. (13 juni 2009). Feest: 50 jaar boven onze stand geleefd dankzij
Slochteren. NRC Handelsblad. Geraadpleegd op: http://vorige.nrc.nl/
article2270065.ece
Barbier, E. (1987). The concept of sustainable economic development.
Environmental Conservation, 14(2), 101-110.
Barker, T., & Brailovsky, V. (1981). Oil or industry? Energy, industrialization and
economic policy in Canada, Mexico, the Netherlands, Norway and the United
Kingdom. Londen: Academic Press.
Blok, K. (2009). Introduction to energy analysis. Amsterdam: Techne Press.
Boonstra, W. (2008). Aardgasbaten inzetten voor vergrijzing. Geraadpleegd op:
http://www.kennislink.nl/publicaties/aardgasbaten-inzetten-voor-vergrijzing
Bos, F. (2008). The Dutch fiscal framework: History, current practice and the role of
the Central Planning Bureau. OECD Journal on Budgeting, 8(1).
60
Bos, F., & Teulings, C. (2010). CPB and Dutch fiscal policy in view of the financial
crisis and ageing (Rapport No. 218). Den Haag: CPB.
Broersma, L., Koeman, J., & Teulings, C. (2000). Labour supply, the natural rate, and
the welfare state in The Netherlands: the wrong institutions at the wrong point
in time. Oxford Economic Papers, 52, pp. 96-118.
Burema, L., Biersteker, K. & De Graaf, H. (1964). Luchtverontreiniging en
volksgezondheid in Rotterdam. Geraadpleegd op: http://books.google.nl/
books/about/Luchtverontreiniging_en_volksgezondheid.html?id=U_gqHAA
CAAJ&redir_esc=y
Busby, G., Isham, J., Pritchett, L., & Woolcock, M. (2004). The varieties of rentier
experience: How natural resource export structures affect the political
economy of economic growth. The World Bank Economic Review, 19(2), pp.
141-174.
Catão, L. A. V. (2007). Why real exchange rates? Finance and development, 44(3),
pp. 46-47.
Clarenburg, L.A. (1999). Luchtverontreiniging in de jaren zestig. Tijdschrift Lucht, 4,
pp. 104-106.
Clarke, W. C., & Dickson, N. M. (2003). Sustainability science: The emerging research
programme. Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States
of America, 100(4), pp. 8059-8061.
61
Commissie Huizenprijzen. (2013). Kosten koper: Een reconstructie van twintig jaar
stijgende huizenprijzen (Rapport No. 33 194 nr. 2). Geraadpleegd op:
Den Haag: Tweede Kamer.
Compendium voor de Leefomgeving. (2013). Emissies broeikasgassen, 1990-2011.
Geraadpleegd op: http://www.compendiumvoordeleefomgeving.nl/indicatoren/
nl0165-Broeikasgasemissies-in-Nederland.html?i=5-20
Conybeare, J. A. C. (1982). The rent-seeking state and revenue diversification.
World Politics, 35(1), pp. 25-42.
Corden, W.M. (1984). Boom Sector and Dutch Disease Economics: Survey and
Consolidation. Oxford Economic Papers, 36, p. 362.
Corden, W. M., & Neary, J. P. (1984). Booming Sector and De-industrialization in a Small
Open Economy. The Economic Journal, 92, pp. 825-848.
Correljé, A. (2011). Aardgas: Eén verleden en vele toekomstscenario’s. In J. Ganzevles
& R. Van Est (Eds.), Energie in 2030. Maatschappelijke keuzes van nu (pp.
339-356). Den Haag: Rathenau Instituut.
Correlje, A., & Geuns, van, L. (2006). Signalen uit de oliemarkt. De juiste strategie op
het juiste moment. Internationale Spectator 60(4), pp. 171-174.
CPB. (2012). De hoofdlijnen van de verkiezingsprogramma’s. Den Haag: CPB.
Eerd, van, R. (2010). Of Dutch disease and other ailments. Geraadpleegd op:
http://bcjournal.org/volume-13/of-dutch-disease-and-other-ailments.html
62
Energieraad. (2008). Bernard Wientjes: ‘Versnoep rest aardgasbaten niet’.
Geraadpleegd op: http://www.energieraad.nl/newsitem.asp?pageid=3096
Energy Valley. (2012). Uitgangspunten voor het energietransitiebeleid – formatie
2012. Geraadpleegd op: http://www.energyvalley.nl/attachments/23319_
Uitgangspunten%20voor%20een%20succesvol%20energie%20
transitiebeleid.pdf
Fearnley, T. A. (2012). Norway’s Government Pension Fund: Investing for the long
run. Geraadpleegd op: http://www.geog.ox.ac.uk/news/events/120927/
ao2012-tfearnley.pdf
Foreest, van, F.(2010). The role of natural gas in the Dutch energy transition:
Towards low-carbon electricity supply (Rapport No. NG 39). Oxford:
Institute for Energy Studies.
Gas In Beeld. (g.d.). De boel zo snel mogelijk verkopen. Geraadpleegd op:
http://www.gasinbeeld.nl/de-stille-ontdekking/1962-de-boel-zo-snel
mogelijk-verkopen
Gasterra. (2012). Nederland heeft aardgas nodig om ambitieuze
klimaatdoelstellingen te kunnen verwezenlijken. Geraadpleegd op:
http://www.gasunie.nl/nieuws/nederland-heeft-aardgas-nodig-om
ambitieuze-klimaatdoelstellingen
Gelb, A. (1989). Oil windfalls: Blessing or curse? Journal of International
Development, 1(3), pp. 399-400.
63
Goldenberg, S. (8 mei 2013). Academics warn Canada against further tar sands
production. The Guardian.
Greenpeace. (2008). A financial and economic comparison of coal, gas and wind as
options for Dutch electricity generation. Geraadpleegd op:
http://www.greenpeace.nl/reports/a-financial-and-economic-compa/
Gurbanov, S., & Merkel, E. (2010). Avoiding the Dutch Disease: a comparative study
of three successful countries. Journal of Qafqaz University, 29, pp. 21-27.
Gylfason, T. (2001). Lessons from the Dutch Disease: Causes, treatment, and cures.
Reykjavik: University of Iceland.
Gylfason, T. (2000). Natural resources, education and economic development.
Reykjavik: University of Iceland.
Gylfason, T., & Zoega, G. (2002). Inequality and economic growth: Do natural
resources matter?
Herberg, M. (2011). Natural gas in Asia: History and prospects. Geraadpleegd op:
http://www.nbr.org/downloads/pdfs/eta/PES_2011_Herberg.pdf
Hodgson, N. (g.d.). Social sustainability assessment framework. Geraadpleegd op:
http://integral-sustainability.net/wp-content/uploads/sas4-2-hodgson.pdf
Horst, van der, A., Bettendorf, L., Draper, N., Ewijk, van, C., Mooij, de, R., & Rele, ter,
H. (2010). Vergrijzing verdeeld: toekomst van de Nederlandse
overheidsfinanciën (Rapport No. 86). Den Haag: CPB.
64
Houghton, J. T. (2009). Global warming: the complete briefing (4e ed.).
New York: Cambridge University Press.
Huffington Post. (2013). Canada Dutch Disease. Geraadpleegd op:
http://www.huffingtonpost.ca/tag/canada-dutch-disease
Hutchinson, M. (1994). Manufacturing sector resiliency to energy booms: Empirical evidence
from Norway, the Netherlands, and the United Kingdom. Oxford Economic Papers,
New Series, 46(2), pp. 311-329.
International Energy Agency (IEA). (2012). Key World Energy Statistics.
Geraadpleegd op: http://www.iea.org/publications/freepublications/
publication/name,31287,en.html
Jen, S. (2007). The definition of a sovereign wealth fund. Geraadpleegd op:
http://sovereignwealthfunds.files.wordpress.com/2008/01/the-definition-of
a-sovereign-wealth-fund-morgan-stanley-october-2007.pdf
Jong, de, J. J. (2005). Dertig jaar Nederlands energiebeleid: Van bronzen, polders
en markten naar Brussel zonder koolstof (Rapport No. CIEP 02/2005).
Den Haag: Clingendael International Energy Programme.
Kamp, H. (2012). Beantwoording vragen gasfonds. Den Haag: Tweede Kamer.
Karl, T. L. (1997). The paradox of plenty: Oil booms and petrol states. Berkeley,
Californië: University of California.
Kern, F., & Smith, A. (2008). Restructuring energy systems for sustainability? Energy
transition policy in the Netherlands. Energy Policy, 36(11), pp. 4093-4103.
65
KNMI. (2013). Aardbevingen in Groningen. Geraadpleegd op: http://www.knmi.nl/
cms/content/111711/aardbevingen_in_groningen
Kremers, J. (1985). Booming sectors and structural change in Australia and Britain: A
comparison. In P. Neary & S. Van Wijnbergen (Eds.), Natural resources and
the macroeconomy. Oxford: Blackwell.
Koedijk, K. (2009). Afscheid van FES? Tijdschrift voor Openbare Financiën, 41(1),
pp. 15-22.
Larsen, E. R. (2004). Escaping the resource curse and the Dutch Disease? When and
why Norway caught up with and forged ahead of its neighbors (Discussion
Paper No. 377). Kongsvinger: Statistics Norway.
Lubbers, R. F. M., & Lemckert, C. (1980). The influence of natural gas on the Dutch
economy. In The economy and politics of the Netherlands since 1945 (pp. 87
88). Den Haag: Martinus Nijhoff.
Lukkezen, J., & Rojas-Romagosa, H. (2012). When is debt sustainable? (CPB
Discussion Paper No. 212). Den Haag: CPB.
Massachusetts Institute of Technology (MIT). (2011). The future of natural gas: An
interdisciplinary MIT study. Cambridge, Massachusetts: MIT.
McMahon, F. (2000). Road to growth: How lagging economies became
prosperous. Halifax: Atlantic Institute for Market Studies.
66
Mehboob, A. (2012). Natural resource curse: can a Dutch Disease become a Dutch
Miracle? (Masterscriptie, Erasmus Universiteit Rotterdam). Geraadpleegd op:
http://oaithesis.eur.nl/ir/repub/asset/13119/Ayesha%20Mehboob_Researc
%20Paper_A_1543.%20Mehboob%20(2012).pdf.
Mehlum, H. Moene, K., & Torvik, R. (2006). Institutions and the resource
curse. The Economic Journal, 116, pp. 1 –20.
Miller, G. T., & Spoolman, S. E. (2009). Living in the environment (17e ed.).
Pacific Grove, Californië: Brooks/Cole, Cengage Learning.
Ministerie van Economische Zaken. (2008). Gaswinning in Nederland: Belang en
beleid. Den Haag: Ministerie van Economische Zaken.
Ministerie van Economische Zaken (2011). Energierapport 2011. Den Haag: Ministerie
van Economische Zaken.
Norges Bank Investment Management (NBIM). Government pension fund global:
Annual report 2012. Geraadpleegd op: http://www.nbim.no/Global/Reports/
2012/Annual%20report/Annual%20report%2012.pdf
NOS. (2011). Recordopbrengst aardgasbaten 2012. Geraadpleegd op:
http://nos.nl/tekst/310996-recordopbrengst-aardgasbaten-verwacht.html
Overdiep, H. (g.d.). De toekomst van aardgas in Nederland. Geraadpleegd op:
http://www.kiwatraining.nl/uploadedFiles/Downloads/De%20toekomst%20
van%20aardgas%20in%20Nederland%20-%20Hans%20Overdiep.pdf
Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) (2012). Effecten van klimaatverandering in
Nederland (PBL Rapport: 500193003). Geraadpleegd op: http://www.pbl.nl/
publicaties/2005/Effecten_klimaatverandering_voor_Nederland
67
Ploeg, van der, F. (2008). Challenges and opportunities for resource rich economies
(OxCarre Research Paper No. 2008-05). Oxford: Institute for Energy Studies.
Ploeg, van der, F., & Poelhekke, S. (2009). Volatility and the natural resource curse. Oxord
Economic Papers, 61(4), p. 727.
Ricardo, D. (1888). Essay on the Funding System. In J. R. McCulloch, The Works of David
Ricardo. With a Notice of the Life and Writings of the Author. Londen: John
Murray.
Rijksoverheid. (g.d.a). Onderzoeken aardbevingen Groningen. Geraadpleegd op:
http://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/gas/aardbevingen-door
gaswinning-in-groningen/onderzoeken-aardbevingen-groningen
Rijksoverheid. (g.d.b). Schaliegas. Geraadpleegd op: http://www.rijksoverheid.nl/
onderwerpen/gas/gasexploratie-en-productie/onconventioneel-gas
Repko, A. F. (2012). Interdisciplinary research: Process and theory. Thousand Oaks,
Californië: SAGE Publications.
Ros, A. P. (2009). De historie van het Fonds Economische Structuurversterking.
Tijdschrift voor Openbare Financiën, 41(1), 2-14.
Ross, M. L., (1999). The political economy of the resource curse. World Politics, 51,
pp. 297–322.
Ross, M. L. (2001). Timber booms and institutional breakdown in Southeast Asia.
New York: Cambridge University Press.
68
RTL Z. (2013). Rick van der Ploeg: aardgasbaten zijn verkwanseld, stop opbrengst
nu in een fonds. Geraadpleegd op: http://www.rtl.nl/components/financien/
rtlz/2009/weken_2009/25/0616_1845_rick_ploeg_aardgasbaten_in_
fonds.xml
Rudd, D. (1996). An Empirical Analysis of Dutch Disease: Developing and Developed
Countries. Middletown (CT), USA: Wesleyan University.
Sachs, J. D., & Warner, A. (1995). Natural resource abundance and economic
growth (Discussion Paper No. 517). Harvard: Institute for International
Development.
Sachs, J. D., & Warner, A. (1999). The big push, natural resource booms and growth.
Journal of Development Economics, 59, pp. 43– 76.
Saraf, M., & Jiwanji, M. (2001). Beating the Resource Curse: The Case of Botswana.
Washington DC, USA: World Bank.
Scholtens, L. J. R. (2004). Aardgasbaten verstoren de economische ontwikkeling.
Economische Statistische Berichten, 4431, pp. 174-175.
Stevens, P. (2003). Resource impact – curse or blessing: A literature survey.
Dundee: University of Dundee.
Stijns, J. (2003). An empirical test of the Dutch Disease hypothesis using a gravity
model of trade. Geraadpleegd op: http://are.berkeley.edu/fields/erep/
seminar/f2002/Stijns02.pdf
Stolwijk, H. (2011). Groene groei: een wenkend perspectief? Den Haag: CPB.
69
The Economist. (26 november 1977). The Dutch Disease. The Economist, pp. 82-83.
Trouw. (2011). Rentelast ondanks staatsschuld historisch laag. Geraadpleegd op:
http://www.trouw.nl/tr/nl/7964/Schuldencrisis/article/detail/3004192/2011/10/31/
Rentelast-ondanks-staatsschuld-historisch-laag.dhtml
United Nations. (1987). Our common future: Report of the World Commission on
Environment and Development. Geraadpleegd op: http://www.un
documents.net/wced-ocf.htm
United States Environmental Protection Agency (U.S.EPA). (2012a). How does electricity
affect the environment? Geraadpleegd op: http://epa.gov/cleanenergy/energy
and-you/affect/index.html
United States Environmental Protection Agency (U.S. EPA). (2012b). Sulfur dioxide:
Health. Geraadpleegd op: http://www.epa.gov/airquality/sulfurdioxide/
health.html
United States Environmental Protection Agency (U.S. EPA). (2013). Nitrogen
dioxide: Health. Geraadpleegd op: http://www.epa.gov/airquality/
nitrogenoxides/health.html
Verhagen, M. (2012). Aardgasinkomsten en een staatsfonds. Den Haag: Tweede
Kamer.
Verrips, A. (2006). Beoordeling projecten ruimtelijke economie, innovatie en
onderwijs. Den Haag: CPB.
70
Vos, I. (2012). The impact of wind power on European natural gas markets.
Parijs: International Energy Agency.
Vreuls, H. H. J., & Zijlema, P. J. (2011). The Netherlands: list of fuels and standard CO2
emission factors, version Januari 2011. Utrecht: NL Agency.
Wellink, A. H. E. M. (1987). De ontwikkeling in de jaren ’70 en ’80 en enkele daaruit te
trekken lessen. In A. Knoester (Ed.), Lessen uit het verleden: 125 jaar Vereniging
voor de staatshuishoudkunde. Leiden: Stenfert Kroese.
Wierts, P., & Schotten, G. (2008). Dutch natural gas revenues and fiscal policy:
theory versus practice. DNB Occasional Studies, 6(5), pp. 3-31.
Zanden, van, J. L. (1998). The Economic History of the Netherlands 1914-1995: A small
open economy in the ‘long’ twentieth century. Londen: Routledge.
Zijp, M. (2012). Schaliegas in Nederland. Gea, 2, pp. 52-56.
71
Appendix
Ricardiaanse equivalentie
De theorie van Ricardiaanse equivalentie werd geïntroduceerd door David Ricardo (1888)
en houdt in dat consumenten rekening houden met toekomstige budgetrestricties van de
overheid. Zo zullen burgers geld sparen wanneer de overheid geleend geld uitgeeft, omdat
ze weten dat dit in de toekomst moet worden terugbetaald en hiervoor later extra
belastingen worden geheven. Netto blijven de uitgaven binnen een economie dan
constant. Dit betekent ook dat de lasten tussen generaties eerlijk worden verdeeld; de
huidige generatie spaart immers voor de extra lasten van de toekomstige generaties.
Wanneer burgers handelen volgens Ricardiaanse equivalentie kan is dit dan ook
duurzaam volgens het Musgrave-criterium.
Wanneer men Ricardiaanse equivalentie toepast op de Nederlandse aardgasbaten,
wordt er van uit gegaan dat burgers het wegvallen van de aardgasbaten in de toekomst
compenseren door in het heden meer te sparen. Door de aardgasbaten binnenlands uit te
geven –voor sociale zekerheid bijvoorbeeld- neemt de welvaart per hoofd van de
bevolking extra toe vergeleken met een situatie zonder aardgasbaten. Volgens
Ricardiaanse equivalentie weten burgers dat deze ‘bonus’ in de toekomst zal wegvallen.
Om de welvaart hun nakomelingen te beschermen, zullen ze extra geld sparen om dit
tekort in de toekomst op te vangen.
Dit is duurzaam op twee manieren. Ten eerste voldoet het aan het Musgravecriterium: elke generatie profiteert evenveel. Huidige generaties ontvangen weliswaar de
aardgasbaten, maar deze zetten ze gedeeltelijk opzij voor toekomstige generaties. Ten
tweede worden niet alle aardgasbaten geconsumeerd. Een gedeelte wordt omgezet in
(particulier) vermogen.
Ricardiaanse equivalentie is gedeeltelijk in strijd met de duurzaamheidsdefinities
van Bos & Teulings (2010), Koedijk en Wierts & Schotten (2008), die stellen dat de
overheid geld opzij moet zetten om toekomstige generaties te beschermen en te laten
profiteren van de aardgasbaten. Volgens is de overheid verantwoordelijk voor de
72
duurzame besteding van de aardgasbaten, terwijl Ricardiaanse equivalentie gelooft dat
burgers zelf rekening houden met toekomstige generaties.
In hoeverre hebben Nederlandse burgers zich gedragen naar de Ricardiaanse equivalentie?
In Figuur 1.6 is een scatterplot weergegeven van de Nederlandse besparingen en de
aardgasbaten (1970-2011, beiden in % van BBP). In lijn met de Ricardiaanse equivalentie
zou men verwachten dat er een positieve relatie is tussen deze twee: hoe hoger de
aardgasbaten, hoe meer geld huishoudens opzij zetten omdat ze weten dat dit slechts
incidentele inkomsten zijn.
Zoals te zien in Figuur 1.6, is er geen sprake van een positieve relatie. Het verband
is eerder negatief: hoe hoger de aardgasbaten, hoe lager de besparingen. Er is dus geen
empirisch bewijs dat de theorie van Ricardiaanse equivalentie toepasbaar is op de
Nederlandse aardgasbaten. De claims van Bos & Teulings (2010), Koedijk en Wierts &
Schotten (2008) lijken daarom terecht.
Figuur 1.6: De relatie tussen de hoogte van de aardgasbaten (horizontaal, % van BBP) en
Nederlandse besparingen (verticaal, % van BBP), 1970-2011.
Bron: CBS Statline.
73
Download